Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > De poëzie van de elektrische tractie

De poëzie van de elektrische tractie

lundi 16 décembre 2013, par rixke

Er zijn mensen die beweren dat door het uitsterven van de stoomtractie al de poëzie uit het spoorwegleven verdwijnt. Die romantische bewonderaars van de “witte watten rookpluim” en van de hijgende, zuchtende, steunende, aamborstige stoomlocomotiefjes, hebben het mis voor. Ook het elektrische wonderding dat zacht zoemend, vol glimmende gezondheid, de treinen stipt, doch zonder enig spektakel, ter bestemming voert, bekoort de mensen evenzeer als zijn “rookspuwende, sissende” voorganger.

Wie de nieuwe tractie benadert zonder vooroordelen, wie haar diepste wezenheid leert kennen, wie ermee vertrouwd raakt, wie haar innig beleeft, wordt stilaan maar zeker overweldigd door haar mooie, aangrijpende poëzie. Dat begrepen de talrijke deelnemers aan onze wedstrijd.

Zij, de voorlopers, de verdedigers van een nieuw geluid, hebben ons gesterkt in onze overtuiging dat ook het moderne leven zijn dichterlijke kant heeft.

Wij ontvingen talrijke en vaak zeer mooie gedichten. Wat ons vooral verheugt is dat er ditmaal zo weinig kaf tussen het koren zit.

Het gorgelen van een nachtegaal is, natuurlijk, veel mooier dan het krassen van een parkiet, toch beeft dit verschil in schoonheid maar een heel relatieve waarde. Het enige wat belang heeft, is dat de vogel werkelijk zingt.

Daarom mogen al de deelnemers aan de wedstrijd er trots op zijn dat zij het hebben aangedurfd hun geestdrift uit te zingen.

Enkelen hebben zich evenwel door een poëtische bevlieging laten meeslepen en vergaten onderweg dat dichten ook nog wat anders is dan het aan elkaar rijmen van enkele zinnen met min of meer degelijke gedachten. Zij mogen niet vergeten dat dichtkunst ook nog bezieling, aanvoeling is...

J. Broothaerts, die de eerste prijs behaalde, heeft aangevoeld dat dit moderne onderwerp in een bijzondere dichtvorm moest gegoten worden. Hij vond een compromis tussen de klassieke en moderne opvattingen en slaagde wonderwel in zijn opzet. Met enkele rake, plastische toetsen stelt hij het gegeven aanschouwelijk voor.

Fr. De Maesschalck beschouwt het gegeven als een schilderij van abstracte kunst, waarin het jagende, moderne leven zich afspeelt :

Als een schilderij
Van abstrakte kunst
Doomt het op voor ’t nieuwsgierige oog
Draden, sporen
Lijnen, kabels
En de machtige lokomotieven...

B. De Smet beschrijft zeer ritmisch de loop van de trein :

Nu schuift hij zacht
gedreven
door een onzichtb’re macht,
zingend
zijn zoemend lied
doorheen de notenbalk
van spoor en draad,
als een pijl
z’n verre bestemming
tegemoet :
glimmend staal
veredeld
in de gloed
van ’t heetste vuur.

P. Robijns heeft ook aandacht voor de menselijke kant van het gegeven :

Hier ligt wellicht in open en verkend terrein
wat een mens een ander mens kan bieden
geest en verstand, lichaam en kracht, ziel en rede
in een schaarbengel die hard moet zijn
in koolstof die hem zacht doet zijn
in draden die zichzelf, meer dan zichzelf zijn.

F. Decabooter past zeer flink het dynamische vers toe :

In de verwarde dimensies
van ijzer en staal,
beweging
over de kruisende lijnen
één trilling.

M. Janssens dacht aan de vooruitgang die immer rusteloos voortijlt :

De tractie bracht techniek en tijd in harmonie
Ze is een electrisch gedicht, een stalen melodie
Het levende symbool waarin de kracht en kennis leeft
Van heel een generatie die de stof bedwongen heeft
 
In haar klopt er het hart van de nieuwe tijd
En dit hart is geestdriftig, moedig en wijd
Het verjongt zich steeds aan de wetenschapsbron
Het rent zonder rust naar een ruimere horizon.

A. Van den Eynde merkt de verandering op in het landschap ; de zoemende telegraafpalen zijn vervangen door de draagpijlers van de bovenleiding :

Stoere stalen I-profielen
Staan nu op hun beurt op wacht,
Losten af hun houten broeders,
Fier en fors, in grijze dracht.

W. Haegeman betreurt het dat de abstractie en de mathematica al de poëzie wegvagen ; hij ziet nochtans in de elektrische tractie een symbool voor de jonge mensen :

’n Mathematisch gedicht,
Van rollende treinen,
Die verten begeren,
En einden verkleinen.

P. Verleysen houdt van de “zingende draden” :

Van ver
komen geluiden
langs zingende draden.
’k Voel de angst
uit mij wegdrijven
omhoog
in een lied
langs zingende draden.

C. Thys bezingt, soms wel een beetje te zakelijk, de voordelen van de nieuwe tractie :

Uiterlijk kalm, midden ’t druk gonzend kopstation
Staan wij, BOBO’S, vrij van water, brandstof en vuur
Vertrouwend op d’energie uit een verre bron
Stoer, rustig, verbeidend ’t naderend vertrekuur.

L. Ost vergelijkt de elektrische locomotieven met jonge rossen :

Circa zestien jaar
Hollen nieuwe rossen,
Eensklaps hier, plots daar,
Trillend door de bossen.

E. Jacobs werd bekoord door de wielenwals :

Op een gezapige tempomaat
Draaien de wielen in driekwartmaat !

M. Van Rompaey ziet in de elektrische treinen de belichaming van een kinderdroom :

Moede kinderen achter ramen kijken verheugd
naar ’t sein van slapen-gaan ;
vragen zich af : Wat zal ik later worden ?

Y. Neirijnck kijkt naar de “spinnewebben” :

Blanke koperen draden aan palen vast, hangen daar
zacht in de wind wiegende, schijnbaar zonder gevaar
als spinnewebben op geringe hoogte boven ons hoofd.

A. Hellegards vindt ook inspiratie in de verbetering van de werkvoorwaarden :

Geen gekuch, geen gekook,
Noch verpesting door de rook.
Zonder het hoogwielenstel,
Verhoogt de snelheid even wel.
De voerder, als een deftig heer,
Gelijkt nu op geen duivel meer.

Albert De Mets schreef een ritmisch prozastuk dat de nieuwe sfeer gevoelvol en treffend uitdrukt :

Waar bespoorde hellingen overgaan, zacht glooiend,
in een vlak gespreide statie baan ; in Luik, in de Cité ardente,
daar staat een zachte reus en wacht...
Daar staat een zachte reus. Het stalen kleed is fel geborsteld,
de vlakken neigen sierlijk naar elkaar ; wijl boven, in ruiten
en trapezen stalen armen wegen aan een draad.

Deze citaten bewijzen best welke rijke gevoelens en gegevens in de gedichten verwerkt werden. Mogen deze voorbeelden de wijfelaars ervan overtuigen dat ook zij een kans hebben in een van de volgende letterkundige wedstrijden.


Bron : Het Spoor, september 1959