Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Buitenland > Met de trein door Mexico

Met de trein door Mexico

Jan Suykens.

lundi 13 mai 2013, par rixke

 De proloog

Indien men mij bij mijn indiensttreding had voorspeld, dat ik precies dertig jaar later dank zij de NMBS gratis door Mexico zou sporen, dan zou ik schamper en ongelovig de schouders hebben opgehaald en gevraagd of men mij hield voor iemand die nog in Sinterklaas geloofde.

En toch is die voorspelling op 1 juni 1979 uitgekomen.

Het begon allemaal in de zomer van 1954, in Zwitserland, boven op de Kleine Scheidegg, toen ik, samen met mijn vriend Sebastiaan en een Amerikaans echtpaar, wachtte op een treintje dat ons naar de Jungfrau Joch moest brengen.

Mr. en Mrs. Quinn, in leeftijd een behoorlijk stuk onze meerderen, kwamen uit Allendale, in de staat New Jersey. Blijkbaar vonden ze ons sympathiek, want ze nodigden ons zo uit voor een bezoek en beloofden stellig ons in Roeselare te komen opzoeken.

Zij hielden alvast hun belofte in 1958, toen ze naar Brussel kwamen ter gelegenheid van de wereldstentoonstelling. Ze hielden ze zelfs nog viermaal daarna, niet zonder ons steeds opnieuw met de zelfde vriendelijke aandrang uit te nodigen voor een tegenbezoek aan hun eigen Allendale.

Maar ja, in die jaren leek Amerika mij nog een wijde wereld die, na Columbus, alleen maar door rijke lui opnieuw kon worden ontdekt. Ik had dan ook niet de minste moeite om mijn eigen ontdekkingsdrang te beheersen... Tot de dag dat ik onze Amerikaanse vrienden bij een van hun bezoeken op de man afvroeg wat hen er toch wel toe aanzette telkens opnieuw naar ons provinciestadje te komen en zij heel spontaan antwoordden : “Just to see you again, just friendship” (Alleen maar om jullie weer te zien, alleen maar uit vriendschap). Op slag leken alle financiële moeilijkheden wél overkomelijk en smolten ook alle andere bezwaren als sneeuw voor de zon...

 Naar Chapala

Inderdaad, de reis zou niet naar het Allendale gaan van onze afspraak, maar naar Chapala, in Mexico, waar onze verre vrienden ondertussen van hun renten leefden.

De Sierra Madre, ergens tussen Chihuahua en Creel...

Indachtig de wetenschap dat een mens ook mag reizen om te leren, hadden wij ons uitvoerig gedocumenteerd. Zo waren wij bijv. te weten gekomen dat er tussen Chihuahua en Los Mochis, dwars door de westelijke Sierra Madre, een 900 kilometer lange spoorweg loopt over 2 400 m hoge bergtoppen en 39 bruggen, door 86 tunnels, waarop o.m. de stations Creel en Sufragio gelegen zijn, en dat een andere spoorlijn Nogales - in het Noorden op de grens met de USA - verbindt met Mexico City en Oaxaca in het zuiden. Wie ons op onze reis wil volgen, onthoude dat deze noord-zuidverbinding de lijn Chihuahua - Los Mochis kruist in Sufragio en onderweg o.m. Culiacan, Mazatlan en Guadalajara aandoet. Kortom, we konden rustig een stukje Mexico bereizen met de trein alvorens te belanden bij onze vrienden in Chapala dat op amper een halfuur autoreizen van Guadalajara ligt.

Op aanraden van onze radde spoorhostess Marie-Christine, die van precedenten wist, dienden wij in maart 1979 een aanvraag in om verkeersvoordelen waarmee we het land van de Indianen van Oost naar West en van Noord naar Zuid zouden kunnen doorkruisen.

Helaas, toen ik dinsdags vóór ons vertrek naar de biljetten informeerde, kon het bureau van de verkeersvoordelen me alleen maar het afschrift van zijn schrijven aan de Mexicaanse Spoorwegen toesturen... Nu konden een paar Mexicaanse vrijbiljetten onze reisplannen wel even in de war sturen, maar in geen geval nog in duigen laten vallen.

Op vrijdag 1 juni stapten mijn vriend Sebas en ik, vergezeld van onze respectieve echtgenoten, zonder biljetten, maar rijk aan documentatie, in het vliegtuig voor New York, onze eerste pleisterplaats op de weg naar Chapala.

