Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Geschiedenis > 150 jaar spoorwegen > Ziekteverzekering bij de belgische spoorwegen

Ziekteverzekering bij de belgische spoorwegen

lundi 23 avril 2012, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

De XlXe eeuw werd niet alleen gekenmerkt door de groei van de spoorweg, maar tevens door een aantal sociale problemen. De intellectuelen hadden helaas geen ideeën die naar de oplossing ervan konden leiden. Het klassieke liberalisme huldigde de non-interventie van de overheid en het natuurlijk evenwicht van het economisch leven. Deze theorieën bekommerden zich heel weinig om het lot van de arbeiders en er moesten dus hulpverleningsdiensten opgericht worden om te proberen de ergste nood te lenigen.

Er werden ziekteverzekeringsmaatschappijen opgericht.

Zij boden slechts een gedeeltelijk doeltreffende oplossing voor de wisselvalligheden van de gezondheid. Hiervan getuigen de “ziekenfondsen” opgericht door de bedienden van de spoorwegen om hun leden in geval van nood te helpen.

Het spoorwegmuseum bezit nog steeds het vaandel en het reglement van “l’Alliance Mutuelle” van Brussel-Centraal. Dit was een hulpfonds opgericht in 1889 met het doel zieke bedienden te helpen en de weduwen bij te staan. In het begin van de XXe eeuw verschenen de eerste sociale wetsbepalingen. Aldus genoten de spoorlui reeds vóór de oprichting van de Maatschappij van een sociale bescherming. De werklieden daarentegen, waren aangesloten bij de “Werkliedenkas”, gestijfd door bijdragen van het werkliedenpersoneel en door subsidies van de Staat.

In geval van afwezigheid wegens ziekte genoten de ambtenaren en beambten, ten laste van de staat, een vergoeding die gelijk was aan 100 % van hun wedde gedurende een periode van drie maanden tot een jaar, naar gelang van hun dienstanciënniteit.

Na die termijnen werden zij op wachtgeld gesteld en ontvingen ze verder 75 % van hun bezoldiging. Daarentegen genoten zij generlei tegemoetkoming in medische en farmaceutische kosten.

De Werkliedenkas verleende haar aangeslotenen in geval van ziekte een uitkering die schommelde tussen 50 en 75 % van het loon naar gelang van de dienstanciënniteit en dat gedurende ten hoogste een jaar. Bovendien garandeerde ze ook kosteloze geneeskundige en farmaceutische verzorging. De beambten met een bescheiden inkomen en hun gezinsleden, alsmede de gezinsleden van werklieden genoten voorkeurtarieven bij aangesloten prestatieverleners.

Dat stelsel zou van toepassing blijven tot 1929, toen het voorlopig statuut van de sociale verzekeringen werd ingevoerd.

 De sociale verzekeringen

De sociale diensten van de NMBS vinden hun oorsprong in het Statuut van het Personeel, opgemaakt door de Nationale Paritaire Commissie die werd aangesteld krachtens artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Maatschappij. Op 1 april 1929 werd de “Kas der Sociale Verzekeringen” opgericht. Ze werd gespijsd door een bijdrage van de Maatschappij, gelijk aan 3 % van de globale wedden. Noch het personeel, noch de gepensioneerden betaalden enige bijdrage.

De voordelen die de kas verleende, verschilden evenwel naar gelang van de administratieve toestand van de betrokken beambten. De vroegere ambtenaren en beambten van de staat genoten een ziektevergoeding gelijk aan 100 % van hun loon gedurende 6, 9 of 12 maanden, overeenkomstig hun dienstanciënniteit. Na die termijnen werd die vergoeding beperkt tot 75 %.

De ambtenaren en beambten aangeworven vanaf september 1926 ontvingen een vergoeding van 100 % gedurende de eerste 30 dagen afwezigheid en van 75 % vanaf de 31e dag. De statutaire werklieden genoten voortaan 75 % van hun loon vanaf de 4e dag afwezigheid, of vanaf de eerste dag wanneer de arbeidsongeschiktheid langer dan twaalf dagen duurde. Die vergoedingen werden uitbetaald gedurende een periode van zes maanden tot een jaar en, ingeval van geneesbaarheid, gedurende een periode van drie jaar, met inbegrip van al de afwezigheden wegens ziekte die de betrokkene tijdens zijn loopbaan had gekend. Vanaf 1936 werd de wachttijd van drie dagen afgeschaft.

Dank zij een tegemoetkoming van de Kas werd het persoonlijk aandeel van de bediende in de medische en farmaceutische kosten tot 25 % beperkt en de verzorging werd kosteloos verstrekt in de tien gewestelijke geneeskundige centra die voortaan het land zouden bestrijken.

