Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Ode aan de spoorweg (IX)

Ode aan de spoorweg (IX)

(Vrij bewerkt naar “Chants et Chantres du Rail”, een werk van Roger Gillard.)

lundi 21 juillet 2014, par rixke

Betovering van het spoor die immer weerkeert en daarom juist de wereld vernieuwt ! Eens te meer werd de aardrijkskunde dooreengegooid, omgekeerd tot in haar diepste en meest geheime hoeken. Andermaal werden bomen geveld, werd de aarde omgewoeld. Want mensenhanden hebben zonderlinge dingen gemaakt die zich over de hele wereld verspreid hebben. Dat was de doorbraak van de bovenleidingen. Reeds hebben zij de grote grasvlakte, de groene weiden ingepalmd. Nu eens trekken zij door diepe valleien, dan weer over de kruinen der bergen. Morgen zullen zij doordringen tot het zand der woestijnen en tot de ijsvelden. Morgen... Morgen zullen zij het land van de blauwe mannen bereiken ; zij zullen in de uitgestrekte eenzame vlakten aankomen waar Gengis Khan droomde. Steeds talrijker en talrijker zullen zij de wereld omgeven met een reusachtig spinneweb, met duizelingwekkende draaimolens.

De bovenleidingen hebben voor het spoor een nieuw hoofdstuk ingeluid : een ontzaglijk hoofdstuk. Thans ligt de weg breed open, een weg gemaakt van het hemelse vuur !

En steeds maar verdubbelde het spoor zijn prestaties. Op 21 februari 1954 bereikte de locomotief CC 7121 op de lijn Dijon - Beaune een snelheid van 243 kilometer per uur. Doch, dit was slechts een begin. Eigenlijk was dit slechts de eerste bladzijde van het ontzaglijke hoofdstuk, de eerste lijn van de bladzijde, het eerste woord van de regel. Want het zou nog sneller gaan, steeds maar sneller en sneller ! Maar het spoor stond niet alleen in deze snelheidskoers. Al de reuzen, al de titanen, al wat de mens, met zijn bruisend vernuft, geschapen heeft, alles wat beweegt op de aarde, alles wat beweegt in de lucht, alles wat beweegt in het water, en de ijzeren machines, en de donders en de bliksems, en de woorden en de cijfers, de mannen en de goden, alles wordt meegesleurd in de strijd. En deze strijd wil het spoor niet verliezen. Waarom zou het alleen maar de wedloop van de snelheid willen betwisten ? Het spoor wil overal zijn, het wil een vlam zijn, een wervelwind, een orkaan. En zijn dromen vinden, huns gelijken slechts in zijn prestaties ! Het overschrijdt, het overtreft, het overklast. In maart 1955 onttronen twee elektrische locomotieven van de S.N.C.F., de CC. 7107 en de B.B. 9004 het wereldrecord van het spoor : 331 kilometer per uur... 91,444 meter per seconde.

Triomf van de spoorwegtechniek, triomf van de Franse techniek, triomf van de Europese techniek. “Ik breng hulde aan uw verwezenlijkingen”, zegde president Kroesjtsjev op 28 maart 1960 tot de Franse minister van Spoorwegen, tijdens een bezoek aan het trieerstation te Gevrey-Chambertin. “Verpak mij een van uw B.B.’s en zend ze zo gauw mogelijk naar Moskou !” Bij gebrek aan B.B.’s werd de baas van alle Russische staten die dag met twee elektrische miniatuurtreinen bedacht. Maar uitstel was geen afstel... Thans hebben de B.B.’s en de C.C.’s de U.S.S.R. veroverd.

Maar die vuurkogels, die bliksems, die wonderlijke locomotieven, wie bestuurt ze, waar kernen zij vandaan ? vraagt de met verstomming geslagen boer zich af... “Zij reden, schrijft Charles Antoine, zij reden over berg en dal, zij hijgden niet en waren nooit vermoeid. Men vertelde dat zij geen brandstof meer meevoeren, geen water meer nodig hebben... en dat één man, met zijn vingertoppen hun helse kracht bedwingt...”

