Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Spoorlandschappen (III)

Spoorlandschappen (III)

Vrij bewerkt naar “Paysages ferroviaires” van J. Delmelle.

lundi 13 octobre 2014, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

Toen al, sedert de droge en hete zomer van 1921, diende Hofstade als binnenstrand en, in L’Eventail van 24 juni 1928, eindigde Leon Souguenet een van zijn artikels als volgt : Indien de vijver van Hofstade niet bestond, zou men hem moeten ontwerpen in de buurt van Mechelen, juist ver genoeg om een mooie zondagwandeling te doen. Hij schenkt water, een strand en mijmering. Hij biedt gezond vermaak aan mensen die noch de tijd, noch het geld hebben voor een verblijf aan zee. Enkele maanden te voren had Octave Le Maire gezegd : Deze vijver is niet alleen een der grootste van België, maar hij is ook de enige die een strand van wit zand heeft. Dit strand is op een natuurlijke wijze ontstaan door de werking van de wind en de golven. De wind, die boven de uitgestrekte waterspiegel door geen enkele hindernis verzwakt wordt, zweept op bepaalde dagen het water op tot grote golven die de zondige oevers van de vijver gaan ondermijnen. Deze laatste storten in, waarna de golven de afbrokkelingen nivelleren, terwijl ze de klei en de afval meevoeren naar de bodem van het water en op de oever alleen het witte zand achterlaten. Onder de voortdurende werking van de golven, wordt het aldus ontstane strand doorlopend gespoeld en gereinigd, en vergroot het van jaar tot jaar.

Daar er in ons land overwegend zuiden- en westenwinden waaien, werd dit strand gevormd op de noorder-en oosteroever ; het loopt breder uit naar de noordoostelijke hoek van de vijver, omdat de golven op die plaats hun maximale kracht bereiken onder de druk van de overheersende zuidoostenwinden.

In 1933 werd te Hofstade een zeer ruim strand van 750 meter lengte aangelegd. Een groot gedeelte van de vijver (ongeveer 60 hectare op een totaal van 80, waardoor hij, na Virelles, het grootste watervlak in België wordt) geeft thans aan de zeilers en de roeiers de gelegenheid te genieten van de watersport. De genoegens van het baden en het zwemmen brengen op de mooie dagen honderden mensen bijeen uit Brussel, Mechelen en omgeving. Het vroegere uitgravingsterrein en de omliggende gronden, voortreffelijk ingericht en opgesmukt met aanplantingen, zijn een prachtig, door de Staat beheerd domein geworden, een ontspanningscentrum in open lucht, een plaats van heerlijke wandelingen en een der voornaamste toeristische troeven van het noordelijk gedeelte van Brabant. Zo kwam zich, dank zij de spoorweg, een nieuw oord vol afwisselende aantrekkelijkheden voegen, bij het aantal landschappen dat ons land biedt aan de liefhebber van zuivere lucht, rust en natuurschoon. En het is zonder ijdelheid over een realisatie waarvan hij de grondslag legde, dat ginds, bezijden de vijver, aan de kant van de steenweg van Brussel naar Mechelen, de trein naar Antwerpen in volle snelheid wegrijdt. De dienstregeling is stipt. Hij mag niet treuzelen om herinneringen op te halen !

Over ophogingen en uitgravingen rijden de treinen voorbij, met breiende drijfstangen terwijl ze zich laten leiden door hun rails die één worden in de verte. Hier en daar stomen ze langs taluds die, zoals Verhaeren dichtte, van schiefer zijn en door treurige lammeren afgegraasd worden.

Taluds van schiefer zijn er zeker. Enkele schijnen zelfs weggenomen te zijn uit een van die mooie tuinen met kiezelpaden welke sommige hooggelegen villa’s uit de Maasstreek omgeven. Benevens die taluds, gestreept door de schilderachtige woestheid van het gesteente, zijn er andere, vele andere die slechts een geritsel van takken en bladeren zijn, een grastapijt waarop zich in de mooie jaargetijden de glimlach van de bloemen aftekent. Alle zijn een onderdeel van dit spoorlandschap dat thans niet meer weg te denken is uit het decor van ons bestaan.

In de beginperiode der spoorwegen liet de mens het aan de natuur over te zorgen voor de opschik van de taluds. Daarna werkte hij dikwijls met haar samen om haar taak, die soms een beetje wanordelijk aandeed, te verbeteren en haar ongebreidelde fantasie in te tomen. Hij is er niet altijd in geslaagd overal zijn inzichten te realiseren. En, in enkele gevallen, hebben de noodwendigheden van de exploitatie hem gedwongen de door haar ontworpen houtgewassen te verwijderen en te vervangen door planten, waarvan de groei geen belemmering of gevaar voor de loop der treinen vormt.