De verpleging in een aangenomen ziekenhuis alsmede de speciale geneeskundige verzorging werd integraal gedekt.

Bij overlijden van een bediende in actieve dienst, ten slotte, bleef de bezoldiging van de begonnen maand niet alleen verworven, maar werd er ook nog een vergoeding betaald die reeds gelijk was aan een maandwedde.

De Kas der Sociale Verzekeringen, paritair beheerd door vertegenwoordigers van de Maatschappij en van de personeelsorganisaties, groepeerde de actieve personeelsleden en de gepensioneerden, met uitzondering van hun gezinsleden. Die gezinsleden bleven verder voorkeurtarieven genieten bij de aangenomen prestatieverleners, zonder nochtans enige tegemoetkoming van de Kas te bekomen.

Gedurende zestien jaar heeft dit stelsel haast geen wijzigingen ondergaan buiten enkele beperkingen veroorzaakt door de gebeurtenissen van 1940. Ze waren dan nog tijdelijk en vloeiden voort uit een gebrek aan inkomsten en er was reeds vóór de publicatie van de besluitwet Van Acker besloten ze af te schaffen.

 1945 - ontwikkeling van de sociale werken

Met deze besluitwet van 28 december 1944, werd een algemeen stelsel van sociale zekerheid voor de werknemers ingevoerd. In artikel 2 werd echter bepaald dat de wet niet gold voor de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen op voorwaarde dat deze aan haar personeel voordelen verleende die tenminste gelijkwaardig waren aan die welke door het wettelijk stelsel voorgeschreven waren. Deze verplichting lag aan de basis van de meeste aanpassingen van het stelsel van de sociale verzekeringen van de Maatschappij.

Die hervormingen waren dan wel in overeenstemming met de prestaties van het wettelijk stelsel, maar er dient opgemerkt dat het stelsel van de sociale werken voordelen bood die veel belangrijker waren. Buiten de medische en farmaceutische bijstand omvatte dit stelsel reeds werken van sociale solidariteit zoals het verlenen van geldelijke hulp al naar gelang de behoefte.

Zoals we al hebben aangestipt bleven de prestaties van de Kas der Sociale Verzekeringen tot 30 juni 1945 beperkt tot het personeel in actieve dienst en tot de gepensioneerden, met uitzondering van hun gezinsleden. Vanaf 1 juli werd de verzorging uitgebreid tot de gezinsleden van het personeel en vanaf 1 maart 1946 tot de gezinsleden van de gepensioneerden. Het statutaire stelsel werd dus aangepast aan de bepalingen van de Besluitwet van 1944 en het aantal gerechtigden steeg van 138 000 tot 305 000. Van 1 april 1929 tot 30 juni 1945 werd de Kas der Sociale Verzekeringen enkel gestijfd door toelagen van de Maatschappij met uitsluiting van enigerlei bijdrage var het personeel. Vanaf 1 juli 1945 verruimde ze aanzienlijk haar actiegebied inzake ziekteverzekering en breidde ze haar activiteiten uit tot andere domeinen. Voortaan beschikte ze, onder de naam “Kas der Sociale Diensten”, over een autonome financieringswijze.

Hoe belangrijk deze vooruitgang ook was, het betekende dat de kas haar budget met eigen inkomsten in evenwicht moest houden. Om het recht op de tegemoetkoming voor geneeskundige verzorging aan de gezinsleden te kunnen verlenen was een bijdrage van het personeel en van de gepensioneerden noodzakelijk alsmede een aanzienlijke toelage van de Maatschappij die het totaal van die bijdragen overschreed. Ziekte en overlijden waren de belangrijkste risico’s die gedekt werden door de sociale verzekeringen. Het statutair stelsel bleek duidelijk voordeliger dan de wettelijke regeling. Vanaf 4 augustus 1948 kreeg de Kas der Sociale Diensten een nieuwe naam : “Kas der Sociale Werken”. Ze werd onderverdeeld in Werken voor Sociale Zekerheid die tot doel hadden de gezondheid van de gerechtigden te vrijwaren of te herstellen, tegemoet te komen in medische en farmaceutische kosten, vergoedingen te betalen bij arbeidsongeschiktheid en overlijden en in Werken voor Sociale Solidariteit die andere voordelen verleenden zoals vakantie voor kinderen, sociale hulp, verblijf in tehuizen, sport, vrijetijdsbesteding...

Er dient opgemerkt dat de naamsveranderingen in het bestaan van de sociale werken slechts van ondergeschikt belang zijn ; de hervormingen die ze bewerkstelligd hebben, zijn daarentegen enorm.


Bron : Het Spoor, mei 1985