Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Gestuwd door de tijd (IX)

Gestuwd door de tijd (IX)

Karel Vanooteghem.

lundi 23 mars 2015, par rixke

Hoofdstuk III



Niets is kostbaarder dan de tijd,


want hij is de prijs van de eeuwigheid.


L. Bourdaloue.


De juiste tijd

Noch de “mensen van Spy” [1], onze verre voorvaders uit het palaeolitische tijdperk, noch de herders uit het Land van Chaldaea over wie de Bijbel zijn pittige verhaaltjes ontspint, hadden een uitgebreid of nauwkeurig begrip van de tijd. Zij kenden de afwisseling van dag en nacht uit de opeenvolging van klaarte en donkerte, van arbeid en rust. Rondom zich, zagen zij dat de natuur aanhoudend een ander kleed aantrok en zo kwamen zij op het idee van de seizoenen en stilaan ook tot het inzicht dat dezelfde omstandigheden periodiek terugkomen in een standvastige kringloop. Zij hadden het bestaan van het jaar ontdekt, maar konden geenszins de duur ervan berekenen, zelfs niet bij benadering.

Hun nakomelingen stelden allengs vast dat er tussen het opkomen en het ondergaan van de zon heel wat kon gebeuren. De lengte van de weg die zij konden afleggen, het aantal pijl- of speerpunten die zij uit de silex konden houwen, de oppervlakte van de akkers die zij konden omwoelen, bracht er hen onmerkbaar toe, de dag, hun eenheid van tijd, ook op zijn beurt in typische “tijdstippen” te verdelen.

Eerst bepaalden zij de morgen, de middag en de avond, uit de standen van de zon, zodat de klaarlichte dag uit twee stukken bestond. Doch weldra dreven zij hun onderverdeling verder door en bepaalden zij nieuwe praktische tijdstippen, die zij konden herkennen uit de stand van de zon ten opzichte van een vast voorwerp of uit de beweging of de lengte van de schaduw die zij deed afwerpen.

Tijdens de lange nachten, keken zij vaak naar de maan en de sterren en volgden, met een mengsel van ontzag en verwondering, hun loop langs het firmament. Zij zagen het periodiek wassen en weer wegkrimpen van de maan en verkregen aldus een begrip van de maanden. Later zouden zij, uit de verschillende gestalten van de maan, ook de weken van zeven of acht dagen afleiden.

Door de opeenvolging van de maanden en de juistere afbakening van de seizoenen die daaruit volgde, konden zij eindelijk het jaar min of meer nauwkeurig omschrijven.

De Sumeriërs die, in de periode tussen 4.000 en 2.000 v. Chr., de streek tussen de rivieren Eufraat en Tigris bevolkten, en die de voorlopers en leermeesters waren van de Babyloniërs en Assyriërs [2], waren de eersten om het aantal dagen van het jaar te bepalen. Daar bij hen de seizoenen heel weinig afwisselden en de nachten doorgaans helder waren, baseerden zij zich natuurlijk op de maangestalten. Hun jaar bevatte twaalf maanmaanden en 355 dagen. Zij konden nog niet weten dat het echte jaar een tiental dagen meer telt, want zij hadden nog geen preciese meettoestellen en moesten alleen op hun ondervinding en scherpzinnigheid steunen.

Het echte jaar, d. i. de tijd die de aarde werkelijk nodig heeft om één keer om de zon te lopen, hebben de latere geleerden zeer nauwkeurig berekend. Zij kozen hiervoor de tijd die verloopt totdat de zon weer dezelfde stand ten opzichte van de vaste sterren inneemt, want het heeft geen zin een punt te beschouwen dat zelf aan allerlei bewegingen onderhevig is. Het aldus uitgecijferde “siderische jaar” heeft thans een duur van 365 dagen 6 uur 9 minuten 9 seconden 02. Het verandert evenwel geleidelijk, doch zeer miniem, onder de invloed van schommelingen in de loop van de aarde.

De Sumeriërs hadden er ook geen besef van dat de maanmaanden, die nagenoeg 29 dagen en 13 uren lang zijn, geen juiste onderverdeling van het jaar uitmaken.