De toerist schenkt maar bitter weinig aandacht aan de taluds der spoorbanen, behalve natuurlijk wanneer ze het landschap ontsieren, wanneer ze vervallen, stoffig, vuil, vol as en stug zijn, of wanneer ze door hen die langs de spoorbaan wonen, gebruikt worden als stortplaats voor hun huisvuil en begraafplaats voor hun afval. Gelukkig hebben de glooiingen van de ophogingen en uitgravingen hoe langer hoe minder te lijden onder die erge plaag en de meeste vormen thans groene stroken die het oog strelen.

Het is vooral in de periode tussen de twee wereldoorlogen dat men zich sterk beziggehouden heeft met het esthetisch probleem gesteld door de taluds der spoorbanen. Verscheidene groeperingen hebben, in die tijd, hun stem laten horen : toeristische verenigingen, bonden van natuurliefhebbers en bijenkwekers, en ook de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen... Deze laatste vestigde, in 1925, de aandacht van de minister van Wetenschappen en Kunsten op de voordelen die het land zou halen uit de vermenigvuldiging van de honiggevende aanplantingen op de bermen van de wegen, op de stortplaatsen en op de taluds van de spoorbanen en de kanalen. Zij voegde eraan toe : Men zou voor de aanleg van deze aanplantingen de meest honiggevende gewassen en bomen kunnen kiezen. Ten slotte verzocht zij de minister te willen bemiddelen bij zijn achtbare collega’s, de HH. ministers van Landbouw en Openbare Werken, van Binnenlandse Zaken en Arbeid, en die van de Spoorwegen, opdat dit verzoek in overweging zon worden genomen.

De wens uitgedrukt door de voornoemde groeperingen werd verhoord. Vanaf 1925 begon men langzamerhand de taluds te zuiveren van het onkruid, waarvan de zaadjes zich verspreidden over de aanpalende velden, en van de braam en doornstruiken die ongenaakbare toevluchtsoorden voor knaagdieren vormden. Men experimenteerde met verscheidene aanplantingen ten einde zich rekenschap te geven van de respectieve voor- en nadelen van bepaalde gewassen : de ruimte die ze innemen, het onderhoud, het aantal keren dat ze moeten gesnoeid worden, hun graad van doeltreffendheid tegen wegspoelingen, inzakkingen en, in de winter, tegen sneeuwval. Zo kwam men er toe de voorkeur te geven aan enkele soorten van heesters, spirea’s, sneeuwbessen en andere planten die geen bijzondere zorgen eisen, het verkeer geenszins belemmeren, de telegraaf- en telefoonpalen niet overrompelen, maar die wel bloemen en vruchten dragen die de omgeving van de spoorbaan opsmukken en die gemakkelijk botten en veel bloeien. Men zaaide, verspeende en plantte.

Over ophogingen en uitgravingen rijden de treinen voorbij...

Geleidelijk hebben, zowel in Vlaanderen als in Wallonië, loof en bloemen licht en kleur gegeven aan de taluds, aan de omheinigen, aan de omgeving van de baanwachterswoningen en seinhuizen en aan de stationsgronden. De beplantingen begonnen het spoorlandschap op te fleuren : huiverende meidoorns, bloemkronen met de zachtgroene weerschijn van de wilde aalbessestruiken, goudgele bossen brem, madeliefjes, ruikers van nederige bloemen... Kijkt toch uit het venster, raadde Albert Bonjean aan, wanneer je, in juni, om te ontsnappen aan uw beroepsbeslommeringen, met de trein de ononderbroken helling oprijdt die van Spa naar Sart en vervolgens naar Hockai leidt. Het is gewoon verrukkelijk. Aan weerszijden van het spoor zal het een vurige en oogverblindende heerschappij zijn van brem, brem en nog eens brem met prachtige gouden bloempjes. Het is een trillend licht, geanimeerd door het aanhoudend gegons van op buit beluste bijen, een schittering van warme tinten, de bedwelmende toverkracht van de zon. Wat later, wanneer de laatste dagen van juli al een beetje de herfst aankondigen, verandert het schouwspel. Nu zijn het kussens van struikheide, die langs de eentonige spoorbaan, zover het oog reikt, de melancholie van hun paarse en wilde klokjes uitspreiden. In elk jaargetijde zien we er jonge berken, grove dennen met kromgetrokken takken...

Het schouwspel vertoont niet overal de zelfde plantaardige luister, maar overal, of schier overal, heeft de spoorman de natuur geholpen, met haar samengewerkt om het landschap te verfraaien ten einde het een vriendelijker, glimlachender en aangenamer uitzicht te geven. De liefde voor de mechaniek belet ons niet te houden van de planten en de bloemen, die ons prozaïsch bestaan doorweven met de dunne en kostbare gouden draad van de poëzie.

(Wordt voortgezet.)


Bron : Het Spoor, oktober 1963