Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Buitenland > Per spoor naar het land der vikings

Per spoor naar het land der vikings

Luc Meert.

lundi 4 mars 2013, par rixke

De trein van Kopenhagen naar Oslo kan men moeilijk anders bestempelen dan de “rugzakkentrein”. Tijdens de zomermaanden val je er inderdaad over de rugzakken in de gangen.

Gelukkig zijn de Skandinavische treinen erop voorzien, ze bieden meer bagageruimte dan de onze. Met onze eigen rugzakken en wandelschoenen vallen we dan ook met op, wanneer we in deze trein stappen op weg naar het land der Vikings.

 Spoorgenot

Noorwegen mag dan een zeemogendheid zijn, het land beschikt over prachtige spoorlijnen, Zo volgt de Oslo - Bergenlijn eerst de liefelijke beboste dalen van Zuid-Noorwegen en klimt daarna over de Hardangervidda, een ruige boomloze hoogvlakte. Hier bereikt de lijn haar hoogste punt : een goede 1 200 meter. De trein spoort er langs een bevroren meer. Ook ’s winters is de spoorlijn in dienst, dit merkt men aan de houten sneeuwschuttingen langs het spoor.

Vanuit de stationnetjes op de Hardangervidda kan men meerdaagse voettochten ondernemen over de hoogvlakte. Men moet dan kamperen of overnachten in een van de weinige toeristenhutten, want de vidda is vrijwel onbewoond. De spoorlijn is trouwens een van de weinige toegangsmogelijkheden tot het gebied. Doch onze bestemming ligt verder. Na een tijd begint de trein langzaam te dalen en bereiken we het station van Myrdal, waar we overstappen op het treintje naar Flåm. Dit korte traject, waarbij de trein van 867 meter hoogte afdaalt naar zeeniveau, behoort tot de mooiste ter wereld. Het treintje kronkelt zich langs en door de bergwand. Na elke bocht, na elke tunnel wacht je een nieuw uitzicht op glinsterende sneeuwtoppen en schuimende watervallen. Je aandacht wordt wel enigszins afgeleid door de in de trein over en weer rennende, met dure camera’s gewapende Amerikanen, maar het blijft de moeite waard. Het eindpunt Flåm ligt aan de Aurlandsfjord, een zijfjord van de Sognefjord.

Waterval langs de lijn Myrdal - Flåm

Wie vanuit Flåm verder wil reizen naar het westen of het noorden moet de boot nemen. Dit afwisselend reizen over land per trein, bus of auto en over zee is in Noorwegen heel gewoon.

Nergens zijn de verkeersmogelijkheden zo sterk beïnvloed door het reliëf als in Noorwegen. Tijdens de ijstijden - meer dan 10 000 jaar geleden - was heel Skandinavië bedekt met een 2 tot 4 kilometer dikke ijslaag. De gletsjers schuurden U-vormige dalen uit. Toen de ijskap begon te smelten, steeg het zeeniveau met het gevolg dat de U-dalen aan de kust overstroomden : zo ontstonden de fjorden.

De hoge bergen in het binnenland bemoeilijken de aanleg van spoorlijnen en wegen, maar in het fjordengebied zijn de verkeersproblemen nog groter. Deze diep in het land dringende zeearmen overbruggen is onbegonnen werk : de oevers zijn te hoog en te steil en het water is te diep. De Sognefjord bijvoorbeeld is op sommige plaatsen meer dan 1 000 meter diep ; vergelijk dat maar eens met de 50 meter van onze Noordzee ! Om aan de overkant te geraken moet je of de veerboot nemen of een ommetje maken van vele honderden kilometers !

Het stationnetje van Myrdal

Wie in Noorwegen wil reisen, moet dus veel tijd hebben. Met de wagen gaat het niet snel langs de smalle bergwegen en je dient dikwijls te wachten aan de veerponten. De frekwenties van de boot-, trein- en busverbindingen liggen bovendien erg laag in dit dunbevolkte land. Gelukkig is de dienstverlening in de treinen en op de boten behoorlijk : je kunt tijdens de reis maaltijden gebruiken en er wordt regelmatig drank geserveerd.

