Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Spoorlandschappen (I)

Spoorlandschappen (I)

Vrij bewerkt naar “Paysages ferroviaires” van J. Delmelle.

lundi 29 septembre 2014, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

I. Verandering van decor.

Scanderende wielen, licht slingerende beweging, ventilatie van lucht die stroomt door een neergelaten ruit : een trein voert zijn passagiers mee tegen honderd kilometer per uur. De reis is bijna ten einde. De machinist matigt de vaart van de trein en vertraagt geleidelijk. Het spoor ontvouwt zich tot een brede waaier. Men heeft voor hem de rails gekozen die zijn trein langs het goede perron leiden. Een geur van vergruisde vuursteen verspreidt zich over de lengte van de trein die remt en dan stilhoudt. Een dame stapt uit een rijtuig tweede klas. Van uit het raam van haar compartiment heeft zij haar geboortegrond opnieuw ontdekt en morgen zal zij een brief schrijven die haar indrukken samenvat : “Als een druiventros, waarvan zij de vorm heeft, perste ik mijn geboortestreek om al het geluk te drinken dat zij voor mij gerijpt had”.

Terugkeren naar het ouderlijk huis of het verlaten, de plaatsen weerzien waar onze herinneringen verlangend op ons wachten, nieuwe horizonten en onbekende gezichten ontdekken : dat zijn de factoren die het toerisme een verbazende ontwikkeling hebben geschonken ! En het is de spoorweg die, als eerste, lang voor de auto en het vliegtuig, een universele en praktische remedie bezorgd heeft voor de reiskoorts die de mens van tijd tot tijd aantast. Hij is het die de vervoeging van het werkwoord “vertrekken” in alle tijden en in alle wijzen veralgemeend heeft.

Ofschoon de spoorweg aan de basis ligt van het hedendaagse toerisme, wordt hij erdoor soms met waarlijk weinig erkentelijkheid voor vandaal uitgescholden. Veertig jaar geleden drukte een toeristisch tijdschrift deze ontnuchterende tekst : Het belang van het schilderachtige is vervaagd en wordt nog te dikwijls verdrongen door de utilitaire beschouwingen van economische, politieke of strategische aard. Men moet plaats maken voor het spoor ; eerst komen de werkterreinen, daarna de werken zelf de landschappen overrompelen. Men holt de flanken van de heuvels uit, men hakt brede stroken in de wouden, men zet in de bergstromen de pijlers van een of andere enorme hangbrug waarvan het massief silhouet een hele vallei aan het oog zal onttrekken. En weldra zullen de treinen erover rijden met volle stoom, vergezeld van lawaai en rook.

Ingeleid door de spoorweg, heeft het tijdvak van de mechaniek naast andere zaken, het voorkomen van het aardse landschap grondig gewijzigd. Maar het is even vergeefs dit te betreuren als te klagen over het onherroepelijk verlies van het legendarische paradijs onzer eerste ouders of de verdwijning van het heerlijke leventje uit de goede oude tijd. Zoals men niet ontkomt aan zijn lot, ontsnapt men evenmin aan zijn tijd, aan de krachten die hij schept, aan de beweging die hij doet ontstaan, aan de evolutie die hij bepaalt, aan de wijzigingen die hij aanbrengt aan wat vroeger bestond en aan de aspiraties die hij opwekt en wier toekomst hij met een hypotheek belast. Met zijn verticale bouwtrant, zijn hoekige silhouetten, zijn als staal zo scherpe en zo schitterende logica, zijn functionele aanpassing en vaste formules die elke traditie verloochenen, kan ons tijdvak ons zonder ziel schijnen en een verval van ons esthetisch gevoel kenmerken. Is het echter ook niet terzelfder tijd verbazend, wonderlijk, opwindend en mooi ? Zijn schoonheid verrast en misschien ontgaat ons nog zijn klaarblijkelijkheid. Een doek van Paul Delvaux, Het ijzeren Tijdperk, te bezichtigen in het Museum voor Schone Kunsten te Oostende, illustreert op vernuftige wijze de tegenstrijdige gevoelens welke de mens ervaart die, enerzijds, geconfronteerd wordt met de perfectie en de onveranderlijkheid van de schoonheid (in dit, geval voorgesteld door een neerliggende vrouw) en, anderzijds, met de nieuwe schoonheid voortspruitend uit de aaneenschakeling der omstandigheden, uit de ijverige vorderingen van de wetenschap en uit de aanhoudende nieuwigheden van de techniek. Die nieuwe schoonheid wordt in het werk van de surrealistische schilder gesuggereerd door een station.

