Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Mannen van het spoor (III)

Mannen van het spoor (III)

Marthe Englebert.

lundi 22 septembre 2014, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

Vóór het vertrek heeft hij heel de machine grondig geïnspecteerd, het peil van het koelwater en van de reserve aan stookolie nagegaan, het nazicht gedaan van de wielen, de rem, de ophanging, het koppeltoestel, de stootinrichting, de kast met de elektrische toestellen, de klemmenborden, de luchtpomp, de diverse pijpen en leidingen en dies meer ; hij heeft de olie gemeten die de motor smeert en de zuigers afkoelt, de kleptuimelaars overzien, de drukluchtventielen van de cilinders geopend en de motor getornd.

Eerlijkheidshalve moet ik hier zeggen dat dit alles niet uit mijn eigen koker komt. Ik heb enkel en alleen met de grootste aandacht geluisterd naar de technische uitleg van een ervaren vakman, die wis en zeker beter vertrouwd is met zijn wonderbare en ingewikkelde machine dan met de inhoud van zijn zakken.

De trein heeft weer aangezet, met bestemming naar Luik. Nu rijd ik, ingelicht en overtuigd, zonder schroom de helling af, met pijn in de lenden, want ik heb tot het uiterste mijn journalistieke plicht vervuld op het ongemakkelijke klapstoeltje van waar ik met eigen ogen heb kunnen zien wat een mens al niet moet doen en in het oog moet houden om een trein te besturen waarin de reiziger zo onbekommerd dommelt als zat hij, ergens in een hoekje van zijn salon, in een schommelstoel te sluimeren.

Om naar Brussel terug te keren heb ook ik mij ditmaal comfortabel in een coupé geïnstalleerd. Ik zat er alleen en toen de wachter voorbijkwam, heb ik hem welwillend verzocht te gaan zitten om een praatje te slaan. Dit is tevens mijn beroep en mijn zwakke kant. Jammer genoeg kwam daar niets van in huis. Hij sloeg mijn voorstel af :

— Het spijt me zeer, Mevrouw, maar het is mij verboden plaats te nemen in een coupé waarin een dame zich alleen bevindt.

Vaarwel, rustig hoekje, mollige bank en “relax”-rugleuning ! Hij heeft mij verzocht hem naar de pakwagen te volgen, wat ik zonder schaamte heb gedaan. En daar heeft hij mij verteld over zijn beroep.

Reiskaartjes, alstublieft...

— De functie van hoofdwachter biedt voorzeker steeds afwisselende bezigheden ?

— Laten we zeggen dat zich daarbij onvoorziene gebeurtenissen voordoen. En verlaat u maar op de reizigers om die uit te lokken : hun verbeelding op dit gebied kent geen grenzen. Het is werkelijk bevreemdend, voegt hij er mijmerend aan toe, hoe de angst de mensen overvalt zodra ze de voet in een station zetten ! Zelfs de verstandigste schiet er heel wat redelijkheid bij in, en wij staan soms werkelijk op het punt er ons geduld bij te verliezen !

Het is, inderdaad, op zijn minst verbijsterend hoe wij in deze cosmonautentijd nog een dwaze schrik kunnen ondergaan als het er om gaat naar het Holleken of naar Meslin-l’Evêque te reizen.

Waarom zou ik het verzwijgen ? Persoonlijk ontsnapte ik evenmin aan dit gebrek aan zelfvertrouwen waaraan alle spoorreizigers schijnen te lijden. Ik heb aan de kaartjesknipper het nummer van het vertrekperron gevraagd, waardoor ik een kleine opstopping veroorzaakte. Daar men nooit te voorzichtig kan zijn, heb ik nagegaan of zijn inlichting klopte met de aanduiding op de vertrektabel. Dit bleek het geval te zijn. Wat had ik anders moeten aanvangen ? Ik denk er maar liefst niet aan ! Met gerust gemoed heb ik mij de inlichting nog eens laten bevestigen door een bediende met een kepie, die bezijden de trein op en neerging. Hij was zo voorkomend me naar de ingang van het rijtuig te leiden en me mijn reiskoffer over te reiken. Toen hij mij achter de ruit zag verschijnen, knikte hij geruststellend.

Bij de aankomst van de hoofdwachter in de coupé, kon ik niet weerstaan aan de heimelijke lust hem vragen te stellen : we reden reeds door de buitenwijken van de stad en de teerling was geworpen. Nochtans scheen mijn vraag hem niet te verwonderen. Die mensen, welke dagelijks de treinen doorlopen, hebben begrip voor de gemoedstoestand van de reiziger. Ik ben er hun dankbaar voor.

Waarom zouden we, als we sporen, de valse indruk bewaren dat allen het voornemen koesteren om ons te doen verdwalen, net alsof het personeel van de Spoorwegmaatschappij er genoegen zou in vinden ons een gemene poets te bakken ?

— Ik kan u ten stelligste verzekeren dat daar niets van aan is, zegt met forse stem de hoofdwachter met wie ik het comfort van de pakwagen deel, en geloof me vrij, mevrouw, het is voor ons niet leuk wanneer een reiziger verkeerd is gelopen, dit meestal ten andere omdat hij het vertikte inlichtingen in te winnen.

— Bestaat er zo’n soort van reizigers ? mompelde ik ongelovig.

— Ze zijn, Goddank, weinig talrijk, want ze bezorgen ons meer last dan de wantrouwigen en de ongerusten die inlichtingen vragen aan de kruier, de dagbladverkoper, en aan elkeen die in een uniform steekt of een hoofddeksel draagt dat enigszins op een kepie lijkt.

Wie wil reizen, moet leren tellen !

V/el ja ! Sommigen stappen op de trein met het koene vertrouwen van de geruste gewetens : “Ge neemt de trein van de lijn Brussel - Eigenbrakel en ge stapt uit bij de zevende halte. Dus goed begrepen, als de trein voor de zevende maal voorbij Brussel stopt”.

Dat heeft hun neef hun op het hart gedrukt, en onze goede mensjes tellen af, zonder ook maar aan iemand iets te vragen, want hun neef weet het toch, nietwaar ? En ze belanden te Nijvel, met de laatste trein, zodat ze niet meer terug kunnen en voor de nacht naar het hotel moeten.

— Wat is er gebeurd ? Een kind kan toch tot zeven tellen.

— De neef heeft één detail uit het oog verloren : hij had de door hem dagelijks genomen stoptrein voor ogen, en zij stapten op een “semi-direct”.

En ziedaar hoe de hoofdwachter het soms met trouwe klanten van het spoor aan de stok krijgt. Laten wij er onmiddellijk aan toevoegen dat hij daarbij zeer hoffelijk blijft, want overal waar zijn tussenkomst wordt ingeroepen, tracht hij de gestoorde vrede te herstellen.


Bron : Het Spoor, april 1963