Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Rollend materieel > Locomotieven > Onze onvergetelijke stomers > Elfde periode, 1940-1946, de tweede wereldoorlog (vervolg)

Elfde periode, 1940-1946, de tweede wereldoorlog (vervolg)

Phil Dambly.

dimanche 5 février 2012, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

Het lijkt ons wel de moeite even te blijven stilstaan bij de 2-10-0 goederentreinlocomotieven, in België gebouwd in 1943-44 voor rekening van de Deutsche Reichsbahn. Op 200 bestelde machines Reihe (reeks) 50 UK, werden er 186 geleverd. Van 1949 tot 1952 werden 140 hiervan uit Duitsland teruggehaald door de zorgen van de Dienst voor Economische Recuperatie en aangewezen voor Schaarbeek, Montzen, Ans, Herbesthal, Welkenraedt, Kinkempois en Ronet.

Twaalf van de te Schaarbeek gestalde machines werden in 1952 verkocht aan Denemarken waar ze de reeks N van de D.S.B. hebben gevormd (nrs 201 tot 210, terwijl de andere twee dienden als reserve van wisselstukken). Bij gebrek aan kopers, werden de overgebleven Reihe 50 UK in de loop van de jaren 52/56 naar de schrootbelt verwezen.

De laatste locomotieven van de bestelling, 14 in aantal, waren in aanbouw bij de Bevrijding. Ze werden voltooid voor de N.M.B.S. die ze als type 25 tussen 1945 en 1948 in bezit nam. Die locomotieven, welke de nrs 25.023 en 25.001 tot 25.013 (ex-2500) droegen, werden in 1947 ter beschikking van depot Latour gesteld.

25.002
Locomotief type 25, nr 25.002, ex-2502, zonder leiplaten en gekoppeld aan een klassieke tender. Aangewezen voor dezelfde depots als de vorige machine

Bouwers van het type 25 waren : Cockerill (25.013 en 25.001) ; Anglo-Franco-Belge (25.002) ; Couillet (25.003) ; La Meuse (25.023 en 25.004 tot 012).

2501
Enkele typen 25 waren voorzien van grote leiplaten. Hierboven locomotief nr 2501, daarna 25.001, vergezeld van een badkuiptender. Aangewezen, in 1945, voor depot Schaarbeek werd ze, in 1947, naar Latour overgeplaatst.

De laatste stoomlocomotief, de 25.012, die op 20 april 1948 aan de N.M.B.S. werd geleverd, werd in september 1958 buiten dienst gesteld, een historisch feit waaraan niemand aandacht schonk. Vergetelheid of ondankbaarheid, wie zal het zeggen ?

De typen 25, met wielen van 1,40 m, twee cilinders en oververhitting, ontwikkelden 2.100 pk, wogen 86,85t en bereikten 80 km/h. Sommige ervan waren voorzien van klassieke grote leiplaten terwijl andere, waarvan de overloopplaat ophield ter hoogte van de cilinders, geen leiplaten hadden.

De reeks 50 dateerde van 1939. De reeks 50 UK was een vereenvoudigde versie, doorgaans zonder voorverwarmers, de zogenoemde “Ubergangskriegsbauart”. Ze werd in 1942 opgevolgd door de nog eenvoudiger reeks 52, de zogenoemde “Kriegslokomotiven”.

Groep oorlogslocomotieven, reeks 52 van de Deutsche Reichsbahn (Duitse propagandafoto, genomen in 1943). Na de oorlog werden die voortreffelijke locomotieven gebruikt door de Duitse en Oostenrijkse (reeks 52), Belgische (type 26), Luxemburgse (reeks 56), Joegoslavische (reeks 33), Turkse (reeks 56-5), Czechische (reeks 555), Poolse (reeks Ty 2), Roemeense (reeks 150.1), Bulgaarse (reeks 15), Hongaarse (reeks 520), Noorse (reeks 63), Nederlandse (reeks 49), Franse (150 Y) en Russische (type TE) spoorwegen.

Na de Bevrijding werden, van 1945 tot 1946, honderd locomotieven van die nog in aanbouw zijnde reeks voor de N M.B.S. afgewerkt en type 26 genoemd (nrs 26.001 tot 26.100). Tien ervan, nrs 26.012 tot 016 en 26.042 tot 046, werden verkocht aan de Luxemburgse Spoorwegen waar ze de reeksen 5601 tot 5610 gevormd hebben. De locomotieven 26.045 en 26.046 werden rechtstreeks door de fabriek aan de C.F.L. geleverd, de andere hebben eerst nog enkele weken in België gereden. Met uitzondering van de 26.043, die slechts in oktober 1947 vertrok, werden ze in mei en juni 1946 aan de C.F.L. overdragen.

26.071
De typen 26, met hun sobere lijnen, kwamen er vrij flink voor. Machine nr 26.071, ex-2671, van depot Kinkempois. Uiterlijk verschilde het type 26 van het type 25 door de horizontale leiplaten, een enkele grote zandbak, de vierkante doorsnede van de afvoerbuis, de schaarsteun, de ingekorte schoorsteen 4,280 m, enz.

De eerste twaalf typen 26 werden in dienst gesteld te Schaarbeek in afwachting van de levering van de typen 29. De volgende werden naar de depots Bertrix, Latour en Renory gestuurd. De machines van Latour en Bertrix trokken, voornamelijk in dubbele tractie, de ertstreinen tussen Lamorteau, enerzijds, en Ronet, Monceau of Jemelle/Marloie, anderzijds. In 1955 werd een reeks machines afgestaan aan Montzen in vervanging van de typen 81.

De typen 26 werden gebouwd door : Tubize (26.100 en 26.001 tot 024) ; Cockerill (26.025 tot 049) ; Haine-St-Pierre (26.050 tot 074) ; Anglo-Franco-Belge (26.075 tot 099).

Deze mooie machines waren gekenmerkt door de horizontale leiplaten “op zijn Duits”, vastgemaakt op de rookkast. Ze wogen 86 t en hun prestaties evenaarden die van het type 25. Beide machinetypen waren gekoppeld aan klassieke Duitse tenders van 26 m³ of tenders van 32 m³, met half - ellipsvormige doorsnede, zonder frame, de zogenaamde “Wannentender” (badkuiptenders).

Er werden ongeveer 7.500 locomotieven Reihe 52 gebouwd, zowel in Duitsland als in Oostenrijk, Czecho-Slowakije, Denemarken, Frankrijk en België. Ze werden over heel Europa verspreid, de U.S.S.R. inbegrepen.

De Duitse locomotieven, de zogenoemde “oorlogsbuit”, verdienen eveneens onze aandacht. Het gaat hier om locomotieven van de Deutsche Reichsbahn, in België achtergelaten in 1944, en daarna gebruikt door het Amerikaans leger of in beslag genomen door de Dienst voor Economische Recuperatie. De N.M.B.S. boekte ze van september 1944 tot november 1945 en gebruikte het grootste deel ervan tot in juni-juli 1950, toen ze aan de Deutsche Reichsbahn teruggegeven werden. Op het ogenblik dat ze buitgemaakt werden, waren deze machines zwart geschilderd, terwijl de kleur van de wielen en de voetplaat rood was. Op het machinistenhuis prijkte de arend met het hakenkruis.


Bron : Het Spoor, n° 139, maart 1968