Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Een dynastie van spoormannen (I)

Een dynastie van spoormannen (I)

J. Delmelle.

lundi 27 janvier 2014, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

 I. - De ouwe Marcel

Een gebogen karkas maar nog stevige, ofschoon ietwat stramme kuiten, een openhartig uiterlijk, een gelaat met de kleur van een renetappel, waarin slimme en goedige oogjes flikkeren, dat is het portret van de tachtigjarige Marcel Barbeaux, een gepensioneerde van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen. Met zijn vrouw, Esther, bewoont hij een klein huisje langs de zoom van de weg die omhoog kronkelt naar Esquinpont, een gehucht dat op geen enkele kaart voorkomt omdat het maar vijf haardsteden telt. Zijn zoon, die al veertien jaar gehuwd is, woont te Brussel ; hij is bediende aan het hoofdbestuur van de spoorwegen.

Marcel Barbeaux — de ouwe Marcel zoals men hem noemt daar in die uithoek van de provincie waar hij geboren werd en waar hij zich, na zijn pensionering, terugtrok — brengt zijn tijd door met duizend kleine karweitjes en ontpopt zich, beurtelings, als tuinier, timmerman, schilder, schoorsteenveger, schoenlapper... In een huis, zelfs in een klein huisje, is er altijd wat te doen : een deur afschaven, een slot oliën, een paaltje van de omheining rechtzetten... Iedere morgen trekt de ouwe Marcel er op uit — kwestie van fit te blijven, zegt hij — om de stijfheid uit zijn gewrichten te weren en zijn gezondheid op peil te houden. Het dorpsleven brengt trouwens zekere verplichtingen mee, zoals, bijvoorbeeld, het bijwonen van de begrafenissen en de zielemissen. Al de dorpelingen kennen immers elkaar en ze merken maar al te gauw wie er wel en wie er niet is. Daar hij graag met Jan en alleman op goede voet staat en met zijn tijd kan doen wat hem belieft, laat de ouwe Marcel nooit na “beleefd te zijn tegen de levenden en de doden”, zoals hij het pittig zegt. Beleefd zijn is altijd zijn zorg en zijn trots geweest. Zijn houding ten overstaan van het publiek, toen hij treinwachter was, heeft hem menige wrange nasmaak bespaard en aan zijn eigenliefde enkele kleine, maar toch kostbare voldoeningen geschonken. Zo, op de dag toen een reiziger hem zegde — ’t was op de lijn van Haine-Saint-Pierre — dat alles stellig veel beter zou gaan moest iedereen zich de moeite getroosten zo voorkomend te zijn als hij, Marcel Barbeaux !

De ouwe Marcel heeft thuis zijn bezigheden, doet elke morgen zijn kleine wandeling en gaat soms eens naar het dorp. De rest van de tijd, als het weer het toelaat, gaat hij op zijn gemak in een leunstoel zitten, buiten, op de kleine koer die het huis van de tuin scheidt. Die tuin, waarvan het achterste gedeelte vol groenten staat, pronkt, aan de kant van het koertje, met een overvloed van bloemen. Als hij ze bekijkt, denkt de ouwe Marcel soms terug aan de met bloemen versierde stations van de Maasvallei en aan andere in Vlaanderen, opgesmukt met geraniums, anjelieren, tulpen, gladiolen, afrikaantjes en dahlia’s. Men zou wel denken dat ze zich mooi maakten om de reiziger te verwelkomen.

Wanneer ik in zijn streek kom, bezoek ik Marcel Barbeaux telkens als ik daartoe de tijd heb. Ik breng graag een uurtje in zijn gezelschap door. Esther zet voor mij een goeie tas koffie klaar. Haar man weet mij altijd iets te vertellen. Dit iets is immer interessant. En de taal van de verteller is toch zo sappig. Het is mij een waar genot naar hem te luisteren.