Langs de oevers van de Nijl, waren ondertussen de Egyptenaren hun hoge beschaving aan het opbouwen. Zij stonden bijzonder goed geplaatst om het zonnejaar nauwkeuriger te omschrijven. Elk jaar waren zij getuige van een zeer merkwaardig, volkomen duidelijk en uiterst regelmatig verschijnsel : het wassen van de Nijl dat zich telkens met een wiskundige preciesheid herhaalde en de omliggende, woestijnachtige vlakte als bij mirakel in een vruchtbaar landschap omtoverde. Het moet ons dan ook niet verwonderen dat, zoals blijkt uit teruggevonden hiëroglyfen, reeds tijdens de XIIe Dynastie (3000 v. Chr.) de Egyptische priesters een jaar van 365 1/4 dagen hadden aangenomen. Het volk hield het evenwel bij een afgerond jaar van 365 dagen, zodat er, om de vier jaar, een verschuiving van een dag ontstond en het astronomische jaar slechts alle 1460 jaar met de volkskalender samenviel. Het zou duren tot in 240 vóór onze tijdrekening, eer Ptolemaeus III Euergetes wat orde bracht in de verwarring door, om de vier jaar, een bijkomende dag in de kalender in te lassen.

De Grieken rekenden het tijdverloop in olympiaden, perioden van vier achtereenvolgende jaren, en konden op die manier goede maatjes blijven met de astronomische wetten.

De Romeinen, van hun kant, die meer van oorlog hielden dan van wetenschap, droegen de moeilijkheden van de tijdsbepaling tamelijk gelaten. Julius Caesar echter die, tijdens zijn avontuur met Cleopatra, de Egyptische gebruiken had leren kennen, begreep het nut van een min of meer vaste tijdsberekening en voerde het “Juliaanse” jaar in, dat precies 365 1/4 dagen telde en ook, om de vier jaar, met een dag werd bijgepast.

De “Alexandrijnse kalender” die, zoals zijn naam het zegt, in Alexandrië, een grote christen-gemeente uit die tijd, was uitgewerkt en die een vorm was van de Juliaanse kalender, werd door de eerste christen-gemeenten uit de oostelijke helft van het Middellandse zeegebied, gedurende de prilste eeuwen van onze tijdrekening in zwang gebracht. Hij raakte stilaan over de hele christenheid verspreid omdat de toenmalige Pausen, die een groot vertrouwen hadden in de Alexandrijnse wijsheid, hem gebruikten.

In 526 vond Dionysius Exiguus, archivaris van Paus Hormisdas (514-523), een oplossing voor enkele van de vele moeilijkheden die de kalender ook toen nog opwierp. Zijn werk, de “Dionysiaanse kalender”, zou meer dan duizend jaar stand houden en blijft in verschillende landen nog altijd geldig voor kerkelijke aangelegenheden.

In de loop der/tijden was, ondertussen, de menselijke kalender immer blijven voorlopen op de natuurlijke, die namelijk van de hemellichamen. Omstreeks 1500 was het verschil in kalenderdagen aangegroeid tot ongeveer vier dagen. De dag- en nachtevening (equinox) bij het begin van de lente (ongeveer 21 maart) was zelfs, op grond van de menselijke kalender, tot op 11 maart teruggelopen [3].

Om dit euvel te verhelpen voerde Paus Gregorius XIII, door een bul van 24 februari 1582, de zogenaamde “Gregoriaanse kalender” in, die “uitgedacht was door een geleerde dokter uit Calabrië, Aloysius Lilius, en bijgevijld door een pauselijke commissie, met de geleerde Jezuïet Christophorus Clavius als ijverige secretaris”. Deze kalender wordt thans nog immer gevolgd in de landen die binnen de Westerse invloedssfeer gelegen zijn.

