Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > De machine

De machine

Franz Hiesel.

lundi 14 avril 2014, par rixke

Zij kreeg haar plaatsje in het station Wijkstad. De roest vrat aan haar leden. In de schoorsteen en op de stuurhut nestelden zwaluwen. Zij stond op een zijspoor. Een siddering doorliep haar wanneer, slechts enkele meter verder, sneltreinen op het hoofdspoor door het station raasden. Dan zuchtte ze diep.

Een oude aftandse wagen, die nog slechts één paar wielen had, en waarvan het andere door dwarsliggers vervangen was, zegde steunend :

“Wel, grootmoeder, wat een zucht !

— ’n Zucht ? antwoordde de machine op geringschattende toon, Hm, je schijnt niet goed gehoord te hebben ! Overigens meen ik dat je aan jezelf al genoeg hebt, zonder je om anderen te verkneukelen !” Het zou waarlijk statig geklonken hebben, had haar stem niet een verdachte ondertoon van oud-roest verraden.

“Kom, kom, waarde dame, wees maar niet te preuts, weervoer de wagen, je hebt geen enkele reden om uit de hoogte op mij neer te zien alsof je “Vorstin tweehonderdveertien” in hoogst eigen persoon waart !

— Vorstin tweehonderdveertien, wie is dat ?

— Hahaha, ken je haar niet ? Nu, dan moet je hier allang staan, zo je de vorstin van alle locomotieven niet kent.

— Bah, ik ben ook van adel ! Ik stam uit het geslacht van de eenentwintigers. Ik zeg het je, wij en wij alleen mochten de koninklijke trein slepen !

— Dat is het verleden, lieve Mevrouw, dat is het verleden ! Ook ik heb betere tijden gekend ! Spijtig genoeg wordt men stilaan ouder. Men bouwt moderne rijtuigen en wij komen terecht op een buiten dienst gesteld spoor, waarna men ons op een zekere dag terugbrengt tot onze oorspronkelijke toestand : ijzer en hout !

— Dat zullen ze bij mij niet aandurven ! Kijk maar eens naar mijn borst en lees die plaat af ! Daar sta je van te zien, hé : een medaille en, dan nog, een zeer verdiende !

— Hm, ik zie het. Uit het jaar negentienhonderd. Reeds lang geleden ! En je denkt dat men je op nieuw zal gebruiken, antwoordde de wagen ongelovig.

— Is mij dat nu een vraag ! Men ziet toch dadelijk wiens kind je bent, mijn beste. Ken jij mijn krachten, mijn snelheid ? Maar ja, mijn vraag is al te dwaas, hoe zou jij, een doodgewone wagen, dat kunnen weten ?

— Ik dat niet weten ? echode de wagen, ik die reeds zoveel maal, aan reizigerstreinen gekoppeld, meesnorde alsof ik van de duivel bezeten was !

— Reizigerstreinen ? antwoordde de locomotief geringschattend, ik sleepte alleen sneltreinen ! Daar mee valt er nog al te rijden hoor, ouwe jongen ! Voor jou was dat natuurlijk allerminst geschikt !

— Neen, dat weet ik bij ondervinding. Men heeft het eens beproefd maar ik hield die razernij niet uit en sprong uit de sporen.

— Zo hoor ik je liever praten ! Steeds, zeer bescheiden zijn. Op dit gebied kun je van mij nog iets leren. Wanneer je nog langer hier blijft zal ik trachten van je nog iets goeds te maken !

— Daar geloof ik niets van want, naar ik hoorde, krijg ik reeds morgen een nieuw stel wielen !

— Morgen al ? Dan wil ik je terstond over mijn daden vertellen. Ik kreeg de bons toen ik nog tegen zestig kilometer per uur reed. En dat niet alleen : achter mij waggelden immers nog vijf wagens ! Wat zeg je daarvan ?

— Zestig kilometer ? vroeg de wagen nadenkend.

— Ja ! wedervoer de locomotief vol trots.

— En maar vijf wagens ?

— Wat wil je beduiden met maar ?

— Verontschuldig mij, Mevrouw van de Eenentwintigers, ik meen toch juist gehoord te hebben ? Zestig kilometer en vijf wagens ?

— Ja, natuurlijk. Hervat je maar spoedig, ouwe jongen, zoniet kom je je verbazing niet meer te boven. Mijn God, voel je je niet goed ?

— Neen, ik voel mij niet al te goed, alleen omdat die verduivelde dwarsliggers mij beletten te lachen !

