Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Ode aan de spoorweg (II)

Ode aan de spoorweg (II)

(Vrij bewerkt naar “Chants et Chantres du Rail”, een werk van Roger Gillard.)

lundi 2 juin 2014, par rixke

“Elke vernieuwing, heeft Alfred Sauvy geschreven, is monsterachtig voorhistorisch” [1]. Volstaat deze uitspraak om de afkeer, de spot, het wantrouwen te begrijpen waarmee het spoor in zijn jonge jaren bejegend werd ?... Coppée, de hartstochtelijke bard van de armen, ziet in het “ijzeren paard” alleen de blinde en afstotelijke vervoerder van de menselijke ellende.

In het overigens zo prachtige “La Maison du Berger” van Vigny lezen wij deze onrustbarende raad :

haten wij deze wegen vermijden... Het menselijk schepsel
Ademt en ziel slechts, in heel de natuur.
Een zwoele mist waardoor een bliksem boort...

In hetzelfde jaar waarin Vigny deze verzen dichtte, d.i. in 1842, publiceerde een zekere F.J.B. Noël een boek waarvan de titel aan duidelijkheid niets te wensen overlaat : “De spoorwegen zullen Frankrijk, en meer bepaaldelijk de steden die zij aandoen, ruïneren”.

Twee jaar later barstte Amédée Pommier uit in een vloed van weeklachten :

Zingt ons de lof van de stoom en de spoorwegen,
Een mooi middeltje om onze rampen te breken,
Een vernuftig geheim om ons met massa’s te doden
En ons te braden in het vuur van de hel !

Voor Jules Lefèbvre is de locomotief een “tegennatuurlijk gevaarte” en “sneller gaan is vroeger sterven”. Wat Montalembert betreft, indien hij niet meehuilt in het koor der vergruizers van “dit middel tot rijkdom”, dan wil hij het nochtans verwijzen naar de plaats die het toekomt. “Laten wij het verbannen, zei hij, laten wij de stoffelijke voordelen verwijzen naar de ondergeschikte en lagere rang die hen past, beneden alles wat de grootheid van een natie uitmaakt... Laten wij ons verzetten tegen dit enthousiasme van handelsreizigers dat een massa van doodgewone stervelingen overmeesterd heeft...”

“Wanneer de spoorweg in volle activiteit zal zijn, verkondigt, op zijn beurt, Alphonse Karr op hekelende toon, zullen er treinen zijn die vijftienduizend reizigers vervoeren ; kijk, daar staan ze aan de grens ; hebt gij daar een leger van vijftienduizend douaniers om de valiezen te onderzoeken ? Dat zal moeilijk gaan. Doch, indien gij ze niet hebt, zult gij de reizigers, op zijn minst, al de tijd doen verliezen die zij ingewonnen hebben door per spoor te reizen. Met de gewone voertuigen zijn zij langer onderweg, maar, daar zij zich slechts met een twaalftal tegelijkertijd aan de grens aanbieden, veroorzaken de tolformaliteiten slechts een onbeduidende vertraging. Uw spoorweg is belachelijk en overbodig...”

Een kenschetsende weergave van de gevoelens die opgeld maakten in het toenmalige Europa, zijn deze onstuimige woorden die Erckmann-Chatrian [2] in de mond leggen van de pittoreske “Maître Daniel Rock”.

“Beeldt men zich in dat wij zullen geloven dat die grote spoorweg, die onze velden moet doorkruisen, die ons koren, ons vee, onze planken, onze balken, tot zelfs de vissen van onze rivieren en het wild van onze bossen zal weghalen voor een handvol geld dat men ons nonchalant zal toegooien, beeldt men zich in dat wij zullen geloven dat het in ons belang is dat men hem wil oprichten ? Men moet ons wel voor grote onnozelaars houden.”

En de geduchte Daniel Rock, op wie het ontwerp voor de bouw van een lijn die Nancy met Straatsburg zou verbinden, werkte als een rode lap op een stier, vervolgde aldus : “Kinderen, past op ! De geest der duisternis nadert uw bergen ; als een serpent kruipt hij vooruit in uw valeien... Indien gij de moed niet hebt hem weerstand te bieden, indien gij het houweel of de spade niet neemt om zijn onderaardse weg te vernietigen, wee u dan, want gij zijt verloren.”

