Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Spoorlandschappen (VIII)

Spoorlandschappen (VIII)

Vrij bewerkt naar “Paysages ferroviaires” van J. Delmelle.

lundi 17 novembre 2014, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

VIII. De landelijke stations.

De grote familie der stations telt belangrijke, zeer bedrijvige personages, die de godganse dag talloze bezoeken ontvangen ; het zijn de stations in de steden. Deze laatste hebben kleine collega’s, waarvan sommige heel bescheiden zijn en trouw blijven aan hun velden en bossen. Het is over die collega’s, de landelijke stations, dat er nu zal gesproken worden. De treinen passeren er soms gelijk een wervelwind, zonder te stoppen, zonder te vertragen, met als enige groet een fluittoon. De sporen sidderen. Kleine stofdeeltjes fladderen in de snelle luchtstroom. Enkele treinen, die niet zo gehaast zijn, milderen geleidelijk hun vaart en houden er stil. Wanneer ze hen kruisen, bekijken de sneltreinen die lokaaltreinen met minachting en misschien ook wel eens met afgunst. Traagheid heeft immers ook haar charme, want ze geeft gelegenheid meer aandacht te besteden aan de omgeving.

De landelijke stations lijken een beetje op hun grote collega’s in de steden en toch is er tussen hen een hemelsbreed verschil. Over ’t algemeen hebben ze niet de pretentie, die trotse pronkzucht van de stadsstations. Vele zijn hun loopbaan heel nederig begonnen : een smal houten paviljoen, een poppenhuisje, een afgedankte barak of wagon.

In een krant van 1912 kon men dit nogal vermakelijke bericht lezen : M. Schinter, volksvertegenwoordiger van Luik, is een echte droogkomiek. Hij had aan de minister van Spoorwegen de volgende kwestie voorgelegd : “Ik heb de eer de volle aandacht van de heer Minister te vragen voor een feit dat een bestendig gevaar betekent voor een van zijn ondergeschikten. De stationschef van Lorcé-Chevron (lijn van de Amblève) meet 1,85 m. Het oude rijtuig, dat hij als kantoor gebruikt, is echter maar 1,76 m hoog. De achtbare heer Minister zal ongetwijfeld dringend voorlopige maatregelen doen treffen om het dak van de oude wagon te laten verhogen (want hij kan toch niet eisen dat die brave ambtenaar zijn gestalte inkort !)” De heer Minister de Broqueville heeft aan Schinler voldoening geschonken. Men zal de wagon verhogen. En de bede van de volksvertegenwoodiger zal verhoord worden...

Tegenwoordig zijn de stations op de buiten gebouwd uit duurzame materialen : bakstenen, arduin, breuksteen, beton... Sommige zien er nogal banaal uit, en op elk van hen is die korte en zeer neutrale beschrijving van Clothilde Delhez uit haar roman Chantal de Valbreuze toepasselijk : De seinpalen en de paallantarens van het station van Venançon doemden op ; daarna scheen het gebouw van rode bakstenen uit de grond op te rijzen. Van achter de wachtkamer zag men de rook van de locomotief opstijgen...

Talrijke landelijke stations ontsnappen nochtans aan de alledaagsheid, aan een stereotiepe architectuur, en men is aangenaam verrast als men ze ontdekt. Dit is o.a. het geval met het station Trooz, op de lijn van de Vesder. Onder al die landelijke stations zijn er overigens sommige van meer recente datum die door hun regelmatige, eenvoudige en sobere lijnen scherp afsteken tegen de andere.

Wat de landelijke stations vooral van die in de steden onderscheidt, is niet zozeer hun architectuur dan wel hun schilderachtige omgeving. De omgeving kan bestaan uit de eerste huizen van het dorp, uit een gehucht of het open veld, uit de eenzaamheid van bebouwde akkers of van het bos.

Vaak is de omgeving de vrije natuur, met een lange, kronkelende weg die stijgt en daalt, een waterloop volgt en zo leidt naar de plaats waar de mensen zich gevestigd hebben. Hierbij denken we aan vele stations, halten en stopplaatsen van het vlakke Vlaamse land, van de Kempense zandstreek, van het industriële en beboste Henegouwen, van het harmonieuze Brabantse landschap, van Haspengouw en Condroz, van de oevers van de Maas, van het Land van Herve, van de hoge Ardennen en van de Gaume. Er zijn de betrekkelijk ruime en weelderige stations van de volkrijke dorpen, van die plaatsen waar een of andere industrie welvaart brengt, van die oorden welke hun aantrekkingskracht danken aan een toeristische bezienswaardigheid. Er zijn ook de andere die maar ontwaken wanneer de mooie dagen hun intrede doen. Zowel bij de ene als bij de andere, zijn er een groot aantal die onze aandacht verdienen : de stations Lissewege en Leupegem, Schoonaarde en Kermt, Wezemaal en Kortenberg, Henripont en Trazegnies, Ecaussinnes-Carrières en Obourg, Vedrin en Namèche, Lustin en Vonêche, Poix-Saint-Hubert en Gedinne, Franchimont en Aywaille, Melreux en Nivezé, Habay-la-Neuve en Pin nabij Orval... En het spoor rijgt ze alle aaneen tot een ononderbroken snoer.

