Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Geschiedenis > Brussel Parijs in 1846

Brussel Parijs in 1846

Th. Deschamps.

lundi 1er octobre 2012, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

Een topgebeurtenis in de geschiedenis van de Belgische spoorwegen

In 1839, omstreeks het tijdstip der Belgisch-Nederlandse verzoening, was het eerste spoorwegnet dat door het Parlement te Brussel werd aangenomen, reeds voor meer dan de helft aangelegd. Maar het bezat nog geen enkele internationale verbinding. De daarop volgende negen jaren werd het net voltooid en kwam de spoorwegverbinding met Frankrijk en Duitsland tot stand...

Het Zollverein, dat in het Noorden door de Hanzesteden de pas werd afgesneden, was er ten zeerste om bekommerd een gemakkelijke uitweg naar Antwerpen en de zee te bekomen. Op 1 november 1843 werd dan ook de verbinding tussen Rijn en Schelde voor het verkeer opengesteld, ondanks aanzienlijke technische moeilijkheden die bij de aanleg van het baanvak Aken - Ans waren gerezen. In Frankrijk was men, daarentegen, heel wat minder gehaast en vooral heel wat minder besluitvaardig. Op het spoorweggebied praatten de Fransen zich vast in theoretische discussies. Vruchteloos bepleitten de Parijse economisten de snelle uitvoering van een grote lijn van het noorden naar het zuiden en stelde de vertegenwoordiger van Louis-Philippe te Brussel het feit aan de kaak dat Duitsland, dank zij de spoorwegen, het Belgisch koninkrijk inpalmde. Zij verkregen slechts de goedkeuring voor twee kleine plaatselijke lijnen, van Rijsel en Valenciennes naar de grens, in juni en juli 1840. Even later werd daarenboven, wegens de crisis in het Verre Oosten elk krediet op de lange baan geschoven.

Slechts in 1842 zou de kwestie opnieuw ernstig ter sprake komen. Men weet dat minister Teste, dank zij zijn handig optreden, er toen in slaagde een plan voor een nationaal net door het Franse Parlement te laten aanvaarden. Ondertussen was de Schatkist evenwel berooid door de bewapeningsuitgaven, terwijl de bankiers en de geldschieters, in ’t nauwe gebracht door enkele faillissementen, er voor terugschrikten hun geld in het aanleggen van spoorwegen te beleggen. Tegen zijn zin diende de Staat zelf de werken van de lijn van de “Nord” aan te vatten. Eerlijk gezegd, zij vorderden bijna niet, tot op het ogenblik dat, dank zij het teruggekeerde vertrouwen en de nieuwe speculatiezucht, baron James de Rothschild er in geslaagd was zijn concurrenten in een soort van consortium te betrekken en, de 9e september 1845, op glansrijke wijze de concessie te bekomen. Onder de impuls van de machtige financier zou, van toen af, de spoorweg van Parijs naar de grens spoedig een werkelijkheid worden. Na negen maanden, omstreeks half juni 1846, was alles gereed voor de plechtige opening van de hele lijn.

Sedert meer dan vier jaar reikte liet Belgische net tot Moeskroen en tot Quiévrain. Frankrijk was te laat op het rendez-vous dat het actieve België aan zijn grote buurman had voorgesteld. Om dit te verhelpen en om tevens de nadruk te leggen op het politieke belang van de eerste grote internationale spoorweg die voor het verkeer werd opengesteld, wilde Guizot de inwijdingsfeesten met de grootst mogelijke luister omringen. In 1843 en in 1844 had de Pruisische gezant in België, te Antwerpen, te Luik, op plechtige wijze de Schelde-Rijnverbinding ingewijd : te Brussel en te Rijsel zou men meer en beter doen.

De Belgische officiële personen waren niet zozeer gesteld op die uitgaven voor uiterlijk vertoon. Malou, de toenmalige minister van Financiën, zat in nauwe schoentjes. Wellicht vreesde hij dat het Parlement hem voor verkwister of, erger nog, voor Fransgezinde zou verslijten. Uiteindelijk gaf de Belgische regering dan toch toe aan het verlangen van het Franse kabinet : verzot als het was op feestelijkheden en vermaken, betuigde het volk zijn instemming.