Louis Veuillot, op zijn beurt, ziet in de spoorwegen : “de lompe uitdrukking van de verachting der persoonlijkheid en de vernietiging van de vrijheid”. Verachting voor de persoonlijkheid ? Arme Louis Veuillot, in werkelijkheid was hij zozeer verblind door zijn fanatisme dat het hem aan naastenliefde ontbrak ten overstaan van al diegenen die zijn opvattingen niet deelden ! “Bestaat er iets droevigere dan een station ?... schreef hij nog. Ik zie er slechts bedrukte en sombere gezichten. Vooral de bedienden zijn deerniswaardig. Immer worden zij her en der geschud in dit hels gedoe, immer worden zij meegesleurd door deze maalstroom !... Het is gewoon huiveringwekkend. Bij het zien van deze in brigades ingedeelde en genummerde hoop mannen die rondlopen en lasten sjouwen, die de dag des Heren niet meer kennen, die zelfs geen chef hebben van wie ze kunnen houden, maar lijfeigenen zijn van een collectief wezen, de administratie, welke andere lijfeigenen als spreekbuis voor haar korte onderrichtingen gebruikt, oh ! hoe droevig herhaalt men dan het woord van de goddelijke Meester : Misereor super turbam.”

Bepaalde aanvallen tegen het spoor namen, zoals wij zien, nu en dan, een apocalyptische wending aan. Een ander voorbeeld is deze hoogdravende uitval die men, niet zonder ontzetting, leest in een nummer van de “Revue de Bretagne et de Vendée” van 1891 :

Draak, wie gaf u de toelating om onze aarde te overrompelen
En ons de werken van Satan de brengen ?...

... schreeuwen de twee bewaarengelen van onze planeet... Helaas ! de afschuwelijke machine hoort hun smeekbede niet :

Gekneveld in het beest, brulde Satans ziel
Terwijl zij haar verdorven inzichten botvierde ;
Het monster dat vuur en vlam spuwde,
Maakte een sprong en verbrijzelde
Al rijdende de twee heilige lichamen...

Is de locomotief een duivel ? Het beeld is niet nieuw. In feite, krioelt de spoorwegliteratuur van de XIXe eeuw ervan. “O dochter van de hel”, roept Lachambeaudie uit.

Laten wij ook nog even aanstippen dat men aan de spoorwegen een noodlottige invloed op de godsdienst en de moraal toeschreef. Ferdinand II, koning van Napels, die ongetwijfeld Veuillot las, bestempelde de treinen als “onzedelijke” tuigen, die de “losbandigheid bevorderden” zoals generaal baron de Thiard beweerde, en “duivelachtig” waren zoals Jehan de Villejean vol ergernis uitriep. “Spoorweg, duivelsweg”, zei men vijftig jaar geleden nog altijd in Wallonië.

Musset, Balzac, Stendhal, Flaubert, Alphonse Daudet en zelfs Hugo, schenen, tenminste, in de eerste jaren, geenszins enthousiast over de opkomst van het ijzeren spoor [3]. “Het is een misbaksel”, verklaarde de schrijver van de “Légende des Siècles” in 1836. Maar het jaar daarna — meer bepaaldelijk op 21 augustus 1837 — schreef hij aan zijn vrouw : “Ik heb me verzoend met de spoorwegen ; zij zijn beslist mooi. De eerste die ik zag was slechts een gemene fabrieksweg [4]. Gisteren reisde ik van Antwerpen naar Brussel en terug. Ik vertrok te tien over vier en te kwart over acht was ik reeds terug. Ondertussen verbleef ik gedurende vijf kwartier te Brussel en legde ik drieëntwintig Franse mijlen af.”

De karikaturisten, van hun kant, bleven natuurlijk niet in gebreke om de draak te steken met het spoor. Onder de meest beroemde tekeningen kan men die van Cham, Grandville, Bertall en Daumier aanstippen. Een werk van deze laatste is buitengewoon geestig. Het stelt een wanordelijke menigte reizigers voor, opeengepakt op het dak van een wagen ; het onderschrift luidde als volgt : Mijne Heren, wij rijden de grote tunnel in die zeer eng is... ; beweeg, asjeblieft, niet ; er gaat geen reis voorbij zonder dat er iemand een arm, een been of een neus verliest... en gij begrijpt wel dat de Administratie dat alles onmogelijk kan terugvinden in deze donkere onderaardse gang die tien mijlen lang is !”