 Mexicaanse charme

Hoewel wij, zoals al eerder gezegd, niet meer in Sinterklaas geloven, togen wij bij onze landing in New York toch met het bewuste afschrift naar het reisbureau van de Mexicaanse Staatsspoorwegen.

Een allervriendelijkste Miss Rodriguez begreep onmiddellijk waar we naartoe wilden. Onze tegenspoed, verklaarde ze deskundig, was te wijten aan het feit dat de Mexicaanse Spoorwegen uit verscheidene maatschappijen bestonden. Derhalve had “men” per maatschappij een afzonderlijk verzoekschrift moeten indienen. Maar... geen nood, ze zou het telefonisch voor mekaar brengen. De daad bij het woord voegende telefoneerde ze tweemaal naar Chihuahua, viermaal naar Mexico-City en tweemaal naar Guadalajara. Toen we anderhalfuur later haar ontzettend bedankend - no charge, no tips - haar kantoor verlieten, hadden we de stellige zekerheid dat “primera-classe”-vrijbiljetten voor de “vista-vision-trein” naar Los Mochis op ons lagen te wachten in Chihuahua, en dat die voor Guadalajara in Sufragio zouden liggen. Van onthaal en service gesproken !

Met die zalige gedachte en ons Spaanse huiswerkschrift vol “avondlessenzweet” dicht in ons bereik, vlogen we Pinksterdinsdag via Chicago en San Antonio naar El Passo, staken diezelfde avond de grens over naar Ciudad Juarez, waar we overnachtten, en landden ’s anderendaags op Chihuahua Airport.

 Een “heerlijk” intermezzo

Groot was evenwel onze ontnuchtering toen er in Chihuahua slechts drie van onze vier reiskoffers werden afgeladen, terwijl de vierde, waarin Sebas’ wederhelft hele garderobe zat, met het opstijgend vliegtuig naar Mexico City doorvloog.

Tuhuramara-Indiaan met zijn wandelende rijkdom...

We hadden ons Spaans blijkbaar zo goed geleerd dat de luchthavenbediende “detras de la mesa” (achter de lessenaar) een complete kennis van de taal veronderstelde. Uit zijn stortvloed van woorden konden wij helaas alleen maar “verontschuldigingen” en “telegrammen” afleiden.

Een gezette Mexicaan, Senor Bustamente, die toevallig een vriend uitgeleide deed naar Montreal, sprong ons ter hulp. Hij wist ons na zijn gesprek met de betrokken bediende te vertellen dat de kans groot was dat wij om 20 of 22 u. terug in het bezit zouden zijn van ons verloren voorwerp. Niettemin vond hij een dergelijke handelwijze onverantwoord vanwege de luchtvaartmaatschappij en eiste dat haar diensten de reiskoffer in ons hotel zouden afleveren. Bovendien was hij van oordeel dat zijn land ons onrecht had aangedaan. Daarom achtte hij het zijn plicht zich voor de rest van de dag over ons te ontfermen. Eerst en vooral bezorgde hij ons onderdak in een prachtig en toch niet duur hotel ; vervolgens toonde hij ons alle bezienswaardigheden van de stad ; daarna leidde hij ons rond in zijn fabriek ; verder ontving hij ons nog te zijnen huize ; ten slotte leerde hij en zijn senora ons in de bar van ons hotel het ritueel van tequila drinken. Dat laatste dan in afwachting dat de garderobe van Sebas’ wederhelft zou worden afgeleverd, wat om 22 u. 40 gebeurde. “Gracias Señor Y Señora Bustamente”. Die dag immers dat je een nieuwe vriend gemaakt hebt, is niet verloren, zei een Romeinse keizer eeuwen geleden al.

Diezelfde namiddag had Señor Bustamente ons ook naar het station van Chihuahua gebracht, waar onze vrijbiljetten dienden afgehaald te worden. Señor Pedro Gonzales Mejia, zo heette de transportchef, zou ze ons eerst de volgende dag, net vóór het vertrek van de trein, overhandigen. Wijs geworden door die kofferhistorie vroeg ik of men Sufragio soms niet wou opbellen om te vernemen of onze vrijbiljetten voor Guadalajara daar wel klaar lagen. En heus, de biljetten lagen er, maar ze waren opgemaakt voor... Nogales !

Wat die uiterst vriendelijke spoormannen toen in het werk gesteld hebben om die toestand recht te zetten, grenst aan het ongelooflijke. Hoeveel telefoongesprekken zij hiervoor gevoerd hebben, valt zelfs bij benadering niet te schatten.

