Accueil > Het Spoor > Recensie > De verdwenen extra-trein

De verdwenen extra-trein

Een verhaal van Sir Arthur Conan Doyle.

lundi 5 août 2013, par rixke

De bekentenis van Herbert de Lernac, die ter dood werd veroordeeld en thans te Marseille opgesloten zit, heeft een licht geworpen op een van de onverklaarbaarste misdaden van de eeuw — een misdaad die, naar ik geloof, zonder weerga is in de criminele annalen van welk land ook. Alhoewel er in officiële kringen met tegenzin over deze zaak gesproken wordt, en weinig inlichtingen aan de pers werden verstrekt, zijn er niettemin aanwijzingen dat de verklaringen van deze aartsbooswicht door de feiten bevestigd worden en dat wij eindelijk een oplossing gevonden hebben voor een zeer verbijsterend geval. Daar de zaak reeds 8 jaar oud is en haar belangrijkheid enigszins in de schaduw werd gesteld door een politieke crisis die toentertijd de publieke aandacht voor zich opeiste, zou het niet zo kwaad zijn de feiten uiteen te zetten in zoverre het ons is mogelijk geweest ze te weten te komen. Ze zijn ontleend aan de Liverpoolse dagbladen uit die tijd, aan de verslagen van het gerechtelijk onderzoek over John Slater, de machinist, en aan de dossiers van de “London and West Coast” spoorwegmaatschappij, die mij welwillend ter inzage werden gegeven. Samengevat luiden ze als volgt :

Op 3 juni 1890 verlangde een heer, die zich Mr Louis Caratal noemde, een onderhoud met Mr James Bland, de chef van het “Londen and West Coast” Centraal Station te Liverpool. Het was een kleine, bruinharige man van middelbare leeftijd met een opvallend kromme rug die een misvorming van de ruggegraat deed vermoeden. Een man met een indrukwekkende gestalte, wiens onderdanig gedrag en voortdurende attentie zijn hoedanigheid van ondergeschikte deden uitschijnen, vergezelde hem. Zijn naam werd niet vernoemd, maar hij was zonder twijfel een buitenlander en volgens zijn donkere gelaatskleur waarschijnlijk een Spanjaard of een Zuid-Amerikaan. Een eigenaardigheid viel bij hem op. Hij droeg aan zijn linkerhand een kleine zwartlederen aktentas, en een scherpziende bediende van het station bemerkte dat deze tas met een riempje aan zijn pols was vastgemaakt. Aan dit feit werd toen geen belang gehecht, maar latere gebeurtenissen gaven het een zekere betekenis.

Mr Caratal werd in het bureau van Mr Bland binnengeleid, terwijl zijn gezel buiten bleef.

Mr Caratal’s zaak was vlug afgehandeld. Hij was die namiddag uit Centraal-Amerika aangekomen. Uiterst belangrijke zaken vereisten zijn aanwezigheid te Parijs zonder het minste uitstel. Hij had de sneltrein naar Londen gemist. Er moest voor een extra-trein gezorgd worden. Geld had geen belang. Tijd was alles. Indien de spoorwegmaatschappij wou zorgen dat hij zo spoedig mogelijk kon vertrekken, dan mocht zij haar voorwaarden stellen.

Mr Bland belde, ontbood Mr Potter Hood, de onderchef belast met de regeling van het verkeer, en loste de zaak in 5 minuten op. De extra-trein zou over drie kwartier vertrekken. Het zou zo lang duren om de zekerheid te hebben dat de spoorlijn vrij zou zijn. De machtige locomotief “Rochdale” (nr 247 ? volgens het register van de maatschappij) werd vastgemaakt aan twee rijtuigen met een pakwagen achteraan. Het eerste rijtuig had enkel tot doel het slingeren te verminderen. Het tweede was zoals gewoonlijk verdeeld in vier afdelingen : een eerste klasse coupé, een eerste klasse rookcoupé, een tweede klasse coupé en een tweede klasse rookcoupé. De eerste coupé, die het dichtst bij de locomotief was, werd de reizigers toegewezen. De andere drie waren leeg. De hoofdwachter van de extra-trein was James McPherson, die enkele jaren bij de maatschappij in dienst was. De stoker, Williarn Smith, was een nieuweling.