Wat de liedjeszangers betreft, velen van deze moderne lyrische dichters hebben in de spoorwegen een ideaal voedsel gevonden voor hun honger naar bijtende spot. Maar wie onder ons herinnert zich nog Louis Festeau, Rabineau, Charles Gilles, de beroemde Paulus ? En wordt zelfs Dranem niet een beetje vergeten ? Dranem en zijn boertige refreintjes.

Heel zacht, heel zacht, heel zachtjesaan...

Tekenaars en liedjeszangers hebben dus de spoorwegen ontdekt. Op hun beurt zullen de meesters van het penseel ze begroeten... Maar laten wij niet op dé feiten vooruit lopen. Want dit is, inderdaad, een gans andere geschiedenis.

Niet alleen de mensen uit de wereld van de letterkunde en het toneel bejegenden de spoorwegen met tegenkanting, wantrouwen en onverschilligheid. Vermaarde geleerden, zoals François Arago, voorspelden hun een sombere toekomst. Zelfs de politiek bestreed hen — en heftig. Maar de grote, de enige echte vijanden waren ontegensprekelijk de plagerij, de bekrompenheid, de ontwetendheid en het egoïsme van sommige mensen. Meer dan één groot landeigenaar beschouwde het spoor als een nutteloze grondverspilling. Heeft men niet beweerd dat de rook der treinen de vogels zou doden en de mensen ziek zou maken, dat de langs de spoorweg gelegen huizen vuur zouden vatten door de vonken die uit de locomotief spatten, dat de kippen geen eieren meer zouden leggen en dat de melk in de uiers van de koeien zou verdrogen ? “Elk ogenblik zijn de reizigers aan de ergste gevaren blootgesteld, vertelde men in Engeland ; een ontploffing van de stoomketel zal hen aan flarden rijten en hun familie zal hun zelfs geen christelijke begrafenis meer kunnen geven.” Geneesheren verklaarden zelfs dat het reizen per trein zenuwcrisissen, hysterische aandoeningen, oogziekten, vallende ziekte, jazelfs de Sint-Vitusdans zou kunnen verwekken.

De machinisten en de stokers zullen, zo zei men, omwille van de luchtkuur waaraan zij blootgesteld zijn, “monsterachtige vormen aannemen”. Wat de bedienden betreft, “het verblijf in dit onheilbrengend milieu zal bij hen bijzondere ontaardingen van zulk een hevigheid verwekken dat zij haast voortdurend in het hospitaal zullen vertoeven waardoor hun levensduur heel wat zal ingekort worden”.

Onwetendheid, plagerij, zegden wij... Natuurlijk waren dit geen tegenstanders met de afmetingen van een Goliath. Het spoor heeft deze vijanden overwonnen. In feite hebben de spoorwegen zonder veel moeilijkheden burgerrecht verworven. Hoe zou het ook mogelijk geweest zijn een onvermijdelijke evolutie in haar loop te stuiten ? Het spoor beantwoordde aan een behoefte, aan een noodwendigheid van het ogenblik. Zijn ontstaan verwekte geen plotse en opzienbarende herrie. Het spoor was niet getooid met de aureool van het Vuur noch met de echo van het Poeder ; het was evenmin het begin. Het was, eenvoudigweg, de som van die wonderbare ontdekkingen — grote en kleine — welke door vaak onbekende geleerden met moeite en geduld in de loop der eeuwen verzameld werden. Slechts wanneer alle gegevens gekend waren, wanneer alle organen, alle elementen gerangschikt, geëtiketteerd, nagezien waren, hebben de mensen de puzzel aaneengelast, en van duizend stofdeeltjes maakten zij een draaibank, en uit duizend onderdelen smeedden zij een titan.

Zo heeft het spoor de strijd gewonnen... “Op de stilte volgde dan het geluid, roept Pierre Dauzet uit, op de traagheid de snelheid, op de versnippering de krachtenbundeling ; na het eeuwenoude getreuzel kwam de vermetele opmars naar de toekomst”

Ja, het spoor heeft gewonnen. Vandaag reiken zijn voelhorens over de hele aardbol. Geen enkele maatschappij ter wereld, geen enkele onderneming kan met het spoor vergeleken worden ; geen onder hen bezit zulk arbeidskapitaal, zulke samenbundeling van energie, zulke buitengewone materiële en sociale verwezenlijking. Geen enkele maatschappij heeft ooit onder haar banier, in het teken van de vrede en de vooruitgang, deze reusachtige verzameling van mensen geschaard.

