Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Een dynastie van spoormannen (IV)

Een dynastie van spoormannen (IV)

J. Delmelle.

lundi 24 février 2014, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

VII. - Jozef Barbeaux en de eerste spoorleggers

“Ik las destijds, vertelde de ouwe Marcel mij op zekere dag, in een tijdschrift over bedrijfseconomie, een artikel dat gewijd was aan de ontwikkeling van de spoorweg. De verdienste van de uitbreiding van het net is zodanig verdeeld, stipte de auteur aan, dat het onbillijk zou zijn aan een bepaalde pioniersfiguur meer luister te verlenen dan aan één andere of aan al de anderen. Om het huidige resultaat te bereiken hebben honderden en duizenden mannen van goede wil elkaar afgelost, hun inspanningen, hun ideeën, hun kennis, hun doorzettingsvermogen, hun hoop en hun spierkracht samengebundeld en opeengestapeld. Mijn overgrootvader nam deel aan het gemeenschappelijk werk als stoker. Mijn grootvader was in 1852 bij de spoorweg in dienst getreden, oefende een vijftiental jaren de functies van rangeerder uit en zou in 1886 zijn loopbaan eindigen als rangeermeester. Hij heette Jozef., Ik heb hem nooit gekend ; hij stierf toen ik nauwelijks drie jaar was. Het was een buitengewoon man die een uitzonderlijke lichaamskracht bezat. Groot van gestalte — hij mat ten minste 1 meter 80 — zwaarlijvig, hief hij met verbazend gemak de zwaarste vrachten op. Mijn vader vond er steeds genoegen in te vertellen dat hij hem een gewicht van boven de 100 kg over een afstand van verscheidene honderden meter had zien dragen. Met bewondering in zijn stem verklaarde hij dan dat grootvader zo sterk was als een boom !”

Hij was zo sterk als een boom en, terwijl hij aan hem en aan zijn collega’s denkt, roept de ouwe Marcel, die letterkundig goed ontwikkeld is, soms de reuzen uit de oudheid voor de geest die, om voor Semiramis de toegang tot Ectabane te openen, de rotsen openreten, de bergen wegruimden en al de holten in de grond deden verdwijnen door ze met aarde te vullen. Het is misschien van deze weg, die zij door al de hindernissen trokken, dat de profeet Isaï in zijn geschriften gewag maakt : Bereidt de wegen des Heren voor ; alle valleien zullen gevuld, alle bergen en heuvelen zullen gelijkgemaakt worden ; kronkelende wegen zullen recht getrokken worden ; die welke hobbelig zijn zullen geëffend worden en de glorie des Heren zal zich openbaren. Hoe het ook zij, de woorden van Isaï zouden ten volle passen op de harde, lastige loopbaan van Jozef Barbeaux.

Wat is een arbeider ? In die tijd was het een sjouwerman aan wie de meest verscheiden werken, en dikwijls nog de lastigste en de meest uitputtende, werden opgedragen. Een arbeider trad nu eens op als grondwerker, mijnwerker, steenkapper, dan weer als voerman, spoorlegger en wat weet ik al ?

Toen Jozef Barbeaux bij de spoorweg in dienst trad, was het net in bestendige en onophoudelijke uitbreiding. De ene lijn was nog niet af of men begon reeds aan een andere. Enige jaren tevoren was men met niets begonnen. De eerste proefneming was beslissend geweest en men had de werken krachtig doorgezet. Het economisch belang van het land vergde dat zij met wilskracht en spoed zouden gevoerd worden.

De eerste proefneming ! In feite had de lijn Brussel - Mechelen geen buitengewone werken noch belangrijke kunstwerken gevergd. Zij liep door een opvallend vlakke streek.

De aanleg van de volgende lijnen bood echter grotere moeilijkheden. In 1838, toen hij op zijn tocht naar Pruisen de vallei van de Vesder aandeed, stond Victor Hugo in bewondering voor de koortsachtige bedrijvigheid die heerste tussen Chaudfontaine en Verviers. De werklieden waren diepe geulen aan het graven en vulden de terreininzinkingen aan voor de aanleg van een nieuwe spoorbaan. De vermaarde reiziger vatte zijn indrukken als volgt samen : De spoorweg die gans België doorsnijdt, van Antwerpen tot Luik en die wil verder gaast tot Verviers, zal deze heuvelen doorboren en deze valleien doorsnijden. Deze weg, die een grootse onderneming is, zal twaalf tot vijftien keer door de bergen boren. Bij elke stap ontmoet men graafkerken, bruggen en tunnels in opbouw ; ofwel ziet men, onderaan een geweldige rotswand, een zwart bedrijvig mierennest dat een klein gat aan ’t boren is. Deze mieren arbeiden aan een reuzentaak. Waar deze gaten breed en diep zijn, stijgen hieruit, nu en dan, plots een zware adem en een rauw geluid op. Men zou zeggen dat het geschonden gebergte langs dit open hol zijn kreten uitstoot. Het is het spel van de springlading in de galerij. Dan houdt de postwagen plots stil, de werklieden die op een nabijgelegen grondwerk aan het hakken waren, vluchten in alle richtingen, een donderslag weerklinkt en wordt weerkaatst door de zwellende echo van de heuvel, rotsblokken springen weg uit een hoek van het landschap en spatten langs alle kanten neer op de vlakte. Het is het spel van de springlading in open lucht...

Victor Hugo geeft ons een uitstekende voorstelling van de moeilijkheden van alle slag waarmee de bouwers van een spoorbaan onvermijdelijk te kampen hebben. Een gewone weg ontwijkt zo vaak mogelijk de hindernis, hij gaat er rond en doet desnoods een omweg van enkele kilometer. Desgevallend vermeerdert hij de kronkelingen en de windingen. Hij daalt af in de vallei en komt er uit. Hij gaat niet recht voor zich uit. Een spoorlijn daarentegen vermijdt de bochten zoveel mogelijk ; zij houdt van de horizontale richting. Dit is echter niet altijd mogelijk. Een lijn die waterlopen overschrijdt moet bijna noodzakelijkerwijs de valleien op de hoogten oversteken. In dit geval moet de lijn onderverdeeld worden in horizontale secties en in hellende vlakken of hellingen. De helling mag nooit een zekere grenswaarde overtreffen. Om de lijn op een zo horizontaal mogelijk vlak te houden, neemt men zijn toevlucht tot verschillende middelen ; uitgravingen, aanaardingen, tunnels, bruggen, viaducten. Geeft de reiziger, die zich zo vlug liet inpalmen door de stoomtractie, zich wel genoeg rekenschap van het ongehoorde geheel van krachtinspanningen die er nodig waren om slechts één enkele lijn te leggen die hem in staat stelt zich van de ene stad naar de andere te begeven ? Van de geleerde en ingewikkelde berekeningen der ingenieurs en het tracé van de lijn, tot het leggen van de sporen, hoeveel bewerkingen, hoeveel werken allerhande volgden elkaar wel op ! Deze mieren arbeiden aan een reuzentaak, merkte Victor Hugo heel terecht op. Jozef Barbeaux was een van die nietige mieren.

(Wordt voortgezet.)


Bron : Het Spoor, april 1960