De opluchting dat alles uiteindelijk toch in orde kwam, was er zeker voor een deel oorzaak aan dat wij die avond een tequila te veel gebruikten.

De volgende morgen stond Pedro Gonzalez Mejia ons op te wachten. Hij vond het een genoegen kennis te maken met Belgische spoormannen en ons daarbij nog gratis biljetten voor de “vista-vision-trein” te kunnen overhandigen. Bovendien wist hij ons te vertellen dat, ten gevolge van een misverstand, onze biljetten voor Guadalajara niet te Sufragio, maar wel te Los Mochis bij de stationschef te onzer beschikking zouden liggen. Hij wenste ons een goeie reis en... tot genoegen.

 Reizigers voor de Sierra Madre : instappen a.u.b.

Ik weet niet of Pedro er enig vermoeden van had dat het, in afwachting van dat voor hem toch wel vrij onzekere genoegen, het ondertussen alvast ons een genoegen was naar de Sierra Madre te kunnen sporen in een prachtige trein met airconditioning, panoramische vensters, verstelbare zetels, muziek à la mexicana, een restauratiewagen en, last but not least, een typisch Mexicaanse hostess.

Toen de klok precies 8 u. 20 aanwees, startten de twee imponerende diesellocomotieven voor ons Mexicaanse avontuur. Zou Sinterklaas dan toch bestaan ?

Een gedetailleerde folder informeerde ons nauwkeurig over de infrastructuur van het traject en over de typische kenmerken van de doorreisde streek. Bovendien mochten wij ons de hele reis door verheugen in de onmiddellijke nabijheid van de hostess wier bijzondere opdracht het blijkbaar was het ons naar de zin te maken.

Toen we in Creel, waar we een volle dag zouden verblijven, om 13 u. 35 uitstapten, was de reis ons qua natuurschoon eerder tegengevallen.

Behalve enkele steengrijze molshopen, kale vlakten, zwermen gieren die de krengen van langs het spoor liggende doodgereden ezels en koeien kwamen oppeuzelen, was er niets fascinerends te zien geweest. Tenzij je enkele uitgestrekte ranches met overbevolkte kralen graatmagere koeien en een eerste glimp van enkele eenzame Tarahumara-Indianen een bezienswaardigheid wil noemen. Desalniettemin hield de hostess staande dat de streek rond Creel adembenemend was, dat we aan het station het hotelbusje “Cupper Canyon Lodge” moesten nemen en dat we het tweede traject naar Los Mochis, dat we pas twee dagen later zouden afleggen, vast buitengewoon mooi zouden vinden.

We wilden haar graag geloven, te meer daar haar bewering bevestigd werd door een Amerikaanse globetrotter en onze folder opschepte met enkele indrukwekkende berggezichten. Maar hadden de makers van dit toeristisch vouwblaadje wel ooit onze Europese Pyreneeën en Alpen van dichtbij gezien ?

 Adembenemend

Terwijl we ons zo vermeiden in wat chauvinistische bespiegelingen, vielen onze dwalende blikken op het pronkerige opschrift van een gammel busje dat vlak naast de kaaimuur van het station geparkeerd stond : “Hotel Cupper Canyon Lodge” !

“Wat’s in a name ?”, zou Shakespeare zeggen. Maar onze lichte ontgoocheling werd meteen verdreven door de charme en de spirituele schalksheid van Otavio, onze gids, die ons met zijn vieren naar zijn vehikel loodste.

Over een hobbelige weg, die de “calle principale” bleek te zijn en alles deed rammelen wat aan het busje vast hoorde te zitten, bereikten we een vol uur later het hotel.

“Adembenemend” had de hostess de streek getypeerd. Nu, wat ons betreft, had ze beslist nog een superlatiefje meer mogen gebruiken, want het wijdse landschap, de ijle heldere lucht en de serene stilte waren een heuse revelatie.

En dat zullen ze ook wel geweest zijn voor de acht andere toeristen, waaronder twee Nederlanders, een Française en een Chinese, die in dit voorhistorische oord waren beland. ’s Avonds, bij het open haardvuur en in de schijn van petroleumlantaarns - elektriciteit was er niet - verklankte een echte Tarahumara zijn melancholie afwisselend op een bergfluit en een tweesnarig mondinstrument. Weemoedig, maar meeslepend klonk zijn klaagzang over zijn geboeide toehoorders.

