Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Een van het spoor (V)

Een van het spoor (V)

E. Goldstein. (Prijs van de Directeur-Generaal van de N.M.B.S.)

lundi 19 janvier 2015, par rixke

Hoofdstuk IX. Het doek valt

Na er verscheidene dagen over gepiekerd te hebben, besloot ik tenslotte Olga te schrijven. Mijn brief was opgesteld in omzichtige, behoedzame termen, en de onzekerheid pijnigde mijn geest. Het meisje kon zich terugtrekken zonder mij ook maar enigszins te vernederen. Ik zou er natuurlijk onder lijden. Die gedachte vergalde lichtjes de onbeschrijfelijke vreugde van mijn hoopvolle verwachtingen. Ik vroeg haar te mogen ontmoeten om over andere zaken dan het werk te spreken. Gedurende drie dagen, die eindeloos schenen, zat ik op hete kolen en was ik niet in staat te studeren.

Ze aarzelde een seconde

Toen ik eindelijk haar brief ontving, durfde ik hem niet openen. ’t Was avond en ik kwam juist thuis. Ik ging naar mijn kamer. Door het hoge venster keek ik naar de dans van de populieren tegen de wolkenlucht.

Toen las ik koortsachtig haar brief, die kort en vriendschappelijk was. Ze duidde twee avonden van de volgende week aan waarop ze vrij zou zijn. Zonder omhaal wees ze een etablissement aan nabij het station Leopoldswijk, waar wij elkaar zouden kunnen ontmoeten. Die enkele lijnen brachten me in vervoering. In mijn dromen waren zij en ik al onafscheidelijk verbonden voor het leven.

Eindelijk brak de verwachte avond aan. Ik nodigde haar uit op een etentje. Tijdens ons samenzijn liet ik nu en dan mijn gevoelens voor haar doorschemeren, zij het dan op een bedekte wijze, omdat ik nog altijd vreesde haar te zullen afschrikken.

Ik was bedwelmd door de poëzie die uit haar gehele wezen afstraalde, terwijl we wandelden door de stille straten van haar gemeente, in de maneschijn van een meinacht die alles met een zilveren licht overgoot.

Een maand ging voorbij. Onze vriendschap groeide. Ik wilde tot elke prijs slagen in mijn laatste examen en probeerde haar te doen inzien dat we best elkaar gedurende een maand niet meer zouden spreken en schrijven. Ik wist dat ze mijn beweegredenen begrepen had. Nam ze het mij kwalijk ?

Zodra ik vernam dat ik geslaagd was, zond ik haar een telegram waarop ze niet antwoordde. Ik schreef haar verder elke dag om haar tot andere gevoelens te bewegen. Het leek allemaal tevergeefs, ofschoon ik haar het groot belang van dat laatste examen verklaarde. Haar zwijgen deed me mijn handelwijze betreuren. Ik beleefde angstige, ogenblikken en ik begon weer mezelf te verachten. Eindelijk kwam ze me in mijn bureau opzoeken.

— Waarom ben je zo wreed geweest ? Waarom heb je me in de onzekerheid gelaten ? Ik had zo’n angst dat je me definitief in de steek gelaten had.

— Ik heb ook onder je handelwijze geleden. Je bent harteloos geweest. Hoe kon ik zeker zijn dat je examens geen voorwendsel waren ? Wilskracht is geen hardvochtigheid.

— Gaan we vanavond samen uit eten om onze verzoening te vieren ? vroeg ik.

Het is heerlijk elkaar weer te vinden. Je herneemt wat je zo vreesde voortaan te moeten missen.

Ik drong erop aan dat ze met mijn familie zou kennismaken, wat gelijkstond met een huwelijksaanzoek. Ik vreesde nog steeds haar te verliezen. Ze aarzelde, omdat ze zich enigzins beklemd voelde bij de gedachte zich voor altijd te verbinden.

Ze bracht me eerst bij haar ouders : nederige werkmensen die hard gezwoegd hadden, maar nu hun huisje, hun tuin, hun stukje grond bezaten. Ze ontvingen me beleefd en gereserveerd.

