Accueil > Het Spoor > Personeel > Het solidair beroep van Suske, de lader

Het solidair beroep van Suske, de lader

Raf Van Loon.

lundi 31 mars 2014, par rixke

Drie spoormansketen staan in het drukke grensstation broederlijk tegen elkaar aangeleund : de schouwers-, de laders- en de rangeerderskeet. En in die sober-eenvoudige keten verbroederen de mannen, de jassen en de drinkbussen, de geurende knapzakken en de keuvelende stemmen.

In de middelste keet vindt men vaak de fluwelen jas van Suske, de lader. Suske, dat klein vlot ventje met zijn flikkeroogjes, zijn radde tong en zijn keurig krullende donkere snor.

Meer dan veertig dienstjaren hebben hem licht gebogen naar het grijze perron en de versjouwde goederen, en die gebogenheid is de sprekende trek in zijn kleine ladersfiguur.

’s Morgens te vier uur haalt hij het hangslot van de grote buitenpoort en draait ze tot de inrit breed wenkend openstaat. Kort daarop glijdt de rode bestelwagen der Nederlandse posterijen met brede schijnwerpers over het perron en twee landen nemen met elkaar contact. De eerste trein voert een vracht briefpost mee het binnenland in.

Twee uur later remt de eerste trein uit omgekeerde richting kriepend af langsheen het perron en dient, een volle pakwagen colli’s te worden gelost. Dan zetten de kerels uit de drie keten zich schouder aan schouder en langs een lopende band van vlugge handen glijdt een ton goederen het perron op, waar Suske en zijn maats ze nadien met de dokkerende “bicque” komen opladen.

Camions komen weldra de poort inzwenken, razen de loskoer op en slaan er een brug met de geparkeerde spoorwagens. Straks zal Suske de gestouwde lading mee verifiëren, de zware schuifdeur toerollen en haar verzekeren met een stevige draad en een lood. Nu wacht alweer ander werk. Dieseltrucks kruien tot tegen het magazijn. Tonnen en tonnen goederen glijden de instelling van de spoorweg binnen. Een lader taxeert en lotisseert, vlug en feilloos, terwijl Suske lijmpot en borstel grijpt en honderden etiketten plakt. Zo geeft hij ieder colli zijn identiteit.

En regelmatig kriepen daarbuiten de treinremmen en stormen de laders toe : Suske, of Ward en Stan, Fons of Sooi of Jef. Ieder op zijn beurt, de ene vroeg, de andere laat. Ze laden en lossen, scharrelen haastig naar de bescheiden, ontlasten een reiziger van zijn fiets of begeleiden een dame met haar kinderwagen dwars over de sporen, omdat het menske de veilige tunnel niet kan gebruiken.

Zo doet ook Suske. Hij kent zijn taak, zoals al die kerels uit de drie keten, ieder uur van dag en nacht.

De hele dag door beukt het rangeerdrijf boven alles uit. En terwijl Suske op de loskoer bezig is tussen de straatstenen de uitwoekerende grasjes weg te krabben, ziet hij nu en dan het snel-maaiend gebaar van een zwaaiende arm of vlag, hoort hij de stoot van een stem of een hoorn die driftig stilhouden beveelt. Straks zal de stationschef een welgevallig oog werpen op zijn keurig werk en even met hem keuvelen om die rug de kans te gunnen zich te rechten.

Ja, die kerels uit de drie keten verrichten de meest uiteenlopende karweitjes. Pront op tijd witten ze de perronboorden en besproeien ze de bloemen, scheren ze het gazongras en de ligusterhaag. Ze spelen zaalwachter en lampenist, helpen de hoofdwachter bij het optrekken der vele schuiframen en keren de ritborder voor een vertrekkende trein.

Vooral dat zestigjarig Suske kent het dokkeren van de zware laderskar vol dansende cartons en lijvige zakken postcolli’s, het nijdig sleuren tegen de hoge oprit naar de perrons, het woekeren met het laadruim der pakwagens die steeds te klein zijn en waarin de massa zendingen met uiterst zuinige voegjes tegen elkaar moeten worden gemetseld, om de laders, verderop de lijn, de kans te geven hun vracht straks nog aan boord te krijgen.

Ha, dat Suske... Reeds veertig jaar is hij gewend aan het lomp, onhandig formaat van kisten en koffers, aan splinters en bijtend vocht uit lekkende vaten, aan de lichtgeraaktheid van zendingen “breekwaar” en aan de dunne huid van dozen en pakjes, die bij de geringste stoot hun ingewanden pijnlijk, vertonen.

Zo om de twee uur ziet hij een of andere bommel een deel van die machtige goederenvoorraad gulzig wegslokken, gulzig lijk een alligatormuil happend in een school krioelende vissen.

Dat vinnig Suske... Op zijn beurt zuivert hij de sporen van afval, schillen en zwervend papier. Een vuilnisemmer in de ene hand, rijgt hij met de andere die rommel aan zijn slanke priem. Met dat eenvoudig maar edel rapier duelleert hij als een echte matador. Overal waar het vuil de horens opsteekt gaat hij met getrokken degen het uitdagend monster van de onreinheid te lijf.

En weer knikt de stationschef en smijt ’n gulle, kwinkslag naar zijn eenvoudige werkman in de sporen, een man uit een der drie keten.

Als, laat in de avond, de laatste vrachtvoerder met zijn camion de loskoer afraast, wordt de witte poort opnieuw gesloten.

Maar nog deuken dan de wagens en zingt de schouwershamer voort. De “bicque” staat, als een slapend paard te dromen in een hoekje. Maar Suske trekt nog met een emmer water naar enkele kratten vogels in vertoef. Hij vult hun drinkebakjes bij. Flamingo’s, papegaaien en parkieten, kanaries en exotische prachtzangers, heel die vinnig kwetterende fauna ziet de buigende gestalte van Suske, de lader.

Vroege-Late-Nacht. In die trouwe, driefasige volgorde blijven de kranige ploegen uit de drie keten om elkaar heenwentelen, als een dynamische rotor in het spannende anker van dag en nacht.

Gebouwen, manschappen en voertuigen, alles is hier aan elkaar gehecht in stevige eendracht.

En Suske hoort... Ergens in de put tegen de hangar ginder geven gesorteerde wagens als oude bekenden elkaar een stevige deuk en leggen de felle klauwen in elkaar. Een eind weegs zullen ze als reizende gezellen weer samen lopen, hun verre bestemming tegemoet.

Want spoorstaven en wagenwielen, ook zij zijn parallel en solidair, en eensgezind gericht op eenzelfde doel in de verte.

Zo ’n simpele, solidaire spoorman is na zijn veertigste dienstjaar dat kwiek en guitig ventje uit de middelste der drie keten in mijn grijs, verweerd station, dat ventje met zijn lichtgebogen rug en zware snor : Suske, de lader...


Bron : Het Spoor, september 1960