Toen hij zijn verdiende “loon” had ingezameld, verdween hij diepbuigend in de donkere nacht. Ik had het gevoel dat hij voor altijd naar zijn eeuwige jachtvelden vertrok. ’s Anderendaags laadde Otavio ons gezelschap in datzelfde kreunende ding voor een 12 uur lange excursie naar« LaBuffa ».

Treinpech ! Dankzij de “draagbare” telefoonpaal kan de depaneerpost worden opgeroepen...

Het zou een onvergetelijke en onbeschrijflijke tocht worden, deels vanwege de angst die sommige onder ons doorstonden toen we ei zo na in een afgrond tuimelden, maar ook en vooral vanwege de verrukking die we ervoeren bij de aanblik van de tropische plantengroei en het beklemmende maar heerlijke gevoel dat ons op de bergtoppen overmeesterde. Een belevenis die iedereen stil en klein, maar terzelfder tijd ook blij maakte.

Op de terugweg hield de bus halt bij een schuur die een school bleek te zijn. We werden er begroet door wel 30 à 40 bedeesde, vriendelijke Indiaanse kinderen en door 2 even bedeesde en vriendelijke onderwijzers. Van de twee klasjes die de school rijk was, diende er dan nog een als opslagplaats voor het dagelijks rantsoen van de kinderen, dat van ’s maandags tot vrijdags onveranderlijk bestond uit bonen en maïs.

De vele Indianengezinnen die we ontmoetten en die ons hun koopwaar aanboden, geweven in doekjes en banden, waren allen even arm, schuchter en vriendelijk, maar blijkbaar ook allen even gelukkig.

 Nog een misverstand

De derde dag trokken we ’s middags opnieuw naar het stationnetje van Creel waar we, te midden van kroostrijke Indianengezinnen en hoofdzakelijk Amerikaanse toeristen, wachtten op de “vista-vision-trein” die ons door het beloofde fabelachtige landschap zou voeren.

Over duizelingwekkende hoogten, langs steile hellingen, over beklemmende diepten, kronkelend langs een en dezelfde bergflank, over kale toppen, door tropische dalen en donkere tunnels, over bruggen die wel een waagstuk leken, zocht de trein moeizaam maar secuur zijn “ijzeren” weg,

Een kwartiertje halt houden voor een kiekje van de Canyons.

Het hoeft niemand te verwonderen dat de bouwers van dit geniaal stuk spoorweg er negentig jaren over gedaan hebben, vooral met als je daarbij vaststelt dat deze kunstwerken qua durf en vernuft zeker niet hoeven onder te doen voor soortgelijke Zwitserse prestaties.

Eens voorbij Sufragio vervlakt het landschap naarmate je Los Mochis nadert, wat je als toerist kunt betreuren. Erger is evenwel dat, in dezelfde mate, heel wat pure Mexicaanse lucht dreigt vervuild te raken door een industrie die ongetwijfeld de wind in de zeilen heeft. Om 21 u. 50 liep een lome trein bestoft het station van Los Mochis binnen, waar wij - aangenaam verrast door het feit - opgewacht werden door de stationschef en zijn mooie Mexicaanse gade. Dit eerbetoon ging onze ijdelheid vrij vlug wat minder strelen toen hun gelaatsuitdrukking duidelijk verraadde dat er iets misgelopen was. “Neen, Señores, uw vrijbiljetten voor Guadalajara zijn niet hier, maar in Sufragio. Het spijt me ontzettend. Er moet ergens een misverstand geweest zijn”.

“Of er soms nog een trein of bus of dan toch een taxi terug was...”

“Helaas, Senores, maar maakt u zich vooral geen zorgen. Als u het niet erg vindt, roep ik een chauffeur van een “pick-up” (een kleine open vrachtwagen) die u wel zal terugvoeren”. Zou Sinterklaas...

 'n Overgetelijke nacht

Onze vrouwen installeerden zich vooraan in de cabine, terwijl Sebas en ik met de vier koffers in de laadbak terecht moesten. Een weinig comfortabel zitje, zo boven op een reserveband, maar alles wel beschouwd toch nog een meevallertje dachten Wij toen onze gastheer ons wat mistroostig de nacht in wuifde. Het werd een gestrekte rit, onder een koele sterrenhemel die ons met een licht heimwee vervulde.

