Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Buitenland > ‘n retourtje voor de duivelsbrug

‘n retourtje voor de duivelsbrug

Phil Dambly.

lundi 18 février 2013, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

Owain Glyndwr, een middeleeuwse prins, wiens wapenfeiten de geschiedenis en de folklore van Wales hebben getekend, schonk zijn naam aan een van de locomotieven van de Vale of Rheidol Railway, de spoorweg van het Rheidol-dal, de laatste lijn van de British Railways die nog volkomen met stoomtractie wordt geëxploiteerd en gelegen is in het graafschap Cardigan, in Wales.

Deze lijn heeft een spoorbreedte van 0,600 m, is ongeveer 20 km lang en werd op 5 november 1902 voor het verkeer opengesteld. Ze was hoofdzakelijk bestemd om het lood en tin dat ontgonnen werd in de mijnen van het Devil’s Bridge district, te vervoeren naar de haven van Aberystwyth, de hoofdplaats van het graafschap. In de andere richting brachten de treinen van de VoR steenkool, kalk en meststoffen mee. Het reizigersvervoer was toen van bijkomstig belang, maar weldra zouden de rollen worden omgekeerd, vermits, enerzijds, de mijnen hoe langer hoe minder renderend bleken en, anderzijds, het toerisme al een zekere bloei begon te kennen. In 1912 was het verkeer zelfs zo druk dat men bij een naburig net, de Festiniog Railway, een locomotief diende te lenen.

Het jaar daarop werd de lijn overgenomen door de Cambrian Railways, een maatschappij die op haar beurt, naar aanleiding van de hergroeperingen van 1923, door de Great Western Railway werd opgeslorpt. Op het einde van de twintiger jaren begon ook het reizigersverkeer terug te lopen, als gevolg van het toenemende aantal auto’s (toen al !). Vanaf 1931 werd de lijn dan ook nog slechts tijdens de zomermaanden geëxploiteerd. En daarmee begonnen pas de moeilijkheden. Toen kwam de tweede wereldoorlog, tijdens welke de lijn van september 1939 tot de zomer van 1945 volledig voor het verkeer gesloten werd.

In 1947 nationaliseerde Groot-Brittannië de spoorwegmaatschappijen en ging de VoR over naar de British Railways die ze in 1954 afschaften.

Maar onder het impuls van verenigingen van vrienden van het spoor, hierbij gesteund door het grote publiek, werd de lijn weldra opnieuw voor ’t verkeer opengesteld. In 1968 werd haar vertrekpunt verplaatst naar het station Aberystwyth, waar de verouderde VoR-treintjes en de moderne stellen van de BR goede maatjes zijn. Tegenwoordig trekt de VoR een groeiend aantal bezoekers aan. De lijn wordt gebruikt van 8 april tot 6 oktober, en wie een zitplaats in het treintje wil, moet zich ten minste twintig minuten voor ’t vertrek aan het loket aanmelden. Elke trein is samengesteld uit een locomotief en vijf rijtuigen en kan ten hoogste 200 reizigers vervoeren. Tussen de startplaats en het eindpunt ligt er een hoogteverschil van 207 m.

In de oude rijtuigen hangt de sfeer van de vroegere reizen : houten zitbanken, lederen riemen om de ruiten vast te hechten, ritme van de assen op de talrijke voegen, fluittonen en stofjes uit de locomotief, die gewis je oog als doelwit zullen uitkiezen als je even uit het raampje hangt om de braambessen van naderbij te bewonderen. Over twee kilometer rijdt het treintje naast de BR-lijn Aberystwyth - Shrewsbury, een afstand die de locomotief benut om haar snelheid tot 30 km/u. op te voeren. Het lijntje van de VoR zwenkt dan naar rechts en volgt stroomopwaarts de Rheidol, terwijl de machinist blijkbaar louter voor de pret, herhaalde malen de stoomfluit laat gillen. Na acht kilometer volgt de eerste halte : Capel Bangor, hoogte 27 m.