Eindelijk stemde Olga erin toe mij te vergezellen naar mijn eigen dorpje om er mijn ouders te ontmoeten. Mijn moeder omhelsde haar onstuimig, terwijl mijn vader haar als een prinses omhaalde. Welke indruk hadden ze op haar gemaakt ? Mijn zuster Catherine en haar twee kinderen schenen haar veroverd te hebben. Ze aanbad de achtjarige Marianne en haar klein broertje Jean-Michel, vertrouwde ze me nadien toe. Over mijn ouders gaf ze niet het minste commentaar.

Op een zaterdagavond wilde ze gaan dansen. Ik was ontroerd toen ik haar tegen mij aandrukte. Mijn hart bonsde terwijl ik haar hielp haar mantel aandoen.

Ik was overtuigd dat ik sectiechef bij de N.M.B.S. zou worden. Ik kon met gerust gemoed de stichting van een gezin overwegen. Ik had een motorfiets gekocht en ik nam haar mee voor een tochtje in het Ter Kamerenbos. De herfstavond was zacht, heerlijk, geurig... Gezeten nevens haar, mijn hand rustend op de hare, voelde ik mijn hart heftig kloppen. Een ogenblik dacht ik dat ik niet aan de emotie zou weerstaan en dat dit innerlijk vuur me zou verteren. Doorstond zij dezelfde gevoelens als ik ? Ze zei schier geen woord. Ik keek haar heimelijk aan en zag dat ze strak voor zich heen keek met gespannen gelaat. Dat bracht me in verwarring.

— Lieveling, zei ik na een lange stilte, het is iets wonderbaars je te hebben leren kennen. Beloof me dat dit altijd zo zal blijven.

Ze aarzelde een seconde, terwijl ik mijn adem inhield. Ik voelde dat ze ten prooi was aan een heftige innerlijke strijd.

— Laat ons een eindje wandelen, stelde ze voor.

Ik nam haar arm en we wandelden door een donkere laan. De dorre bladeren ritselden onder onze stappen. De duisternis omhulde het dichte bos. Een tak kraakte onheilspellend. Het begon wat fris te worden en ze huiverde lichtjes. Onder voorwendsel van haar te verwarmen, nam ik haar in mijn armen, en een ogenblik later vonden onze lippen elkaar in een lange kus die uiting gaf aan de hartstocht die we beiden zolang onderdrukt hadden. Heel de warmte van mijn liefde lag in die eerste innige omhelzing. Eindelijk drukte ze zich tegen me aan, ik ademde haar geur in en ze kuste me onstuimig terug.

Haar ogen stonden vol tranen en ik stelde voor terug te keren.

— Ween niet, lieveling, ik kan het niet verdragen.

De stilte omhulde weer ons samenzijn, ons stilzwijgend akkoord. Ik voelde aan dat ze me iets wilde zeggen. Misschien betrouwde ze haar stem niet. Haar blik weerspiegelde zoveel vreugde. Eindelijk fluisterde ze :

— We zullen trouwen in de lente.

— Waarom niet volgende maand ? vroeg ik ongeduldig.

— We moeten ons eerst innerlijk voorbereiden op dat nieuwe leven...

Die avond was een keerpunt in mijn leven. Onaangename toestanden krijgen soms een heel eenvoudige ontknoping. Ik had het gevoel dat een bestaan ten einde was en een ander begon, nieuw en volledig afgescheiden van het eerste.

De dagen gingen voorbij zonder dat ik het merkte. Ik had graag gewild dat Olga na het huwelijk thuis bleef. Al mijn argumenten baatten met. Ze was te gehecht aan haar roeping om haar werk op te geven. Misschien zal het moederschap haar van gedachte doen veranderen, hoopte ik, zonder dit echter luidop te durven formuleren.

Ik eindig dit verhaal op de vooravond van mijn huwelijk. Ik geloof niet te behoren tot die categorie van mensen welke geen genoegen kunnen nemen met de tegenwoordige tijd, maar toch moet ik trachten verder te geraken., mijn inspanningen voortzetten. Het doek is gevallen over een periode van mijn leven, van mijn jeugd. Het lot van de mens, wil hij het zich ten volle realiseren, eist werk, creativiteit. Er wordt niets groots, niets duurzaams bekomen van buiten om. De liefde en de sympathie zijn niet in de mensen en de dingen, maar in onszelven.

Einde.


Bron : Het Spoor, december 1964