Maar zijn de cijfers hier niet welsprekender dan de woorden ? De Amerikaanse spoorwegen benutten ongeveer 1.300.000 mensen ; de U.S.S.R., 1.200.000 ; Groot-Brittannië, 600.000 ; West-Duitsland, 500.000 ; Frankrijk, 380.000.

In één jaar vervoert Frankrijk gemiddeld 550 miljoen reizigers ; Groot-Brittannië, 950 miljoen ; West-Duitsland en de U.S.A., 1.200 miljoen ; de Republiek India, 1.300 miljoen ; de U.S.S.R., Japan en China, meer dan 1.500 miljoen.

Walschaerts

Onder de kleine landen prijkt België — met zijn 72.000 spoormannen — aan de kop van de erelijst met een jaarlijks vervoer van 230 miljoen reizigers. Maar is België niet bij uitstek het oord van het spoor ? De eerste trein van het Europese vasteland reed op 5 mei 1835 tussen Brussel en Mechelen. België had de eer het eerste land te zijn dat een volledig spoorwegennet ontwierp. En is het nogmaals België niet dat, in 1877, als eerste land in Europa de rem van de Amerikaan Westinghouse invoerde ? En is het ook België niet, ja nog altijd België, dat het dichtste spoorwegennet van de wereld bezit ? De organisatie van de Belgische spoorwegen werd sedert hun ontstaan door verscheidene, meestal grotere en machtigere landen tot voorbeeld genomen. In 1939 behaalde België met de locomotief 1203 de blauwe snelheidswimpel. Onlangs onderscheidde het zich met de inwijding van de “autonacht-expres”. Weet men wel dat Belgische spoormannen prijken tussen de meest beroemde namen van het spoor ? Denk aan Belpaire, wiens stoomketels vermaard zijn over de hele wereld ; Belleroche die zich, in 1844, deed opmerken door zijn verwarmingssysteem met stoom ; Walschaerts die een schaar voor stoomverdeling uitvond welke zijn naam draagt. Het is de Belg Nagelmackers die de slaapwagens in Europa werkelijk oprichtte. De beroemde compagnie van de “Wagons-Lits”, dit mogen wij wel even onderstrepen, heeft haar maatschappelijke zetel te Brussel. Brussel heeft tevens het voorrecht de zetel te zijn van het B.G.C., de U.I.M.C., de I.V.C.S., de Interfrigo, spoorwegorganismen waarover wij later zullen spreken.

Belpaire

Dit dynamisme van het Belgische spoor werd op meesterlijke wijze aangetoond in de Wereldtentoonstelling van 1958 te Brussel. Meer dan 40 miljoen bezoekers uit alle werelddelen hebben gelegenheid te over gehad om de verwezenlijkingen van de spoorwegen te bewonderen.

Zo zal het spoor, tijdens deze gedenkwaardige dagen, de slogan van de Tentoonstelling : “Balans van een wereld voor een menselijker wereld” bevestigd hebben, dank zij het heerlijke beeld dat hij de mensen heeft aangeboden, het veelvormige beeld van zijn veelvormig bestaan.


Bron : Het Spoor, september 1961


[1“Année ferroviaire 1951”, Plon, Parijs.

[2Alexandre Chatrian was, in het begin van zijn samenwerking met Emile Erckmann, een spoorman van het eerste uur ; hij werkte in de bureaus van de “Compagnie de l’Est” te Parijs.

[3Onder de groten van de literatuur van zijn tijd was het omzeggens Lamartine alleen die de spoorwegen genegen begroette, en dit van meetaf aan, met een bewonderenswaardige kracht en hardnekkigheid. “Ik wil spoorwegen, riep hij op 10 mei 1838 uit, in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Laten wij elkaar goed verstaan, Mijne Heren. Ik vraag niet dat een volledig net zomaar onvoorbereid zou opgericht worden, dat men op duizend plaatsen tegelijk de werken zou beginnen, maar nergens zou afwerken en het land aldus in een avontuur van twee miljard frank zou werpen. In de eerste plaats, wil ik er ene, een grote... Ik wil voor alles die van Parijs naar Brussel. Vervolgens wil ik die van Parijs naar Straatsburg, daarna die van Parijs naar Marseille. Ik wil spoorwegen die men onmiddellijk begint en snel en volledig voltooit...”

[4Zinspeling op een lijn voor het vervoer van steenkolen in de omgeving van Bergen.