De voornaamste Franse overheidspersonen werden uitgenodigd op de plechtigheden te Brussel. Er werd overeengekomen dat de troonopvolger, de hertog van Nemours, de reis naar België zou ondernemen in het gezelschap van zijn broeder, de hertog van Montpensier, van de ministers van Openbare Werken en van Handel, van de Grootzegelbewaarder, van de prefect van de Seine, en van nog andere personaliteiten. Prins de Ligne en Firmin Rogier, die België te Parijs vertegenwoordigden, kregen de toestemming van hun chef om de bezoekers te vergezellen...

Rothschild had de dingen groots en breed opgevat. Voor de inwijding van de spoorweg werden zowat drieduizend uitnodigingen verzonden. Op zaterdag 13 juni, maar vooral op zondag 14, nam al wat te Parijs naam, vrije tijd en aanzien had, plaats in de officiële treinen in het vertrekstation Saint-Lazare, en dit onder het welgevallige oog van de talrijke kijkers. Drie met Belgische en Franse vlaggen versierde locomotieven voerden elk een twintigtal wagens naar het Noorden. De reizigers hadden de meest uitdrukkelijke aanbevelingen gekregen, onder meer dat de rijtuigen slechts ten vroegste een minuut na de aankomst mochten worden verlaten, een aanbeveling die op het Belgische net gebruikelijk was. Voorzichtiger kon het haast niet... Zonder ongelukken bereikten de drie treinen Rijsel ’s zondags, tussen vier en vijf uur ’s avonds. Op hetzelfde ogenblik arriveerden uit België, per speciale trein, de Belgische minister van Openbare Werken, de Franse gezant in België, verschillende personaliteiten van de Senaat en van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, en de Franse plechtigheid kon beginnen. De eigenlijke inwijding geschiedde in het station Rijsel. Een indrukwekkend orkest, onder de leiding van Hector Berlioz, voerde de beide volksliederen uit. De aartsbisschop van Cambrai, Mgr Giraud, zegende het spoor en de wagons, en verheerlijkte de weldaden van de vooruitgang der wetenschap. Maar het toppunt van het feest lag evenwel elders : met name het feestmaal dat de “Compagnie du Nord” aan haar genodigden aanbood in de nabijheid van het stadhuis, onder een tent zo groot als de “place Vendôme”, aldus het “Journal des Débats”. Vijftienhonderd personen werden er overvloedig gespijsd. Zoals naar gewoonte ging het nagerecht gepaard met een weelde van toespraken en lofbetuigingen. De hertog van Nemours had op tamelijk banale wijze de Frans-Belgische broederschap bezongen. Prins de Ligne antwoordde met enkele vriendelijke woorden. Rothschild besloot met een heildronk, eerst op koning Louis-Philippe, daarna op koning Leopold, edele verpersoonlijking van een gulle en bevriende natie, onder wiens impuls het Belgisch volk als eerste in Europa een volledig spoorwegnet had opgevat en uitgewerkt.

De heildronken gingen verloren in het algemeen geroezemoes, maar men juichte ze toe. Men juichte daarna zelfs de “Chant des Chemins de Fer” toe, en dat was ongetwijfeld verdienstelijker. Want indien de muziek, van Berlioz, er door kon, dan lagen de verzen van Janin overhoop met alle regels van de dichtkunst... De avonds partij werd besloten met een bal, aangeboden door het gemeentebestuur. Er werd echter, niet lang gedanst want de reis was nog niet ten einde. Om twee uur ’s morgens stoomde een eerste konvooi onvermoeibaren uit Rijsel naar België. De twee officiële treinen moesten om acht uur vertrekken.

Over de eerste spoorwegreis van Rijsel naar Brussel bezitten wij verschillende verhalen. Een der pittigste is dat wat Theophile Gautier naar Emile de Girardin stuurde voor de krant “La Presse”. Maar het neemt zo’n loopje met de werkelijkheid dat men zich afvraagt of de brave Theophile, zonder het te durven bekennen, soms niet meer leed onder de naweeën van het feestmaal...