Het dal wordt nu nauwer en het treintje krijgt de eerste fatsoenlijke hellingen te verwerken. Het tempo van de zuigerslagen vertraagt en het dappere locomotiefje verdwijnt in een stoomwolk, terwijl het letterlijk stofjes regent (’n herinnering aan onze goeie ouwe stoomtrammetjes). Tijdens de tien volgende kilometer klampt de lijn zich vast aan de flank van het steeds smaller wordende dal en dringt ze een dichtbegroeid woud binnen waar de bomen in stoom worden gehuld. En hier hebben we dan de halte Aberffrwd (wel bekome het je !), waar de locomotief haar dorst lest. Sedert het vertrek heeft ze al een halve ton kolen verorberd...

De trein vertrekt opnieuw en verlaat weldra het woud. Als we 179 m hoog geklommen zijn, ontdekken we een honderdtal meter lager de Rheidol die zich als een dun blauw lint door het landschap slingert. In het dal bemerk je ook de Stag, een slakkenhoop van een voormalige loodmijn, waarin je met veel verbeelding de silhouet van een hert kunt ontdekken. Stilstand te Rheidol Falls, ’n halte die haar naam dankt aan watervallen welke van de tegenovergestelde bergflank van het dal naar beneden storten. Hier begint het heuvelachtigste traject van de lijn waar de bochten zo scherp zijn dat de reizigers zonder moeite kunnen zien hoe de locomotief haar weg naar de top besnuffelt. Voorbij de halte Rhiwfron herinneren de steile, met dennen begroeide glooiingen aan een Alpenlandschap. De trein verdwijnt in een uitgraving en, uiteindelijk, bijna bullen adem maar triomfantelijk, bereikt de locomotief het station Devil’s Bridge, de Duivelsbrug ! Precies één uur na het vertrek.

Uitstappen a.u.b., terugkeer over vijfenveertig minuten. Net de tijd om, langs de toeristische paden, te genieten van het schouwspel van de watervallen, 40 m onder de drie bogen van de duivelsbrug, van de ravijnen en, in de verte, van de 740 m hoge Plinlimonberg waar de Rheidol, de Wye en de Severn onspringen. Ondertussen zullen de machinist en de stoker, zoals dat nauwgezette spoormannen past, hun machine controleren en ze misschien met nog meer zorg oppoetsen als een van de krachtige “diesels” van de BR die ze eveneens besturen.

De driee locomotieven van het net zijn van net type 2-6-2 en nagenoeg identiek. Het gaat hier om tenderlocomotieven waarvan de waterreservoirs de hele lengte van de stoomketel beslaan. De machines nr. 7, “Owain Gleyndwr”, en nr. 8, “Llywelyn”, werden in 1923 gebouwd in de werkplaatsen van de Great Western RIy te Swindon. Machine nr. 9, “Prince of Wales”, de enige overlevende van het eerste park, zag het levenslicht te Stafford in 1902 en werd te Swindon herbouwd in 1923.

De zestien rijtuigen, waaronder drie open aanhangrijtuigen, zijn allemaal tweeassige voertuigen. Elf ervan dagtekenen van 1938, de andere zijn nog tijdgenoten van de “Belle Époque”. Al het mateneel is in “spoorblauw” geschilderd en draagt het kenteken van de BR, terwijl de namen van de locomotieven, in hun koperen letters, mooi afsteken tegen de scharlakenkleurige achtergrond.

De VoR kan je per spoor bereiken via de lijn Londen - Paddington - Birmingham - Shrewsbury (intercitytreinen), en vervolgens de lijn Shrewsbury - Aberystwyth. Per auto neem je de A 40 van Londen naar Oxford, dan de A 34 tot Chipping Norton, ten slotte de A 4. In Wales zijn er acht toeristische netten. Sedert 1970 heten ze “Great Little trains of Wales”, of belangrijke kleine treinen van Wales. Benevens de Vale of Rheidol Rly en de Snowdon Mountain RIy (zie ons juni-nummer), zijn er ook nog de Festiniog RIy, de Llanberis Lake RIy, de Bala Lake RIy, de Fairboume RIy, de Welshpool Llanfair RIy en de TalyllyneRly.


Bron : Het Spoor, juli 1975