Hetgeen de ouwe Marcel vertelt, heeft steeds betrekking op zijn loopbaan. Wat al herinneringen heeft hij opgedaan tijdens de vele jaren die hij bij de spoorwegen doorbracht ! En het zijn trouwens niet altijd zijn eigen herinneringen. De ouwe Marcel is een van die spoormannen van wie men beweert dat ze “een trein hebben ingeslikt”. Zijn persoonlijke herinneringen zijn enkel anekdoten die heel natuurlijk aansluiten bij het prachtige verhaal dat de geschiedenis van het spoor vertelt. Als men van zijn beroep houdt, spreekt het vanzelf dat men belangstelt ia alles wat erop betrekking heeft en ermee verband houdt. Wanneer men deel uitmaakt van de grote gilde van het spoor en men daar prat op gaat, voelt men, onbewust, genegenheid voor alles wat trein, wagon, station, seinen en dies meer is ! Men voelt zich solidair met zijn chefs, zijn kameraden, zijn collega’s. Men behoort tot een uitgebreide familie waarvan alle leden, levenden en doden, niettegenstaande de tijd en ook de afstand, verbonden zijn door een gemeenschappelijke wil om te dienen. De makkers van eergisteren, van gisteren en van vandaag, zijn de schakels van één en dezelfde ketting, want, zoals de ouwe Marcel het schalks uitdrukt : de spoorweg is geen “eendagsvlieg”. ’t Is een groots werk dat meer dan een eeuw geleden het licht zag en sedertdien voortbestaat, uitbreiding neemt en verbetert dank zij een groot aantal mensen : de spoormannen.

Dit gevoel is bij Marcel Barbeaux zo sterk aanwezig omdat zijn vader, zijn grootvader en zijn overgrootvader destijds al bij de spoorweg in dienst waren en zijn zoon nu datgene in stand houdt wat zo iets als een soort traditie geworden is. De overgrootvader was stoker, de grootvader arbeidersbaas en de vader stationschef. Met zijn zoon en hemzelf maakt dat vijf generaties en honderdvijfentwintig jaren van arbeid, volharding en kennis ! Wanneer de ouwe Marcel daarover praat, wanneer hij zijn stamboom schetst, neemt hij altijd een ietwat trotse houding aan. Zijn fierheid heeft iets weg van hoogmoed. Als ik naar hem luister, heb ik soms de indruk dat hij de grootse verwezenlijkingen van het spoor een beetje beschouwt als zijn eigen daden !

Zijn eigen daden ! In een zekere zin is dat juist. De spoorwegen danken hun grootheid aan hem en aan al zijn gelijken, zijn voorgangers, zijn gezellen, zijn opvolgers, een ganse menigte, een waar leger. Zijn daden en deze van alle spoormannen, van de hoogsten in graad tot de onbekende wroeters, van de ingenieur tot de loper, die destijds gewapend met een bel en een vlag de trein voorafging om het publiek op afstand te houden, van de directeur tot de rangeerder, de lampenist of de wegwachter, langs alle trappen van de hiërarchie. Zijn daden en deze van al de mannen zoals hij, die “arbeidseer” bezitten.

Het embleem van de spoorwegen, iedereen weet het, is een gevleugeld wiel. Heeft de man die dit embleem ontworpen heeft er wel aan gedacht dat het wiel, al heel lang geleden uitgevonden door de onbekendste en geniaalste van alle mannen, niet alleen de snelheid, maar ook de gemeenschappelijke krachtinspanning symboliseert ? Elk van de samenkomende spaken draagt, de ene na de andere, een ontzaglijk gewicht. Indien er een verzwakt en begeeft, is de rol van allen bedreigd. Geen enkele spaak is ooit gebroken in de loop van de 125 jaren geschiedenis van het Belgische spoor. Alle spoormannen hebben hun werk plichtgetrouw vervuld. Sommigen hebben zelfs hun plichtsbesef tot heldhaftigheid opgevoerd en zonder aarzelen hun leven geofferd om dat van anderen te redden. Dank zij allen heeft het spoor zijn strijd gewonnen.

“Ja”, zegt de ouwe Marcel, “het spoor heeft zijn strijd gewonnen... maar die strijd, ofschoon gewonnen, duurt voort. Hij begint altijd opnieuw, alle dagen, en het komt erop aan hem immer te blijven winnen” !

De ouwe Marcel heeft mij meer dan eens die strijd verteld, terwijl hij mij sprak over het werk van zijn vaderen en hij mij de nota’s en de documenten liet lezen die hij met liefde verzameld had. En zo heb ik die strijd, dank zij hem, op mijn beurt kunnen doen herleven in een stijl die heel vaak de uitdrukkingen eigen aan de ouwe spoorman overneemt, omdat ik die waarlijk zo dikwijls gehoord heb...


Bron : Het Spoor, januari 1960