Alsof zijn leven er van afhing, snorde onze gelegenheidschauffeur langs de machtige bomenrijen. Precies om 23 u. 15 stopte hij voor het stationsgebouw. Haastig buigend, vermoedelijk vanwege de fooi, verdween hij in de cabine van zijn auto, die met hem oploste in de nacht. Het station van Sufragio is modern van uitzicht maar vuil. Misschien kwam het door dit nachtelijk uur. Een schijnbaar voltallige Indianenstam lag blijkbaar zorgeloos te slapen op de marmeren vloer die godweetwanneer nog eens geschrobd werd. De toiletten verspreidden een verpestende urinewalm. Toen ik de deur dichtduwde, kon niemand er meer in noch uit. In het restaurant waren er meer vliegen dan mensen, wat ons alle lust ontnam om er iets eetbaars te gebruiken. Houten wanden vormden bureaus waar ondanks dit nachtelijke uur een betrekkelijke drukte heerste.

Station Creel badend in de Mexicaanse zon...

Een bonk van een onderchef aanhoorde ons verhaal, raadpleegde het telegramregister waarin onze namen in koeien van letters geboekt stonden, naast de toelating voor de vrijbiljetten voor de Pacific die er om 3 u. 03 zou vertrekken. Wij hoefden verder alleen nog maar te wachten op kaartjesuitreiker die zijn dienst om 2 u. zou aanvatten. Tot zo lang observeerden wij geamuseerd het nachtelijke leven op het stationsplein waar in een bierkeet, heftig werd ge***etwist, een man koffie maakte boven een cokesvuur en je aan een ander kraampje tortillas kon kopen. Om 2 u. stipt is de dienstdoende uitreiker op zijn post.

Ondanks de breedvoerige uitleg van de onderstationschef, gestaafd door het telegramboek waarin onze namen ten eeuwigen dage van ons avontuur zullen getuigen, bekeek de man ons met een kennelijke achterdocht. Blijkbaar verlangde hij van ons enig officieel bewijs, want tot het opmaken van de vrijbiljetten scheen hij zo maar niet bereid. Zijn optreden beperkte zich afwisselend tot een veelbetekende blik, wat zwijgzaam gezucht en gezoek in boeken die hij ergens uit een lade opdiepte en waarin hij vruchteloos naar enig administratief houvast zocht. Intussen was de onderstationschef weer komen opdagen. Met een voorbeeldig geduld maakte hij zijn collega “spaans” dat hij een groepsbiljet diende af te leveren en dat het telegramnummer zijn kaspost rechtvaardigde.

Zonder veel overtuiging begon hij dan toch maar te schrijven, elk in te vullen vakje aandachtig bestuderend en ogenschijnlijk niet begrijpend waarom hij dat biljet volledig gratis moest afleveren.

Zou de Mexicaanse reizigersreglementering even ingewikkeld zijn als de Belgische ?

Toen ons om 2 u. 30 de “primera classe dormitorio” overhandigd werden, was alle moeheid vlug vergeten en vervulde het vooruitzicht van een heerlijk bed ons met een ondefinieerbare mildheid.

Tien minuten later liep een halve kilometer lange trein denderend op een van Sufragio’s vele sporen binnen. Terwijl onze trouwe onderstationschef, een bediende in stofjas en een lader onze reiskoffers zeulden, zochten wij onze slaapwagen op. Maar voor de zoveelste maal was er blijkbaar iets misgelopen, want ons compartiment was volzet, de hele wagen was volzet, en de tweede én de derde ook. Een kwartier lang hebben onze “gelegenheidskruiers” de trein afgezocht. Wat jammer van hun vriendelijke moeite, maar... wij hebben de Pacific genomen.

“Adios Sufragio, je was fascinerend”.

Die nacht zijn we doorgespoord naar Mazatlan, neen, niet in een dormitorio, ook niet in primera classe, maar in de restauratiewagen omdat de pullmanbediende van niets wist en alle cabines had verhuurd.

De overige 12 uur van Mazatlan tot Guadalajara hebben we stil genoten van het prachtige berglandschap en de vruchtbare akkers, waar eenzame cowboy’s en langs het spoor loslopende koeien en paarden wel beelden uit een Far-West film leken, van een diep donker meer en een laaiende brand, van de typische kerken in Spaanse stijl, van leurders op de trein, van zangers en muzikanten, van het lekker eten in de restauratiewagen, van... och van nog zoveel meer.

Om 20 u. 50 stapten we te Guadalajara van de trein in de armen van onze Amerikaanse vrienden, doodmoe maar gelukkig.

De rest van Mexico wachtte op ons om zich te laten bekijken, maar dat is geen treinverhaal meer.