... Te Kortrijk was geheel de bevolking langs het spoor te hoop gelopen. Zelfs het kanon heeft er gebulderd, vertelt Janin, en wel zo hevig dat enkele ruiten aan scherven vlogen.

Ook te Gent bulderden kanonnen : dit maal zijn het die van het leger. Het ging hier om een militaire parade ter ere van de prinsen. Gautier looft het keurige uniform van de Belgische troepen. Zijn dit louter kunstenaars-woorden ? Alleen hun afschuwelijke zwarte broeken, zo vervolgt hij, konden ons niet bekoren... En de rit wordt voortgezet, als de vlucht van een zwaluw. Wij rijden door Dendermonde, vervolgens door Mechelen, het hart van het Belgische net. Brussel is in ’t zicht. Aan beide zijden van de weg wordt de massa dichter en dichter. En daar komt, ingevolge een nog niet eerder uitgevoerde krachttoer, het konvooi, dat op korte afstand de trein der prinsen volgde, op een evenwijdig spoor, naast deze laatste rijden en legt zo met hem de volgende kilometers af. De bewondering van de reizigers wordt aangedikt door een zweempje ongerustheid ; de toejuichingen zwellen aan... Onder een stralend zonnetje is de aankomst een ware triomf. Het is vier uur. Als uit één mond donderen spontane kreten op ter begroeting van de aankomst, in het station, van de prinselijke wagen. Uitstekend geplaatst en omringd door talrijke troepen, wachten de Belgische vorsten hun bezoekers op. Achter hen zijn de huizen zwart van het volk, tot op de daken. Er heerste een onbeschrijfelijke vreugde, vertelt een correspondent van “Débats”, de vreugde van twee broers die elkaar omhelzen ; maar hier zijn de twee broers twee volkeren...

Wegens het recente overlijden van de grootmaarschalk van het Hof, ontving koning Leopold op het Paleis slechts de prinsen. Maar de stad Brussel had meer dan driehonderd personen uitgenodigd op het diner in de Grote Concertzaal. Het feestmaal in de Grote Concertzaal werd door de genodigden erg op prijs gesteld, zowel om wat er opgediend werd als om de sfeer van vriendschap die er heerste. België, het vaderland van de goede eetlust, en van de goede wijnkelders, verwierf eens te meer de erkentelijkheid van de Fransen. Bij het nagerecht, waarop de Prinsen ontbraken, voerden de staatslieden het woord. Zij maakten er dankbaar gebruik van. Dumon namens de regering, Dupin als ouderdomsdeken van het parlement, dronken op de vereniging van beide naties. De zaken namen een slechte keer toen, onverwacht, Rogier een heildronk uitbracht op Odilon Barrot, zijn lotgenoot in de oppositie te Parijs, en de welbespraakte redenaar, op zijn beurt, een toast uitbracht op de vooruitgang van de grondwettelijke vrijheid in de twee landen. De officiële personen, die door het opdagen van de binnenlandse politiek te midden van de Frans-Belgische ontboezemingen erg in verlegenheid waren gebracht, oordeelden het gepast de zaal onverwijld te verlaten. Het groot bal, georganiseerd door het beheer der Belgische Spoorwegen in de hal van het Noordstation, kon de door dit incident verwekte indruk niet volledig uitwissen. Iedereen oordeelde nochtans dat het schitterend geslaagd was. Stel u even de “place de la Concorde” voor, overdekt met een elegante luchtige constructie, al de tulpen van Holland, alle spiegels van Venetië en meer dan tienduizend personen die in dit schitterend verlicht paleis wandelen, schreef de “Quotidienne”. De “National” deed er nog een schepje bij : Nooit hebben wij een dergelijk schouwspel gezien... Wij hebben reeds mooie feesten bijgewoond ; in onze dromen zagen wij er reusachtige ; maar wij hebben nooit iets gezien of gedroomd dat, inzake grootsheid, pracht en smaak, kon worden vergeleken met het feest waarvan de Belgische regering gisteren de leidster en de gastvrouw was. De Belgisehe meisjes walsten slecht, omdat, zo verklaarde de “Constitutionel” de dans in België nog in zijn kinderschoenen staat. Maar de muziek was heerlijk en het buffet rijkelijk voorzien van lekkere gerechten, om een heel klooster nonnen in verrukking te brengen. Ten slotte, schreef zelfs de vrome krant “France” dat de verrassing en de bewondering op alle gezichten te lezen stond.