Zoals hun grote collega’s in de steden, zijn de landelijke stations, aldus Marie Howet, als een reis om de wereld voor de toeschouwer en zijn ze bovendien plaatsen waar men gelegenheid heeft van nabij te kijken naar de personages van dit blijspel in honderd verschillende bedrijven die, van de wachtkamer tot aan de perrons, de kleurrijke gebaren tekenen van hun vele acteurs. Door zijn authenticiteit steekt hun publiek nochtans scherp af tegen dit van de kosmopolitische stations. En behoudens onvoorziene omstandigheden is hun bestaan zeer verschillend van dit van hun grote collega’s in de steden, die een gejaagd leven leiden. Alles verloopt er dikwijls heel knusjes. Onze eerste indruk toen wij uitstapten in het station van Anvaing, lezen wij in een artikel van André Reuse, was dat alles er verliep zoals in de familiekring, als in de goede oude tijd : de kippen van de stationschef pikten tussen de sporen en wanneer een trein aangekondigd was, daagde uit een tuintje een kleine bengel op, gekleed in het rood (hij was als Chinees vermomd), die met behulp van een stokje de at te drieste hoenderen verjoeg.

Vele stations op de buiten gelijken min of meer op dit van Anvaing. Niet alle hebben een kippenhok. Sommige zijn geflankeerd door een duiventil : een huisje geplaatst op een zuil, ofwel een hok van hout, plaatijzer of bakstenen. Witte vleugels fladderen in de lucht, groeperen zich, stijgen, dalen, om nadien rustig neer te strijken. Andere landelijke stations luisteren naar het geklater van een fonteintje. Van al die stations tooien vele zich met bloemen : tuintjes met grotwerk, lijnrechte parterres, liefdevol onderhouden bloemperken, lachende en kleurige bloemkronen, helder en beschaduwd gebladerte.

In 1910 kon men in een toeristisch tijdschrift het volgende lezen : Wanneer men, tijdens een lange reis, om de tijd te doden, het voorbijtrekkend landschap bekijkt, is niets aangenamer dan plotseling, langs de spoorlijn, een bevallig aangelegde tuin te zien opdoemen, een station versierd met bloemen en groen. Enkele jaren geleden was dit nog een zeldzaamheid in België, omdat de bloemenversiering van de stations een begrip was dat niet opkwam in de utilitaristische verbeelding van de beheerders van de spoorweg.

In het begin van de XXe eeuw, heeft de maatschappij van de Nord Belge, die o.a. de lijn van de Maas exploiteerde, de bloemenversiering aangemoedigd, door het personeel van de stations aan te sporen zaaibedden en plantsoenen aan te leggen, waarbij subsidies werden toegekend voor de aankoop van zaden en bovendien een beroep werd gedaan op de medewerking van tuin-bouwondernemingen en boomkwekers. In 1906, op aandringen van de heer De Ridder, voorzitter van de Raad van Beheer, hebben de Belgische Staatsspoorwegen dit voorbeeld gevolgd en op hun beurt maatregelen getroffen om de perrons en de onmiddellijke omgeving van de stations op te vrolijken door er een beetje poëzie te doen ontluiken. De stationschefs die bereid waren tuintjes aan te leggen langs hun baanvakken, kregen eveneens planten, zaden, bloembollen, mest, goede aarde om een dikwijls ondankbare grond te verbeteren en, bovendien, een bundel Praktische Raadgevingen voor de Bloemenversiering van de Stations, een soort brevier van de volmaakte tuinier, opgesteld door een specialist, met name Marchandise, chef van de beplantingsdienst van de Kruidtuin te Brussel. Bekwame en toegewijde tuinbouwkundigen gingen, op verzoek, ter plaatse advies verstrekken. En de toekenning van beloningen aan de meest verdienstelijke tuiniers van het spoor, leidde, na enkele jaren, tot merkwaardige resultaten.

De actie van de spoorwegen zou aangemoedigd en gesteund worden door het Tijdschrift van de Belgische en Buitenlandse Tuinbouw, door de Landbouwtribune, door de Koninklijke Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde van Gent — die premiën begon uit te loven aan de stationschefs van Oost-Vlaanderen, die aan hun stations een bevalliger voorkomen hadden weten te geven — door sommige schrijvers en door de Nationale Maatschappij voor de Bescherming van Landschappen en Monumenten in België, onze latere Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Op 5 januari 1908, ter gelegenheid van de jaarlijkse algemene vergadering van die Maatschappij, zegde voorzitter Jules Carlier in zijn verslag over de Werkzaamheden : Laten we, om onze volledige instemming ermee te betuigen, de ministeriële instructies vermelden die een wedstrijd hebben uitgeschreven onder de stationschefs van het Staatsnet voor de bloemenversiering van hun stationsgebouwen. Ofschoon ze nog niet algemeen worden toegepast, werden ze toch op een bemoedigende wijze onthaald, en de architectonische tekortkomingen van die gebouwen kunnen er alleen maar bij winnen door schuit te gaan achter bekoorlijke, en weinig kostende decors. De heer Minister van Oorlog heeft overeenkomstige orders gegeven met betrekking tot de kazernes. Waarom geven de heer Minister van Justitie en de geestelijke overheid geen dergelijke aanbevelingen om ook de kerken en de pastorieën op die manier op te smukken ? Al wie een beetje gereisd heeft, weet hoeveel poëzie er schuilt in de oude tempels die met een passende plantengroei getooid zijn. Er bestaan er enkele, zeer zeldzame, in onze bergachtige streken, en ook daar zou het decor dikwijls het betreurenswaardig gebrek aan stijl van vele onzer dorpskerken kunnen doen vergeten...


Bron:Het Spoor, maart 1964