Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Personeel > Wat de cybernetica niet vermag

Wat de cybernetica niet vermag

lundi 21 janvier 2013, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

Ons optimisme in verband met de toekomst steunt voornamelijk op de toepassing van het automatisme, en de cybernetica bij de spoorweg...

In Groot-Brittannië

De spoorwegen zijn zich daarvan trouwens volkomen bewust, vermits ze in 1963 een eerste internationaal symposium over het gebruik van de cybernetica hebben georganiseerd en er in oktober een tweede bijeenkomst van die aard te Montreal plaats gehad heeft. Al de netten zonder uitzondering hebben hun vertrouwen gesteld in de toepassing van de cybernetica en zulks zowel in landen met een geleide economie als met een vrije economie.

In Nederland

Er is overigens geen enkele belangrijke sector van de spoorwegbedrijvigheid die zich in de toekomst aan het gebruik van de cybernetica zal kunnen onttrekken : dit geldt voor de regeling van het treinverkeer, de verdeling van het materieel, het beheer van de voorraden, de plaatsbespreking, de tarifering, enz. De cybernetica doet zich overal als een machtsfactor voor, maar ze biedt vooral de mogelijkheid de exploitatievoorwaarden te versoepelen. We denken in de eerste plaats aan de versnelde omloop van de wagens, het verkeer van de treinen dank zij de verbetering van de seininrichting en vooral aan de tarifering. Het “Cybernetisch” tarief wordt immers het resultaat van een proces waarin de ordinator het tarief volgens de kostprijs van de verrichting zal berekenen.

In Duitsland

Zonder een toenemende internationale samenwerking zouden al die toekomstplannen niet kunnen worden uitgevoerd. Zulks is trouwens logisch, als men bedenkt dat de netten van de verschillende landen elkaar onvermijdelijk moeten aanvullen en het zeldzame voorrecht hebben geen concurrenten te zijn. Hun grote kracht schuilt immers daarin dat ze samen iets kunnen opbouwen en zonder bijbedoelingen werken aan een gemeenschappelijke toekomst...

In Zweden

Het is wellicht overbodig er aan toe te voegen dat de onmisbare samenwerking onder de netten moet steunen op de wederkerige sympathie van hen die er de verantwoordelijkheid voor dragen. Ze is een van de zeldzame gevallen waarin de cybernetica machteloos is en waarin de ordinator nooit iets tot de vooruitgang van de mensheid zal kunnen bijdragen, maar we zijn ervan overtuigd dat die sympathie nu reeds een deel is van het internationaal patrimonium van de spoorwegen en dat de U.l.C. in dat opzicht een van haar voornaamste taken moet voortzetten, namelijk de vriendschapsbanden onder al de spoormannen van de hele wereld verstevigen.

Louis ARMAND.

Arbeid die overdreven gemechaniseerd en geautomatiseerd is, verliest uiteindelijk al zijn aantrekkingskracht. De industrie-arbeider kwijt zich van zijn taak omdat ze in zijn levensonderhoud voorziet, maar de taak op zichzelf laat hem vaak onverschillig. Eenmaal zijn dagtaak ten einde, wil hij zijn machine en zijn werkplaats zo vlug mogelijk vergeten. Talrijke auteurs hebben gewezen op de gevaren welke deze absurde relatie voor de maatschappij inhoudt.

In Finland

... Ik weet wel dat, in onze moderne industriële maatschappij, de burgers die in hun hoedanigheid van arbeider gefrustreerd worden, compensaties vinden buiten hun werk. Vrijetijd, vakantie, auto, huiselijkheid, bieden het individu genoegens die het hoe langer hoe minder aan zijn arbeid beleeft. Hierdoor geïnspireerd tracht men de arbeiders, nu ze geen belangstelling meer kunnen voelen voor hun individuele taak, door allerlei middelen te interesseren voor hun onderneming ; ondernemingsraden, sociale werken, aandeel in de winst, enz., streven een dergelijk doel na. Het lijkt mij dat geen van die middelen een uitkomst bieden kan voor de grote onvoldaanheid, het gevoel van eigen onbeduidendheid die heel wat arbeiders, bedienden, ambtenaars, vooral onder de jongeren, op onze dagen ervaren.

In Frankrijk

Inzake organisatie mag de inspanning dan ook niet uitsluitend gericht zijn op het beste rendement zonder meer, maar op het beste rendement dat de vrucht is van methoden die de belangstelling van de arbeiders voor hun taak niet verwaarlozen. Voortaan zullen de organisatoren van een onderneming er in de eerste plaats voor zorgen dat de arbeiders tevreden zijn over hun taak en zullen ze verder nooit uit ’t oog verliezen dat die arbeiders, bij het volbrengen van industriële taken, ook menselijke wezens zijn. Zulks wordt hoe langer hoe meer erkend. Daaruit volgt echter dat de inspanning inzake organisatie niet hoofdzakelijk moet betrekking hebben op het milderen van de nadelige gevolgen die de arbeiders ondervinden wanneer hun taak haar aantrekkingskracht verliest, maar wel op de middelen waarmee men die taak haar aantrekkingskracht, haar belang kan terugschenken. Dit lijkt mij des te noodzakelijker daar, om het met de woorden van Simone Weil te zeggen “de walging, de moeheid, de afkeer”, de grote verzoeking blijven van hen die in onmenselijke omstandigheden werken. Welnu, wanneer de taak van een arbeider zodanig versnipperd of gemechaniseerd is dat ze hem niet meer boeit en haar eigenlijke betekenis volledig verliest, is zijn toestand als producent niet meer menselijk.

In Italië

Betekent zulks dat het probleem onoplosbaar is ? Geenszins, aangezien de organisatie bij machte is elk produktie-probleem op te lossen. William H. Whyte jr., een Amerikaans auteur, die over dit onderwerp een opzienbarend boek gepubliceerd heeft, poneert enkele gedachten die nuttig kunnen zijn voor organisatoren die met dat probleem geconfronteerd worden. Ze draaien alle rond de centrale gedachte dat het individu, meer nog dan de maatschappij, soeverein is, en dat de inspanning inzake organisatie moet instaan voor zijn ontplooiing en zijn dynamisme. In die richting moet de organisatie van de menselijke betrekkingen georiënteerd worden. De mogelijkheid om de arbeider een minder fragmentarische, minder versnipperde, maar globaler taak te geven, zal dus steeds bestudeerd worden in het besef dat hij een mens is, een individu.

J. RENS.

De ondervinding die iemand beroepshalve opdoet, begunstigt wellicht zijn bezoldiging of zijn loon, zijn bevordering of zijn faam, maar kan ook een ontwikkeling en een verrijking van zijn menszijn betekenen.

Paul VALERY.


Bron : Het Spoor, n° 141, mei 1968