Accueil > Het Spoor > Spoorwegtoerisme omstreeks de jaren 1900

Spoorwegtoerisme omstreeks de jaren 1900

P. Vankeer.

mercredi 10 septembre 2008, par rixke

Ons tijdperk maakt er aanspraak op de cultuur van de vrijetijdsbesteding boven de doopvont te houden... Wij beleven een diepgaande ommekeer in de geschiedenis van de feiten en ideeën, een ommekeer die in het rijtje komt te staan naast al die andere welke de geschiedenis heeft kunnen observeren sedert de grote scheiding van de 15e eeuw, die het tijdvak der Middeleeuwen afgesloten en dat van de Renaissance ingeluid heeft.

En één van de vrijetijdsbestedingen waartoe de mens zich hel meest aangetrokken voelt, is reizen. Historisch gesproken, mag men terecht beweren dat de gewoonte van het reizen ontstaan is met de uitvinding van de spoorwegen. Tot dan toe waren de vervoerwijzen kostbaar, traag en weinig comfortabel. De meeste mensen leefden en stierven zonder dat ze veel verder geweest waren dan de horizon van hun geboortedorp. De spoorweg zou in die toestand verandering brengen. Men zou hoe langer hoe meer gaan reizen voor zijn werk of gewoon uit nieuwsgierigheid. Een sprekend voorbeeld van die nieuwe geestesgesteldheid is wel Phileas Fogg die, louter en alleen om een weddenschap, zo maar beslist een reis om de wereld te maken. Natuurlijk gaat het hier om een personage uit een roman, maar de personages van Jules Verne zijn zeer representatief voor hun tijd.

JPEG - 133.9 ko
Quévy

Op het einde van de 19e eeuw is de spoorweg bij uitstek het vervoermiddel te land. Daarvan kunnen wij ons rekenschap geven bij het lezen van een oud, maar boeiend boek : « Le Voyageur en Belgique » uitgegeven te Brussel in 1895 door Lebègue, en geschreven door een onbekende auteur (« door een toerist »).

De « toerist » die dit verhaal schrijft en ons met zich meeneemt, arriveert vanzelfsprekend per trein aan de Belgische grens. Quévy ! « Zoals in alle douaneposten, dienen enkel die reizigers af te stappen welke ingeschreven bagage hebben, de andere mogen in de rijtuigen blijven zitten, waar de douanebeambten de kleine bagage komen controleren ».

Spoedig is de trein opnieuw vertrokken en rijdt hij door België waarvan de welvaart door onze reisgids geprezen wordt. In diezelfde gids staat bovendien te lezen dat : « een der oorzaken van die welvaart te danken is aan de matige tarieven van zijn uitmuntend spoorwegnet, die je bijv. voor messtoffen en sommige grondstoffen nauwelijks een prijs kunt noemen. En toch zijn de Belgische spoorwegen een zodanige bron van inkomsten dat ze de administratie in staat stellen de levensvoorwaarden van het personeel te verbeteren en tegelijk de staatskas te spijzen. Weliswaar, en dat is een uniek feit in de parlementaire landen, heeft de eminente administrateur die reeds twaalf jaar aan hun hoofd staat, van dit vaderlandslievende werk zijn levenstaak gemaakt ».

Na deze lofzang aan ons net en zijn leiders, zijn we te Brussel aangekomen dat, volgens de auteur althans, « voor de wereld van de intellectuelen een ware filiaal van Parijs geworden is ! ». De hoofdstad telt op dat ogenblik 200 000 inwoners, 500 000 met de gemeenten van de agglomeratie.

Maar de intellectuele en materiële vooruitgang betekenden geenszins het einde van de folklore en de uitingen van het volksleven. Men moet « Brussel zien op een kermisdag, ofschoon die vroegere vrolijkheid er van lieverlee heel wat van haar uitbundigheid bij ingeschoten heeft ».

Aan verkeersmiddelen - omnibussen, paardentrams - is er beslist geen gebrek en men kondigt zelfs aan dat de « tramlijn van de impasse (nabij het Park) naar Etterbeek met ondergrondse elektrische tractie zou worden uitgerust ! ».

Terwijl de talloze Engelsen naar Waterloo op bedevaart trekken per « mail-coaches », een soort grote diligences, neemt men daarentegen de stoomtram, die om het kwartier uit Elsene vertrekt, om in de uitspanningen van Bosvoorde een glaasje lambiek te gaan drinken. In die tijd ligt Bosvoorde aan het andere eind van de wereld en aan de rand van het Zoniënwoud, dat toen al menige Brusselaar aanlokte. Die reisgids vermeldt overigens heel wat treinen (die, vooral in de zomerperiode, zondags rijden), met stilstanden te Bosvoorde, Groenendaal en, tussen beide, een kleine halte « Zoniënwoud » (die thans niet meer bestaat).

