Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > De dienstpet van de chef

De dienstpet van de chef

S. Ville.

lundi 14 avril 2014, par rixke

De rode dienstpet is het symbool van het gezag dat uitstraalt van de talrijke schare ambtenaars van alle rang, die vol bevoegdheid het roer van onze stations in handen houden. Zij is het enige tastbare teken van het gezag dat zowel door het publiek als door het personeel, zonder enige betwisting, erkend wordt. Zij is een voorrecht, dat aan zijn bezitter een rustig, aanzien en een benijdenswaardige vermaardheid verleent die doorgaans nog toenemen naarmate de plaatsen, waar deze gevechtsposten van het spoor liggen, met minder luister omgeven zijn. Zij is het mikpunt van de eerder schaarse lofbetuigingen en nog meer van de menigvuldige klachten, die haar sympathieke populariteit haar bezorgt.

Een dienstpet dragen betekent verantwoordelijkheid en plichten op zich nemen, die zo veelvuldig als verscheiden zijn, en heel wat moeilijker te torsen dan velen denken. Heel wat jonge spoormannen hebben hun eerste roodfluwelen dienstpet met de keerzijde van hun mouw gestreeld en hebben haar met innige ontroering beschouwd als de bekroning van een langdurige inspanning vol studies en opofferingen, en nochtans betekende dit maagdelijk hoofddeksel voor hen maar een begin, en welk een begin !

Van nu af zullen zij op hun eigen benen moeten staan, met het onbekende vóór zich, en zullen zij moeten kampen met de talloze eigenaardigheden van hun verruimde verplichtingen, tot de laatste dag van hun loopbaan ; zij zullen nooit meer hun eigen meester mogen zijn en, zoals de trouwe bedienaars van een edelmoedige eredienst, zullen zij, dag en nacht op de bres staan om het hoofd te bieden aan al de moeilijkheden van de trafiek.

Met andere woorden, deze geliefde en plechtige dienstpet geeft, met haar rode kleur, gestalte aan een geheel van wilskracht, geduld en toewijding. Zij, die haar ontvangen, zijn voorbeschikt om tot het kruim van de mensheid te behoren ! Dit betekent evenwel niet dat onze stationschefs strenge, stugge en afgemeten mensen zijn. In ’t geheel niet ! Zij zijn zoals vele anderen : zij gaan schuil onder een dubbele persoonlijkheid, de officiële en de andere, die dé dienstpet moeilijk kan verhelen.

Bekijk deze dienstpet eens : breed, trots, heel en al klatergoud, omringd met gouden boordsels, netjes recht op de schedel, de platte klep amper boven de haarwortels van het voorhoofd ; het is de dienstpet van een nauwgezet man, tuchtvol, een beetje fier, bewust van zijn gezag dat hij laat aanvoelen om het niet te moeten gebruiken. En die andere, geplant op een wilskrachtige kop, een beetje verkreukeld door de driftige rukken, waarvan de klep een vluchtige blik overkoepelt als om hem nog verder te laten doordringen. Het is de pet van een zenuwmens die nooit rustig wordt en zich hals over kop in de spoorwegslag stort. En hoe vindt gij die dan, ietwat scheef op het hoofd van haar goedige eigenaar, maar waarachter het rustige gemoed schuilt van een chef die houdt van zijn beroep en van het leven en die er geen kwaad van verwacht, omdat hij mans genoeg is om het onvoorziene te overwinnen ! Dan is er nog, tussen deze indrukwekkende reeks hoofddeksels, de pet die alles verbergt, vastgeschroefd zit tot aan de oren, met een vrankweg in de hoogte wijzende klep, waaronder de rustige trekken naar voren treden van een denker die in zijn overpeinzingen verzonken is. Allen verwerven trouwens instinctmatig een lichte schijn van onschuldige zelfgenoegzaamheid die volledig strookt met het plaatselijk gezag dat zij verpersoonlijken.