 Water en bergen

In Flåm slaan we een eerste maal onze tent op. Het zachte zomerweer en het uitblijven van de nacht - ’s zomers wordt het er nooit echt donker - zorgen ervoor dat we het vlug te warm krijgen in onze slaapzakken ! De volgende dag bereiken we Aurland na een mooie ochtendwandeling langs de fjord. Onvergetelijk is de boottocht van Aurland naar Gudvangen door de smalle Nerøyfjord, een andere zijtak van de Sogne. Hier rijzen de bergen meer dan 1 700 meter uit de zee.

Honderden watervalletjes storten zich vanaf de eeuwige sneeuw door de berkenbossen tot in het zeewater. Hier en daar ontdekt men nietige dorpjes, genesteld in de zonnige inhammen van de fjord. De mensen leven er hoofdzakelijk van land- en bosbouw en veeteelt. In het fjordengebied fokt men berggeiten. Op zonnige plaatsen is er fruitteelt. In de lente, wanneer de duizenden fruitbomen in bloei staan, zijn de fjorden het mooist. Spijtig genoeg zijn we te laat op het seizoen om die pracht nog te kunnen bewonderen.

Ochtendstemming in Flåm

In Gudvangen kamperen we tussen hoge bergen en slapen in met op de achtergrond het geruis van de “bruidssluier”, een prachtige waterval. Het dal en de fjord zijn hier zo nauw dat het er ’s winters wekenlang volledig donker blijft. Een boottrip van Gudvangen naar Kaupanger brengt ons tot in de hoofdarm van de Sognefjord, die breder en daardoor minder indrukwekkend is.

 Eenzaam land

Een heel andere aanblik dan de fjorden biedt Jotunheimen, Noorwegens hoogste bergland. De bus van Sogndal naar Otta voert je landinwaarts naar de enorme gletsjers, scherpe pieken en bevroren meren van deze verlaten streek. Zo’n busreis neemt nogal wat tijd, want de busbestuurder levert eveneens de post en de melk in de dorpen vóór en achter de bergen ! ’s Middags wordt er gestopt aan een berghotel, waar de reizigers een middagmaal kunnen nemen. De bestuurder heeft blijkbaar geen haast : hij laat ons af en toe uitstappen om foto’s te nemen. We hebben echter geen geluk want de hemel overtrekt en wat later valt er een koude, striemende regen.

Op enkele hutten en berghotels na is het gebied onbewoond. Ook het dichtbeboste dal achter de bergen is weinig bevolkt. Onze hotelbaas vertelt ons dat de enige verkeersweg door Jotunheimen ’s winters onder een twee meter dikke sneeuwlaag bedolven ligt, De busverbinding, het enige contact met de buitenwereld, is dan verbroken. Het kwik zakt beneden de min dertig en een groot deel van de bewoners trekt naar het zuiden om te overwinteren. De eenzaamheid van de Noorse bergen ervaren we goed tijdens een voettocht naar een gletsjer ; we ontmoeten er de hele dag geen levende ziel.

We besluiten onze reis met een bezoek aan het nationale park Rondane. In dit bergachtig natuurgebied ten noordoosten van Jotunheimen leven rendieren, elanden en vele soorten vogels. Het park is slechts te voet toegankelijk. Men mag er vrij kamperen of men kan er overnachten in een van de hutten.

Noren zijn natuurmensen. Zelfs bij slecht weer trekken ze de bergen in, families met kinderen en mensen van de “derde leeftijd” zowel als jongeren. Ze liggen te zonnen bij temperaturen waarbij wij nog een warme pull dragen. We komen zelfs een eenarmige man met een rugzak tegen, en een echtpaar met hun hond, alle drie “gerugzakt” ! In Rondane overvalt ons het slechte weer. Toch hebben we op de terugweg naar Oslo slechts één wens : ooit terugkeren naar dit prachtige land met zijn vriendelijke mensen.