Hij bepaalt en bestendigt de dag van het werkelijke middelbare lente-equinox weer op 21 maart. Daartoe moest de 11e maart naar de 21 e dito worden verschoven. Dit geschiedde door de 5 e oktober 1582 van de Dionysiaanse kalender, de 15 e oktober van de Gregoriaanse te noemen, zodat iedereen toen, zonder enige overgang, plots tien dagen ouder scheen te worden. Er werd alsdan eveneens besloten dat er voortaan, elke 400 jaar, drie schrikkeldagen uit de oude Juliaanse kalender zouden worden overgeslagen. In de Gregoriaanse kalender zijn er immers wel schrikkeljaren om de vier jaar (jaren deelbaar door vier), maar zijn de eeuwjaren (jaartallen op 00 eindigend) alleen dan schrikkeljaren wanneer zij door 400 deelbaar zijn.

Dat deze bepaling van het jaar nog geen voldoening schenkt, blijkt uit de bemoeiingen van Internationale Organismen, zoals de UNESCO, die nog immer trachten er wat orde in te scheppen. Wij mogen, in alle geval, zeggen dat de huidige begindatum van het jaar volledig willekeurig werd vastgesteld en op geen enkel astronomisch feit berust.


Bron : Het Spoor, oktober 1965


[1Spy is een gemeente in de provincie Namen, aan de Samber, waar overblijfselen werden gevonden van een oeroude menselijke aanwezigheid (skeletten en gebruiksvoorwerpen).

[2Wordt er niet gezegd dat bij de Sumeriërs de werkelijke beschaving begon ?

[3Een nauwkeurige berekening van de Paasdatum was voor de Christenen uit die tijd een zeer gewichtige taak, want zij wilden het kruislijden en de opstand van hun Messias, waardoor verlossing en bevrijding over hen kwam, op het juiste ogenblik vieren.

De oudste Christenen berekenden de Paasdatum volgens Joods gebruik. Door het Concilie van Nicea (325) werd de Alexandrijns-Romeinse berekening volgens de werkelijke lente-evening (ongeveer 21 maart) ingevoerd. Paaszondag viel dan op de eerste zondag na volle maan en na de lente-evening, met 22 maart als vroegste en 24 april als laatste datum. Lange tijd echter zou deze berekening nog volgens verschillende systemen geschieden, vooral bij de Christenen van Oost-Europa.

Aan de kalender van Dionysios dankt men een voor Oost en West aannemelijke Paasberekening. Deze geeft voor de Paasdatum vrijwel dezelfde uitkomsten als de Alexandrijnse kalender ; alleen viel nu de laatste datum op 25 in plaats van op 24 april.

Rome heeft de kalender van Dionysius nooit officieel ingevoerd en toch verspreidde hij zich snel over heel Europa. In het Westen was dat vooral te danken, aan de grote invloed van de geschiedschrijver Beda Venerabilis (674-735), die in zijn werken de nieuwe jaartelling toepaste en ook de techniek van de berekening beschreef.

In het begin van de 9 e eeuw was de Dionysiaanse berekening feitelijk overal verspreid en sedertdien bleef zij, doorheen alle tijden en tot heden, in zwang.

De wisselende Paasdatum, die wij nog immer volgens die oude regels berekenen, blijft een der voornaamste en meest bekritiseerde gebreken van onze kalender. Maar wie zal daarin ooit enige verandering brengen ?

[4In onze taal noemen wij elke tijdaanwijzer een “klok”. De tijdaanwijzer in onze zak of aan de pols heet ook nog “horloge”. Het mechanisme van klokken en horloges noemen wij “uurwerk”. Uit puristische overwegingen of voor de afwisseling hebben wij soms één enkele uitzondering op die vaste taalregel gemaakt.

Laten wij nog vermelden dat die drie woorden al in de Middeleeuwen bestonden : clocke, urewerc en horloy of orloy. Dit laatste komt ook voor in de vorm van horologium, hoorlodium, orloghe e.a. Het stamt uit het Latijn en het Grieks : horologion dat zelf gevormd is uit hora (uur) en legein (zeggen). In de 16e eeuw vindt men ook nog oirloidge en orlogie ; in de 18e eeuw : Horlogie.

Het woord klok is van Ierse afkomst. Ierse missionarissen hebben, in de 7e eeuw, de (kerk)klok op het (Germaanse) vasteland ingevoerd en de bekeerlingen hebben met de zaak zelf ook het Ierse woord overgenomen.