— Lachen ? Wat valt er eigenlijk te lachen, vroeg de locomotief, stom verbaasd.

— Oh, veel, zeer veel zelfs !” De wagon stond te schudden maar vermande zich dadelijk, “was het niet dat ik bevreesd ben dat mijn gans onderstel in elkaar zou kunnen stuiken, ik zou waarlijk redenen te over hebben om te lachen !

— Ja, en... waarom dan ? wou de locomotief weten.

— Wat hoor ik, Mevrouw van de eenentwintigers, ken jij de tweehonderdveertieners niet ?

— Neen, waarom ?

— Nu, mijn zeer geëerde, zal het jouw beurt zijn om stom te staan van verbazing ! De tweehonderdveertiener rijdt tegen honderd kilometer per uur, en liefst met twaalf zware, vierassige, moderne rijtuigen. Ik zeg je...

— ... Wat je me zegt is mij om het even ! onderbrak hem de locomotief. Overigens spreek ik niet met je om me te laten beledigen. Wees maar blij dat ik me met je wil inlaten !”

De oude wagen giechelde. Daar had hij nu een gehate machine vóór zich en kon hij weerwraak nemen voor de vele stoten en duwen, zonder dat zij op hem vat kon krijgen, dacht hij in zichzelf. Dat wou hij ten volle uitbuiten ! Reeds morgen zou hij opnieuw de heen en weer rollende speelbal zijn van die trotse, hoogdravende schepsels. Derhalve, er moedig op los :

“Hoor eens, Mevrouw de overgrootmoeder, moet ik je nog een en ander vertellen over “Vorstin tweehonderdveertien ?”, vroeg hij op geslepen toon.

Stilte, ijzige stilte.

Zulk een lummel. Hij wil mij kwaad maken. Maar het zal hem niet lukken. Ha, wanneer ik onder stoom sta, zal hij ogen opzetten, dacht de machine, en hulde zich, bij gebrek aan stoom, in een koppig stilzwijgen.

Een trein stoomde door het station. De grond sidderde, en met hem, ook de wagen en de machine.

“Hoor je dat ? hoonde de onverbeterlijke, dat was een tweehonderdveertiener. Zij is als de bliksem. En jij, arme oudgediende, zoudt willen boffen op uw slakkengangetje ! Hahaha, jij predikt mij over bescheidenheid maar het schijnt dat zij geen van jouw beste deugden is !”

De machine gaf geen antwoord, klapperde verachtelijk met de kleine venstertjes van de stuurhut en dacht hij zichzelf : “Spreken is zilver, zwijgen is goud”.

De wagen kreeg geen antwoord, verveelde zich en zweeg op zijn beurt.

De volgende dag kwamen twee mannen aan, hielden halt voor de machine en voerden volgend gesprek :

“Dus, dat is ze, heer ingenieur.

— En jij meent dat wij met haar naar Rustoord kunnen rijden ?

— Beslist. Ik onderzocht ze genoeg en bevond alles in orde.

— Dan zullen wij het proberen.

— Ja zeker, heer ingenieur.”

De ingenieur bekeek de éoude kisté van alle kanten, klauterde in de stuurhut en knikte bevredigend :

“Goed zo. Laat ze morgen aansteken.

— Zal gedaan worden, heer ingenieur !”

Beiden verwijderden zich. Wanneer ze buiten gehoorsafstand waren zegde de machine triomferend :

“Wel, oude spotter, wat zeg je nu ?

Beschaving is,
in de eerste plaats,
zoeken naar gemeenschap.
Men is onbeschaafd
en barbaars
in de mate dat men
niet omziet nartr zijn naaste.

J. Ortega y Gasset.

— Hm, wat zou ik zeggen, geloof jij dan werkelijk aan een nieuwe loopbaan ?

— En of ! Heb je niet gehoord wat die heren bespraken ? Oh, wat ben ik toch blij !

— Wees maar niet te zeer verheugd, grootmoeder, je zoudt wel eens het vel van de beer kunnen verkopen vooraleer hij geschoten is !

— Waarom zeg je altijd grootmoeder ? Hou dan toch op met die beledigingen ! Voor de rest, wanneer ik stoom heb zal ik je eens op je plaats zetten ! En nu, goede nacht, droom jij maar van wat voor mij werkelijkheid gaat worden !”

De wagen bromde iets tussen zijn tanden.

