Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Het stoomgevaarte

Het stoomgevaarte

Guido Gezelle

mardi 2 septembre 2008, par rixke

De aarde davert en van onder
de aarde wederdreunt een wonder
doof [1] geronk ; de landman houdt
op van werken, staat, en schouwt
waar hij, ievers opgevaren [2]
kan het zwart geweerte [3]
ontwaren
dat zijn bevend hert ontsteld
al zijn hope [4] bloeit in’t veld.
De aarde gromt weerom van onder
zijne voeten, en, het wonder
donderend gebrom rolt voort,
dat hij ’t klaar [5] en klaarder hoort,
en, daar komt het : ’t nadert,
’t nadert,
’t is daar... ziet gij hoe ’t gebladert,
en de grond, en alles dook [6]
in een wolk van damp en rook ?
Ziet gij ’t over de aarde varen,
immer naadrend, immer naren [7]
totdat, lijk een bliksemvier,
’t scherpe tierende getier [8]
uit de wolk berst ? Zij scheurt open
en daar komt vóóruitgekropen,
’t ijselijkst serpentehoofd
met een kronkelend lijf ! Verdoofd
slaan mijn oren bal, [9] zij tuiten
weg en weder van het fluiten,
van het gorgelend borstgegrol,
’t rammelend metaalgerol,
’t knerselende tandgeknetter [10]
’t schetterende rengekletter [11]
’t ratelende keelgerucht
en het vluchtige gezucht,
dat, al brandend op de schenen, [12]
rent en rukt voorbij, verdwenen.
Ei ! de man die schouwend staat
om de baan te wachten [13] slaat
hand aan ’t lijf [14] en voelt het leven,
vluchtend, in zijn boezem beven.
Dampgedrocht, in ’t vuur geboeid [15]
dat u rond de lenden gloeit,
dat de gramme moed, ontstoken,
doet al door uw aadren koken :
kracht ontembaar, en bestand [16]
om de flauwe mensenhand
die u miek [17] om duizend handen,
om tienduizenden verstanden
te overrompelen : dampgeweld,
dat geen mense [18] palen stelt
of in banden weet te smeden,
overal waar gij getreden
komt, en ’t ijzren voetspoor stampt,
blijft dat voetspoor vastgeklampt ;
de aarde schudt, de bergen storten,
wijl de beken samenhorten
en hun watervloed, gestoord,
vlucht te bronnewaart : men hoort
berg en bos en dal weergalen [19]
op het zuchtend asemhalen [20]
van uwe hese reuzenborst.
Gloeiende van dravensdorst,
scheurt gij ’t stil geluchte aan vlenderen [21]
werpt aan stuks geknarste zenderen [22]
uit uw ijzeren tanden, en,
storremt altijd voort... Wee hen
die u tergen ! Maanden zorgens [23]
vinden z’, huis en have, ’s morgens
afgebrand, om ene sperk [24]
die g’hun toespuugt. -Reuzensterk
zijt gij, kind en slaaf des mensen,
doch, zijn onbetembaar wensen,
onbetembaar zelf, en zult
gij niet stillen : opgevuld
met wat kostelijke schatten
berg, en groef, en zee bevatten,
voert hem, sneller als de wind,
tot waar gij de palen vindt
van het aardrijk : zonder palen
is zijn wensend hert, en, falen,
falen moet uw reuzenkracht

Uit : Het stoomgevaarte, Guido Gezelle


[1dof

[2ergens opgestoken

[3onweer

[4gewassen

[5duidelijk

[6onderdook

[7naderen

[8krijsende gefluit

[9balorig

[10tandgeknars

[11rengedender

[12rails

[13wisselwachter

[14drukt zijn hand tegen zijn lichaam

[15gebonden

[16inslaat

[17vervaardigde

[18(ond)

[19weergalmen

[20ademen

[21lucht aan flarden

[22werpt verplette sintels stuk

[23na maanden werken

[24vonk