Maar, de dienstpet verliest wel eens dat glimpje aanmatiging en wordt droef te moede, wanneer zij, haastig neergesmakt op een schrijftafel of, brutaal aan een kapstok gehaakt, eenzaam hangt te bengelen, tijdens de stille uren, en met heimwee haar chef beloert, die bekommerd, peinzend en teruggetrokken achter zijn werktafel zit en vlijtig aan het wachtend papier de vruchten toevertrouwt van zijn overpeinzingen, zijn ondervinding, zijn nauwlettendheid, zijn ontboezemingen, zijn plannen en zijn hoop. Hij klaagt op zachte toon, vaart uit, windt zich op, wordt rood en tiert tegen die veeleisende formulieren die hem aan zijn stoel spijkeren en hem weerhouden van wat zijn gans bestaan uitmaakt : de ruimte en de beweging. Een rode dienstpet Is immers gemaakt voor de open lucht ! Waarom moet zij haar stijf bovenvlak nutteloos verslijten op een roerloze werktafel of op het kille marmer van een schouw, zij die vergroeid is met de wind, de regen en de zon ?

Maar wat baat het, zich op te winden of ongeduldig te zijn ? Wachten is, de boodschap ! Kijk ! De zetel knarst plots achteruit over het parket ! Eindelijk ! Een fluks gebaar en daar gaat onze pet haar normale bestemming tegemoet : het hoofd van haar eigenaar. Een kleine ruk om weer op haar gemak te zijn, netjes op haar plaats, in haar gewone doening, en dan, naar buiten ! Wat een opluchting ! Ergens rinkelt een bel. Weer naar binnen ? Neen, ’t was maar een vals alarm. Even stilhouden, nog een halte en dan nog een. Wie zijn toch al die nieuwsgierige, lastige mensen die immer haar gang komen onderbreken. Dat de trein maar spoedig aankomt en wegrijdt, want dan pas wordt de wandeling door niets meer gestoord.

Langs effen paden, verraderlijke sporen, wazige stationstunnels, zwartberookte bureaus, hoogmoedige seinhuizen en geurende wagens, vervolgt de dienstpet eindelijk haar speurende weg. Stilaan, wordt haar binnenkant langs onderen vochtig : zij slorpt de gejaagdheid op die onder haar gestadig aangroeit, zij windt zich op, glijdt naar voren, dan naar achteren, dan naar links, dan naar rechts, als een speelbal van de zwenkingen die haar onweerstaanbaar dooreenschudden. Een korte ruk plakt haar opnieuw op haar plaats en houdt haar koest, terwijl nu een regelmatige en volgehouden kadans begint die haar geruststelt en haar doet indommelen. Met een beetje geluk wordt zij straks zonder horten of stoten, ja zelfs met tederheid, neergelegd In de kast waar zij haar nachten doorbrengt.

Wat doet een dienstpet wanneer zij slaapt ? Zij sluimert... met een half oog, schrikt op wanneer de flikkerende treinstellen tegen elkaar aanbotsen, en rafelt haar angstige droom uiteen op het ritme van de dolle treinen die, in hun vlucht door de nacht, over de wissels denderen. O ! wat zou het zalig zijn niets te horen, niets meer te weten en weg te zinken in een volkomen zorgeloosheid om van enkele uren diepe rust te genieten. Helaas ! Dat is haar deel niet. Zij weet maar al te best dat de ziel van de chef ook de hare geworden is, dat zij niet mag pruttelen tegen het lot dat haar zoveel last en kommer deed overwinnen. Zij weet dat zij de zorg heeft over een ganse hoop mensen die op haar rekenen. Dit besef maakt haar trots, beurt haar op en troost haar. Morgen, zal een ochtendbriesje de nachtelijke sluiers wegvagen en haar, met de opkomende dag, haar levenskracht en frisheid terugschenken.

Eerbiedwaardige, onvermoeibare rode dienstpet, uw blijmoedigheid die bij iedere nieuwe morgenstond nieuwe krachten krijgt, versterkt uw immer frisse levenskracht. Met bewondering buig ik voor u, al staat gij recht of scheef.


Bron : Het Spoor, december 1960