Na het bureau van de chef te hebben verlaten, vervoegde Mr Caratal zijn gezel en beiden toonden zich buitengewoon ongeduldig om te vertrekken. Zij betaalden de gevraagde som die vijftig pond en vijf shilling beliep, volgens het voorziene bijzonder tarief van 5 shilling per mijl. Zij vroegen het rijtuig te zien dat hen zou vervoeren en namen dadelijk plaats, alhoewel hun nogmaals verzekerd werd dat het nog drie kwartier zou duren vooraleer de lijn vrij zou zijn. Intussen deed zich een verrassende samenloop van omstandigheden voor in het bureau dat Mr Caratal zo juist verlaten had.

Een verzoek om een extra-trein is geen ongewone gebeurtenis in een rijke handelsstreek, maar twee verzoeken op een zelfde namiddag was toch wel een zeldzaamheid ! Het toeval wilde inderdaad dat toen de eerste reiziger het bureau van Mr Bland nog maar pas verlaten had, een tweede reiziger binnentrad met een gelijkaardig verzoek. Het was een zekere Mr Horace Moore, een man met een militair voorkomen, die beweerde dat de plotselinge, ernstige ziekte van zijn echtgenote te Londen, hem noopte zonder verwijl naar die stad af te reizen. Zijn smart en zijn bezorgdheid waren zo duidelijk waarneembaar dat Mr Bland al het mogelijke deed om aan zijn wens te voldoen. Een tweede extra-trein inleggen was uitgesloten, daar het normaal plaatselijk verkeer reeds enigszins gestoord was door de eerste. Maar de zaak kon opgelost worden door Mr Moore te laten deelnemen in de kosten van Mr Caratal’s trein en hem desgevallend te laten reizen in de andere lege eerste klasse coupé indien Mr Caratal moest bezwaren hebben tegen Mr Moore’s aanwezigheid in zijn eigen coupé. Het was niet denkbaar dat er opwerpingen tegen die overeenkomst zouden zijn, doch toen Mr Potter Hood aan Mr Caratal het voorstel ging doen, weigerde deze laatste beslist er op in te gaan. De trein was van hem, zegde hij, en hij eiste met klem dat hij uitsluitend voor hem zou gereserveerd blijven. Geen enkel argument kon hem van zijn onvriendelijke houding doen afzien en tenslotte moest men het plan opgeven. Mr Horace Moore verliet het station in grote wanhoop toen hij vernam dat hem niet anders te doen stond dan de omnibustrein te nemen die om zes uur uit Liverpool vertrok. De stationsklok wees elf over half vijf aan, toen de extra-trein met de gebrekkige Mr Caratal en zijn reusachtige gezel het station Liverpool uitstoomde. De lijn was op dat ogenblik vrij en er zou niet eerder stilgehouden worden dan te Manchester.

De treinen van de “London and West Coast” spoorweg lopen tot Manchester over de lijnen van een andere maatschappij en de extra-trein moest vóór zes uur in die stad aankomen. Om kwart over zes ontstond grote verrassing en ook enige ontsteltenis onder de ambtenaren van het station Liverpool toen uit Manchester een telegram ontvangen werd met het bericht dat de trein nog niet was aangekomen. Inlichtingen werden gevraagd aan St. Helens, dat op een derde van de afstand tussen de twee steden gelegen is. Het volgende antwoord werd ontvangen :

Aan James Bland, chef, station L. & W.C, Liverpool — Extra-trein hier voorbijgereden om 4.52, op tijd — Dowser, St. Helens.

Dit telegram kwam toe om tien over half zeven. Om tien vóór zeven kwam een nieuw bericht uit Manchester toe :

Geen nieuws over de door u aangekondigde extra-trein.

En tien minuten later een derde telegram, nog meer verbijsterend van inhoud :

Vermoed dat vergissing werd begaan bij opgave van uurregeling van extra-trein. Lokaaltrein uit St. Helens die moest volgen is juist aangekomen en heeft extra-trein niet gezien. Gelieve onderrichtingen te telegraferen — Manchester.


(Vertaling van W. Burke.)

Bron : Het Spoor, februari 1958

Bron : Het Spoor, maart 1958