Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Ode aan de spoorweg (III)

Ode aan de spoorweg (III)

(Vrij bewerkt naar “Chants et Chantres du Rail”, een werk van Roger Gillard.)

lundi 9 juin 2014, par rixke

  Sommaire  

Het spoor heeft Europa in zijn ban geslagen... het nodigt ons uit tot de vrolijke Reis !

“Bedwelming van het vertrek ! roept Emile Heuriot uit... Hier zit ik nu in mijn single, gelukkig, verwonderd, zonder erin te geloven. Veertien dagen vakantie. Wat een vreugde !” [1].

... De trein zet zich in beweging. Op zijn beurt deelt Paul Valéry ons zijn indrukken mee. “Plotseling is het alsof de tijd begint ; hij zet zich in beweging ; de trein wordt het evenbeeld van de tijd waarvan hij de stiptheid overneemt en de macht uitoefent. Hij verslindt de zichtbare dingen, schudt alle geestelijke waarden door elkaar, overrompelt met zijn massa het beeld van deze wereld, en laat struiken, huizen, provincies in het niet verdwijnen...” [2].

Men nadert Parijs ; het is nog vroeg in de morgen... “Een na één, schrijft Jules Romains, verdwenen de expressen in deze voorstad als in een struikgewas. De reizigers zagen hoe de huizen groter werden en samendrumden ; hoe de wegen samenkwamen en in straten veranderden. De nieuwaangekomenen meenden dat de beweging, die hen meevoerde, zich overplantte op de dingen ; dat deze groeiende massa Parijs was dat zich samenbundelde, net als uitgerafelde wolken die door de wind naar een cycloon gedreven worden... Zij hadden de indruk, dank zij de trein, een universele toeloop voorbij te steken, plaatsen in te winnen...” [3].

Elders beschrijft Jules Romains ons de doortocht van een sneltrein : “Geen haar van mijn hoofd werd, zoals men zegt, geraakt. Maar ik had de indruk dat het een onzichtbare verwoesting was, een uitrukking die niet doet bloeden, waarvan men niet sterft, maar waarvan men op een geheimzinnige wijze lijdt, alsof de ruimte die zo dicht bij ons vlees ligt, ons niet vreemd was...”

Henry Bataille bezingt de treinen die ergens ver in het station staan, “de treinen die dromen in de morgendauw” :

Ik hou van natte treinen die door de velden rijden,
De lange denderende goederentreinen
Die, tegen de regen, hun zware mantels van dekkleren dragen
Of die ganse nachten in de rangeerstations slapen [4].

En Anne de Noailles roept uit :

Ah ! hoe brandt in mijn hart die kreet
Vol verlangen naar treinen voor het platteland !...

Jules Verne, die tovenaar uit onze jeugd, leert ons de Russische stations kennen, werkelijk vreemde plaatsen, “die evenveel bezocht worden door hen die het vertrek gadeslaan als door hen die vertrekken...”

Er wordt daar zoiets “als een kleine nieuwsbeurs gehouden”, beweerde hij [5].

Een andere grootmeester van de Reis, Paul Morand voert ons, met de Simplon-Orient Expres, naar de boorden van de Zee van Marmaru [6]. Ofwel laat hij ons binnendringen in de intimiteit van een derde klas rijtuig, ergens in de Franse vlakte. Zoals in de vertellingen van Canterbury, is er een non die haar rozenkrans bidt en de soldaat die aan zijn veldfles drinkt, de handelsreiziger met zijn hobby en de gepensioneerde die zijn bankbriefjes telt, de jongeman die zijn liefdesbrieven herleest en het kind dat de vloer met zijn snipperingen bestrooit” [7]. Een luik uit een landelijk tafereel, een spoorwegkiekje !... Maar zouden deze bekoorlijke scenes zich niet in welk hoekje ook van Europa hebben kunnen afspelen, daar waar het spoor reeds zijn macht uitgespreid had, daar waar de nieuwe tijden reeds begonnen waren ?


Bron : Het Spoor, oktober 1961


[1“La Rose de Bratislava”.

[2“Le Retour de Hollande”.

[3“Le Six Octobre”.

[4“Le Beau Voyage”.

[5“Michel Strogoff”.

[6“Ouvert la Nuit”.

[7“Chronique de l’Homme maigre”.