De machine-godheid — vooral de trein — heeft dus de mens onderworpen aan verscheidene imperatieven. Zij heeft langzamerhand het decor van zijn bestaan gereorganiseerd en het kost moeite zich thans in te denken hoe het er een eeuw geleden uitzag, alvorens de aarde omspannen werd met het stalen net van rails die steden en dorpen en streken en landen verbinden. Het is aan die gedaanteverwisseling van het landschap, veroorzaakt door de spoorweg, dat wij dit werk willen opdragen, zonder evenwel te vervallen in technische gegevens die alleen ingenieurs in vervoering brengen.

Vóór dat de spoorweg bestond, hadden de mensen nauwelijks iets veranderd aan de primitieve gestalte der aarde. Men zou kunnen zeggen dat ze deze hadden aangepast aan de noodwendigheden van het bestaan door het bouwen van agglomeraties om zich te herbergen, door het aanleggen van paden, wegen en banen om handelsbetrekkingen met hun buren aan te knopen, door het ontbossen van lapjes grond, soms door het bouwen van een aquaduct, het werpen van een brug over een rivier, het graven van een kanaal... Doorgaans — en terecht — waagden zij zich niet aan zware constructies die schril zouden afsteken bij de omgeving. De topografie der streken en het principe : de functie schept het orgaan rechtvaardigden de meeste dezer werken, welke werden uitgevoerd zonder bekommering om het een of andere gezamenlijk plan en gerealiseerd met materialen uit de streek zelf. Deze werken beantwoorden dikwijls alleen aan strikt lokale noodwendigheden. Hun bestemming was beperkt in de ruimte en er was onder hen nagenoeg geen onderlinge samenhang, behalve in enkele zeer bijzondere gevallen, wanneer het belang de enge begrenzing van een klein gewest overschreed. Zo werden, om het aan de zee gelegen Vlaanderen te beschermen tegen de steeds dreigende overstromingen, al vroeg aarden wallen opgeworpen langs onze kust. Ze beschermden de gronden tegen het periodieke watergeweld. Zo werden ook, om de herhaalde overstromingen van de Demer tegen te gaan, in de zeventiende en achttiende eeuw, verscheidene lapmiddelen aangewend, zowel door de Antwerpenaars als door de Brabanders en de Luikenaars, zonder evenwel de gewenste redding te brengen.