In de vroege morgen kwam een man. Hij droeg een bundeltje brandhout en klauterde met zijn last in de stuurhut. Gans verwonderd en verschrikt piepend vloog een zwaluw uit de schoorsteen. Achter haar aan, waggelden, reeds half in zwarte rook gehuld, drie jongen.

Bezorgd fladderde de moeder erom heen. Het was hoogtijd om er vandoor te gaan. Donkere rookwolken, immer dikker en dikker, stegen in de lichtblauwe hemel. Daarop begon de stoom door enige kranen te sissen en toen de ingenieur aankwam was de man in de stuurhut gereed en stond de machine klaar voor de start. Inmiddels had ook de wagen zijn stel wielen bijgekregen. Probeer eens, Mijnheer De Valck, zei de ingenieur, wij kunnen dadelijk deze wagen verplaatsen, hij is weer in staat om te rijden !”

Machinist De Valck knikte en opende de stoomregelaar. De machine maakte een sprong en stootte met volle kracht tegen de wagen aan die schielijk vooruit schoot. “Maar De Valck jongen wat bezielt je toch ? Je slaat alles overhoop !

— Wees maar niet bang, de hefboom bewoog aanvankelijk zeer moeilijk en dan gleed hij plots terug.”

De vluchtende wagen werd met een remschoen tegengehouden.

Een werkman koppelde hem aan de traagjes aanrollende machine. De wagen kreeg een plaats op het spoor van het magazijn. Daar de rangeerder wegens het opspannen van de koppeling niet kon afhaken kreeg onze wagen nog een krachtige afscheidsstomp in de ribben, dit als laatste vaarwel van de wraakzuchtige locomotief ; de wagen incasseerde deze stoot al waggelend, net alsof hij er zich dankbaar om voelde.

De ingenieur klom in de stuurhut. Het signaal kwam weldra op “veilig”. De anderstationschef gaf het teken “vertrek” ! Sissend en dampend reed de eenentwintiger uit het station. De bedienden staarden haar lachend na.

Zij gaf het beste van zichzelf. Velden, weiden en kleine dorpen vlogen voorbij. Zestig kilometer ! “Niet overdrijven De Valck”, waarschuwde de ingenieur.

“Neen, neen, ze zal het wel aankunnen !”, lachte de machinist. En “of” ze het uithield !

Kuchend en proetsend rende zij een berg op en piepte vergenoegd toen, in een station, de remmen haar geboden te stoppen. Een hogere ambtenaar kwam aangetreden :

“Dus, dat is ze ? vroeg hij aan de ingenieur.

— Ja, heer directeur. Zij bolt nog onberispelijk, voor haar is het eigenlijk spijtig !

— Kom, kom, laat ons niet sentimenteel doen, zij heeft haar taak vervuld en haar dagen zijn geteld, antwoordde de ambtenaar. Zal het met ons niet net eender gaan ? voegde hij er nadenkend aan toe. Te Wijkstad stond zij toch in de weg. Rij maar op, binnen een uur kun je te Rustoord zijn ; men verwacht er je trouwens reeds !

— In orde, heer directeur !“

De ingenieur groette. De machinist trok de stoomregelaar open.

Sissend drong de stoom in de cilinder. In weinige tijd werd de maximumsnelheid bereikt. De hijgende machine toverde in het voortijlend landschap als het ware een luchtspiegeling uit vervlogene, meer gemoedelijke tijden.

Stilaan viel de duisternis. Lichten daagden op en verdwenen. Seinen blonken. Een donkere grauwheid hing over de rails. Daar doorheen raasde de eenentwintiger voort, waggelend en sidderend door gans haar leden. Reusachtige gensters schoten uit de schouw en vielen als een regen van vuur ten gronde waar de grootste nog lustig in het ronde sprongen, alsof zij een dans uitvoerden. Zij bolde maar immer voort door de duisternis. Volgens haar, naar haar geluk. Arme, oude kist, hoe zul je ontgoocheld zijn ! Doch hoop, want de hoop geeft ons kracht, geluk en moed om voort te leven.

“Als ’t u belieft, Mijnheer, sluitingsuur !” Als uit een droom ontwakend wrijf ik mij de ogen uit.

“Ja, Mijnheer, om zes uur wordt het museum gesloten !”

Naast mij staat de bediende van het museum en vóór mij een oude, trotse machine, reeks eenentwintig, met een blinkende plaat op de borst waarop te lezen staat : “1900 : machine van de koninklijke trein”.


Bron : Het Spoor, november 1960