Aan alles komt een einde. Om twee uur ’s morgens vatte een konvooi de terugweg naar Frankrijk aan. Om acht uur volgden de prinsen. De terugrit langs Bergen en Valenciennes was nogal vervelend, omwille van de warmte en de vermoeidheid en ook omdat de Belgische treinen toch zo traag reden. De Belgen, schreef de correspondent van de “Constitutionel” op spottende wijze, zijn van nature kalm en bezadigd. Ik vermoed, daarenboven, dat zij de indruk willen wekken dat hun land uitgestrekter is dan het in werkelijkheid is...

Hoe dan ook, alle reizigers keerden opgetogen terug van hun tocht door België, die zonder ongeval en zonder vertraging verliep. Zelfs de vermoeidheid werd een genoegen, schreef Jules Janin op galante wijze. Prins de Ligne ontving van alle zijden dankbetuigingen en lofwoorden voor het hartelijk onthaal dat de Belgen hun genodigden hadden gereserveerd. Na zijn aankomst te Parijs stuurde hij onmiddellijk volgend bericht : België is aanzienlijk in de achting van Frankrijk gestegen, zowel door de internationale gebeurtenis die tot deze manifestatie aanleiding gaf, als door de manier waarop het aan zijn buren wist te bewijzen dat indien het de stuwkracht geven kan aan de denkbeelden van het industrieel en commercieel vernuft, het eveneens, dank zij de vooruitstrevendheid van zijn bevolking, als een voorbeeld van verfijndheid, grootmoedigheid en gastvrijheid mag worden gesteld.

Zoals de “Constitutionel” de 14e blokletterde, was de plechtige opening van de lijn van het Noorden niet enkel de topgebeurtenis uit de geschiedenis van de Franse spoorwegen, doch tevens een politieke gebeurtenis van uitzonderlijk belang : twee zusternaties reikten elkaar de hand en leerden elkaar beter kennen. Het is vooral vandaag dat het oude Koninkrijk der Nederlanden heeft opgehouden te bestaan, verkondigde Louis de Carné in de “Revue des Deux-Mondes”. L’ “Époque” sprak zelfs van de “vreedzame verovering van de Rijn”, en voegde er aan toe dat de spoorweg van het Noorden Frankrijk en België nauw met elkaar verbond. Meer nog dan anderen, maakten de voorstanders der tolunie gebruik van dit buitenkansje om hun geliefkoosd plan, het zo dikwijls beoogde en na tien jaar onderhandelingen nog steeds gemiste doel, opnieuw ter sprake te brengen : Wij hebben lang over de kwestie van de tolunie gediscussieerd, schreef de economist Wolowsky in de “Siècle” van Rijsel : de twee ijzeren stangen waarover de locomotief vooruitschiet en in haar zog duizenden reizigers en rijke ladingen goederen meevoert, zullen haar spoedig van de baan helpen.

De Franse reizigers hadden de tijd gevonden om vluchtig de hoofdstad te bezoeken. Sommigen onder hen, die met de nachttrein uit Rijsel waren vertrokken, waren verder doorgereisd tot Antwerpen alvorens op het feestmaal te Brussel aan te zitten. Dat zijn zo van die grillen welke men zich mag permitteren in een land dat in alle richtingen door spoorwegen doorkruist wordt, merkte de “Constitutionel” op...


Bron : Het Spoor, juli 1963.

Fragmenten uit een artikel dat, in het begin van dit jaar, verscheen in “Les Cahiers historiques”.