Zoals reeds gezegd, heeft het tijdvak van de mechaniek een omwenteling in de vorm van het landschap teweeggebracht. In “Banlieue de Paris” beschreef Blaise Cendrars het decor uit de omgeving van de Franse hoofdstad : Drancy, Bobigny, Pantin, La Courneuve, Aubervilliers, Saint-Ouen, Clichy, Gennevilliers, gasfabrieken, hospitalen, dokken, gestichten, elektrische Centrales, nachtasielen, trieerstations, kerkhoven, scholen, missies, Leger des Heils, sportpleinen, slachthuizen, vodden- en beestenmarkten, bakkerijen, goederenloodsen, militaire opslagplaatsen, kloosters, kapellen, Amerikaanse stocks, clandestiene propagandaclubs, vergaderzalen, stadions waar de publieke meetings worden gehouden en de stakingspiketten worden aangeduid, populaire soepuitdelingen, weeshuizen, gaarkeukens en, zoals overal elders, op de hoeken der straten, “Au Bon Coin”, een kroeg, tien kroegen, honderd kroegen, duizenden kroegen, kroegen van laag allooi en, zover het oog reikt, huizen die tot de ellendigste van de Parijse voorsteden behoren, gebouwd op drassige grond, in een troosteloos landschap uitsluitend samengesteld uit gedoofde of rokende schoorstenen van verlaten of volop werkende fabrieken, die verderfelijke uitwasemingen verspreiden en de stank van de stokerijen, de kanalen waarvan het water gevlamd is door de minerale oliën en chemische afval die men erin uitstort, de kleverige banen, ingezakt door het intens verkeer van de zware vrachtauto’s, slijk, regen, kolengruis, teerspatten, verschrompelde bomen, omvergeworpen of met menie bekladde reclameborden, opgebroken straten, zwart geworden paden, huisjes van slakkenbeton, van briketten, van plaatijzer, hopen gruis op de velden, opeengestapelde materialen, steigers en afbraken, werven die vollopen met doorsijpelend water, en kilometers, en kilometers prikkeldraad en hekken tussen de braakliggende gronden onder de laaghangende hemel, waar de verspreide rookslierten doorboord worden met het schrille gefluit van de locomotieven, van de treinen die voorbijsnellen onder de stortbuien...

Blaise Cendrars bezag het hedendaagse landschap met vermoeide en misleide ogen. Laten wij pogen het te benaderen met een nieuwe blik en laten wij de aarde, ons domein, bekijken alsof er geen hinderpalen waren.

In het begin van de negentiende eeuw tekent het tijdvak van de machine en de stoom, van de steenkool en het ijzer, zich nog maar vaag af tegen de horizon. Rondom een monumentale kern gevormd door kerken, kloosters, gestichten, herenhuizen, adellijke en gemeentelijke paleizen liggen de nog weinig ontwikkelde stadswijken. De industrie heeft hun omgeving en hun structuur niet beroerd en, tussen hun onaangetaste of in puin gevallen wallen, bewaren ze hun oude stelsels. De grijsaards herkennen er, ongerept, de landschappen en de vertrouwde gebouwen van hun jeugd. De straten zijn nauw en getuigen soms van een kalmte die heel dorps aandoet. De velden zijn rustig. De koeien grazen in de weiden en worden bij het kauwen niet gestoord door het voorbijrijden van die met rookpluimen getooide treinen welke nog tot de toekomst behoren. Een herder hoedt een kudde schapen. Akkers en boomgaarden, vlakten en heuvels volgen elkaar op en hun rust wordt zelfs niet verstoord door de angelusklok, waarvan het gelui in de gewoonten is opgenomen. De seizoentaken worden volbracht en de boer heeft geen andere helpers dan het paard en de os. Zijn hoeve, met haar patriarchaal voorkomen, harmonieert met de omgeving. Naast de slechte stofferige wegen is er de grote baan, bijna altijd kalm, stil en verlaten. Haar verkeer is beperkt tot een tiental spannen per dag : een hooiwagen, de kar van een groenteboer, het overdekt rijtuigje van de dokter, de landauer of de karos van de kasteelheer en, natuurlijk, de diligence of de postwagen die voorbijrijdt met een vrolijk gerinkel van belletjes en een minder aangenaam geknars van wielen en veren. Met haar dikke kasseien is de grote baan hard en lastig voor de paarden, maar haar romantisch cachet wordt niet ontsierd door ijzeren borstweringen, betonnen stroken en reclameborden. De gendarmen zijn zeldzaam en zelden ziet men een wegwijzer. Steden en dorpen leven doorgaans in afzondering. De berichten die de dagbladen drukken, dateren van meerdere dagen geleden.


Bron : Het Spoor, augustus 1963