Rondom Brussel zijn « Schaarbeek, Jette, Evere, Laken en Vleurgat de moestuin van de agglomeratie. De grond, die er drassig is, maar vrij vruchtbaar dank zij een intense cultuur en een overvloedige bemesting, verkeert in bestendige barensnood om de stedelingen karrevrachten gezonde en stevige voeding te bezorgen. Dat is het koninkrijk van de groenten, van het vee... En naarmate je vordert, ontrollen de velden hun groene tapijten ». En de auteur, die ongetwijfeld Zola gelezen heeft, voegt eraan toe, « waar zonder verpozen het dierlijk vlees bereid wordt voor de vraatzucht van een op lekkere hapjes beluste hoofdstad ».

JPEG - 134 ko
Brussel-Zuid

 Antwerpen

Van Brussel rijden we, op uitnodiging en in gezelschap van onze gids, naar Antwerpen. Nauwelijks een boogscheut, verduidelijkt onze man. Er werkelijk, de lijn 25 is reeds een van de drukste van heel het net : meer dan 15 doorgaande treinen per dag, waarvan er een het traject aflegt in de recordtijd van 47 minuten. Net een bolide ! Een meldenswaardig detail ; het hoofdstation, dat ongeveer gelegen was op de plaats waar zich nu de Zoo bevindt, heet Antwerpen-Oost ; het indrukwekkende Centraal-station, dat wel een Gothische kathedraal lijkt, zal slechts in 1905 voltooid zijn.

JPEG - 145.5 ko
Boitsfort

Na de activiteit van de haven en de kunstschatten van kerken en musea te hebben beschreven, licht onze gids, met een veelbetekenend knipoogje, eventjes de doopceel van de uitgangsmogelijkheden voor volwassenen in onze toenmalige metropool.

 De wekroep van de zee

Om goedkoop naar de kust te reizen, gaat er niets boven de pleziertreinen die tegen sterk verminderde prijzen kunnen worden gebruikt. Een reisje van Brussel naar Zee en terug, kost op een zondag in de zomer 4,40 fr. Voor een dergelijk bedrag zijn er allicht heel wat dagjesmensen te vinden die houden van « de duinen met hun wilde, melancholische schoonheid, waar je, urenlang, in een zee van heide en geurende bloemen, niets anders ontmoet dan ruwe vissers en ezels die hun magere ruggegraat krommen ». Maar buiten de eenzaamheid van de duinen, viert het mondaine leven hoogtij aan de kust, vooral te Oostende, waar, zegt onze gids, « de modepoppetjes viermaal per dag van kleren veranderen » en waar « vrolijke groepjes jonge vrouwen en meisjes in de schaduw van grote parasols horizontaal genieten van een zalig nietsdoen ! »

Bij onze tocht van Brussel naar de zee, hadden we, tot onze verrassing, de indruk dat we te Gent rechtsomkeer maakten. In die tijd was Gent-Zuid het voornaamste station van de Arteveldestad, een wendingsstation namelijk dat in de nabijheid van het stadscentrum gelegen was. Gent-Sint-Pieters was nog maar een klein doorgangsstation, bediend door enkele internationale treinen naar Oostende, die gehaast waren om er hun reizigers bijtijds op de pakketboot te laten overstappen.

JPEG - 153.3 ko
Oostende

 In het zuiden

De andere grote vermaardheid van België zijn de grotten van Han. Om ze te bereiken, neem je de trein tot Jemelle. Maar de auteur raadt je aan op je hoede te zijn, want « bepaalde makelaars stappen in de trein te Marloie en knopen, onder een of ander voorwendsel, een gesprek aan met de prooi die ze najagen. Te duchten gebroed dat je slechts moeizaam kwijt kunt ! Reizigers die het station Jemelle verlaten, worden, tijdens het reizen, aangeklampt door makelaars die hun, in opdracht van een hotel, de meest aanlokkelijke voorstellen doen, kosteloze rijtuigen tot aan de grotten, enz. ».

JPEG - 107.3 ko
Gent-Zuid

Ons boek bevat nog tal van schilderachtige en belangwekkende aantekeningen over de spoorweggeografie en de volksklassen. Met het goedvinden van de lezer nemen we er graag een paar uittreksels uit.

Ans : Tot voor enkele jaren konden de treinen slechts naar Luik-Guillemins afdalen en naar Ans opklimmen met behulp van een kabel ; thans worden daarvoor speciale remwagens gebruikt die te Ans aangekoppeld worden.

Station Courcelles-Motte : « tot voor kort bekend onder de naam Gosselies-Courcelles. Dit station bediende de stad Gosselies, 2,5 km verder, waarvan de inwoners ten tijde van het bouwen van de lijn voetstappen hadden aangewend opdat de spoorbaan van de stad verwijderd werd ! Je hoeft slechts een blik te werpen op de kaart van de spoorwegen van het Bekken van Charleroi om te zien hoe zeer de tijden veranderd zijn ».

JPEG - 89.6 ko
Courcelles-Motte

Inderdaad, de tijden waren veranderd, en ze zijn sedertdien nog heel wat meer veranderd. Maar met nieuwe middelen en in nieuwe omstandigheden, blijft de spoorweg een van de machtigste instrumenten van het nationaal en internationaal toerisme.

(Illustratie : verzameling P. Pastiels)