Indien het waar is dat de dichters voortaan in de elektrische tractie belangstellen, dan zijn zij evenwel niet allen geneigd om onvoorwaardelijk haar lof te bezingen. Jean Villette, nog een spoorman, verielt ons zijn heimwee naar de oude stoom :

O ! herinnering aan het ritmische gezang van mijn taaie inspanning...
O ! herinnering aan het levendige gefluit van de vrienden die ik zag...
En die som van al de vluchtige ogenblikken waar ik van hield
Gaan nu met mij verdwijnen...

Paul Bay denkt met vertedering terug aan dat heerlijke verleden toen de Noordexpres nog gesleept werd door de bruine locomotief met de rookpluim :

Wanneer zie ik u weer, o bruine locomotief,
Al breiend met uw drijfstangen de bochten nemen,
Steeds maar driftig verder ijlend,
In een vluchtige, snelle ren ?
Hoe graag keek ik,
In de dromende valleien, na middernacht,
Naar die purperen gloed, vol schitterende vurigheid,
Wijl de stoker voor de vlammende vuurhaard,
Gezwind de kolenschop hanteert !
Al over de bruggen, langs kerkhoven heen,
Groet zij de seingever die, in zijn groene seinhuis,
Het ochtendkrieken verbeidt,
Met uw gegil en uw snijdende draad
Die de nachten van Frankrijk en België aaneen rijgt...

Ook Etienne Cattin spreekt ons over het verdwijnen van de rook, over het “Einde van de Spoorvreters”. Voor Valleraud, de zwartmuil, de triestige held uit zijn prachtige roman, “betekende de dood van de machine ook een beetje zijn eigen dood”. Valleraud is de man van de stoom. En de stoom beheerste zijn ganse leven : zijn jeugd, zijn eerste dromen en zijn eerste geestdrift, zijn strijd, zijn overwinningen. Kan hij dat wonderbare gebouw zo maar laten ineenstorten ? Kan hij die vernedering van zijn diepste wezen aanvaarden ? Die wereld van het nieuwe, welke onafwendbaar nadert, weigert hij te erkennen. De dood, een harde, onzinnige dood zal hem in volle baan verrassen, tussen al die dingen waarvan hij zozeer heeft gehouden, terwijl vele kilometers vandaan, in de motorwagen die de vlakten van het noorden doorklieft, zijn zoon Gustaaf glimlachend denkt dat hij zijn rit stipt zal volbrengen.

In “Die van het Spoor”, vinden wij op meet dan een plaats, gelijkaardige drama’s terug. Nochtans... “wat geeft het indien de zwartmuilen geen zwartmuilen meer zijn, schrijft Cattin ; wat geeft het indien de locomotieven van uiterlijk, van vorm en van drijfkracht veranderen ? Zij zullen evenzeer de ruimte blijven verslinden ! Zullen zij niet, beter nog dan hun oude zusters, de drang naar verre oorden bevredigen van de mannen die ze naar het eindpunt van hun reizen zullen voeren ?...”

Indien de locomotieven van uiterlijk veranderen... zij zullen evenzeer de ruimte blijven verslinden !

Er is een feit dat men moet aanvaarden als een noodzakelijkheid, als de logische, onafwendbare ontwikkeling van een opeenvolging van gebeurtenissen ; de elektrificatie kwam op haar tijd. Zij vervangt de stoom, net zoals de stoom het paard verving, net zoals zij later door een nog krachtigere aandrijving zal verdrongen worden. Het is de wel van de eeuwige evolutie. In deze eeuw van voortdurende omschakeling, van onophoudelijke verbeteringen, moeten wij meer dan ooit met onze tijd mee. Comfort, welvaart en idealen liggen aan de basis van de vooruitgang. Wie stilhoudt is reeds voorbijgestreefd. Het leven ligt in de toekomst en niet in een verwelkt verleden. De bijbelse tijden zijn dood, het tijdperk van de aartsvaders is voor altijd voorbij. Maar indien de mens zich niet als een indringer in die nieuwe wereld wil voelen, moet hij zich ten volle bewust zijn van zijn zware verplichtingen. De wereld gaat snel vooruit. De mens moet weten dat hij niet meer alleen staat. Wij moeten ons ervan overtuigen dat wij allen, wie of wat wij ook zijn, deel uitmaken van een gemeenschap, en dat wij, door ons werk voor die gemeenschap, door haar het beste van ons zelve te schenken, aan onze eigen opgang bouwen.


Bron : Het Spoor, april 1962