Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Gestuwd door de tijd (XI)

Gestuwd door de tijd (XI)

Karel Vanooteghem.

lundi 6 avril 2015, par rixke

 Het juiste uur door water en zand

Om dit euvel te verhelpen, heeft de Oudheid tal van vernuftige instrumenten uitgevonden.

Eén hiervan is de klepsydra of, eenvoudigweg, het wateruurwerk, waarbij men water door een nauwe opening uit een vat laat stromen. Men kan de hoeveelheid wegvloeiend water ofwel de daling van de vloeistof nameten, bijvoorbeeld door een aan de binnenzijde van het vat aangebrachte schaalverdeling. Men kan ook een vlottertje op het watervlak laten drijven, dat verbonden is met een om de as van een wijzer gewonden koord met tegengewicht, en zo, door de bewegingen van de wijzer, de tijd op een wijzerplaat aangeeft. De klepsydra, die aan de Griek Ktesibios (2e eeuw vóór Christus) [1] — sommigen beweren ten onrechte dat Archimedes (287-212 vóór Christus) haar bouwde — wordt toegeschreven, was volgens dit principe gebouwd. De wijzer werd hier gevormd door een engeltje dat op een omhoogschuivende zuil stond.

Naar het schijnt zouden de Egyptenaren ook het eerste wateruurwerk gebouwd hebben. Men heeft daar, .in alle geval, talrijke sporen van dit toestel weergevonden, maar ook in Griekenland, China (reeds in 2679 v. Chr.) en Japan. In Indië werd zelfs een variant op het wateruurwerk uitgedacht, in de vorm van een schipbreuk. In een vat, gevuld met water, plaatste men een bootje, waarin een gatje was geboord, waarlangs het water geleidelijk indrong. Het bootje zonk stilaan weg en verdween immer na een zelfde tijd onder het watervlak.

Na de vernietiging van Alexandrië door de Kalief Omar (591-644), in 642 na Chr., trachtten de Arabieren zich vertrouwd te maken met wat er nog overbleef van de eruditie uit de Oudheid. Zo leerden zij het gebruik kennen van de klepsydra’s die zij tot een hoge perfectie zouden brengen.

Toen Haroen-al-Rasjid (766-809), de befaamde en tevens beruchte Kalief van Bagdag uit de Duizend-en-één-Nachtvertellingen, in 809 aan Karel de Grote (742-814) een weelderig geschenk wou aanbieden, als blijk van vriendschap en achting, zond hij zijn gezant, vergezeld van twee monniken uit Jeruzalem, met een klepsydra naar het hof van de grote Westerse keizer. Dit ongewone wateruurwerk was gemaakt uit met goud belegd staal. Het wees de uren aan op een wijzerplaat. Tevens, bestond het uit twaalf delen, die elk een ijzeren bal bevatten. Deze ballen konden de ene na de andere vallen en alzo de verschillende uren hoorbaar aanduiden. Op de middag kwamen er twaalf ruiters uit twaalf vensters, die zich weer achter hen sloten. Het gehele mechanisme werd door het water aangedreven. Dit tuig maakte een geweldige indruk op Karel de Grote en zijn tijdgenoten.

Een andere, beroemde klepsydra was die van de grote Moskee van Damascus (circa 1150 na Chr.). Zij wees de uren aan door middel van twee bronzen valken die zich voor één der twaalf vensters plaatsten en het vereiste aantal ballen in klinkende metalen bekkens wierpen. ’s Nachts trok er een toorts achter de twaalf vensters voorbij.

De wateruurwerken werden tot in de XVIIe eeuw gebouwd. Zij werden toen zelfs nog verkozen boven de mechanische uurwerken, omdat zij zo stil waren. De voorlopers van onze huidige klokken maakten in die tijd heel wat kabaal door het verschuiven van hun gewichten.

Om het bevriezen te voorkomen, werd het water soms door wijngeest vervangen. Er werden automaten uitgedacht die de uren met een gebeier van klokken of een trompetgeschal aankondigden. Sommige van die klepsydra’s gaven de standen aan van de maan en waren dus de eerste astronomische uurwerken.

De zeevaarders uit vroegere tijden hadden ook hun speciale tijdaanwijzers. Als de sterren fonkelden aan het firmament, deden zij een beroep op het astrolabium, een tamelijk ingewikkeld toestel waarmee de tijd kon bepaald worden aan de hand van de stand der sterren. In ons Nationaal Scheepvaartmuseum dat ondergebracht werd in het Steen te Antwerpen, kunnen wij nog een prachtig exemplaar bewonderen. Het werd in 1556 gebouwd in het atelier van Gemma Frisius en is gemerkt met de wapens van Filips II en Madrid Junior.

Maar, als maan en sterren schuil gingen achter een wolkendek, moest er iets anders op gevonden worden. Men koos dan de zandloper, die op hetzelfde principe berust als de wateruurwerken, doch eerst veel later in zwang kwam (waarschijnlijk circa 1600 v. Chr,). De zandloper is veel gemakkelijker hanteerbaar dan de klepsydra’s.

Op de schepen gebruikte men er die in een half uur leegliepen. Men verdeelde de tijd van de wacht in drie perioden van elk acht “glazen”, telkens dus vier uur. De “eerste wacht” liep van 8 uur ’s avonds tot middernacht ; de “hondenwacht” van middernacht tot vier uur ; de “dagwacht” van 4 tot 8 uur ’s morgens ; de “voormiddagwacht” van 8 tot 12 uur ; de “middagwacht” van 12 tot 4 uur ; de “platvoetwacht” van 4 tot 8 uur ’s avonds. Telkens als een wacht afgelopen was, werden op een klok “de glazen geslagen”.

Een typische scheepszandloper kunnen wij gaan bekijken in het Museum voor Tijdkunde, ook nog “Klokkenmuseum” genaamd, te Utrecht, waar trouwens de hele geschiedenis van de tijd ligt uitgestald.

De zandlopers worden nu nog meestal gebruik om korte tijdspannen te meten. Wij bezigen er een om een zacht gekookt eitje gereed te maken en ook soms om de duur van telefoongesprekken te schatten.

 Vindingrijk allerlei

In China zijn er ook nog vuuruurwerken in gebruik geweest. Men stak een staafje brandbaar materiaal aan en mat het verbrande gedeelte. Soms waren die staafjes in een spiraal gewonden en telde men het aantal omgangen. Om de tijd hoorbaar aan te geven, nam men een recht staafje waaronder een paar kogeltjes aan draadjes bengelden. Bij de verbrandingvielen die kogeltjes in een koperen bekken.

Er zijn, zo wat overal, ook olielampjes in gebruik geweest, waarvan de verbruikte hoeveelheid olie 3e tijd aangaf.

In de Middeleeuwen en zelfs in de moderne tijden, hadden sommige mensen maar heel weinig vertrouwen in de mechanische uurwerken, en zij gebruikten daarom in graden verdeelde kaarsen om de tijd te kennen.

Een van de voornaamste bezigheden van de kosters der Middeleeuwse kloosters, was ’s nachts buiten naar de sterren te gaan kijken, ten einde te weten of bet tijd was om de kloosterlingen op te roepen voor het nachtofficie. Maar wat te doen als het weer overtrokken was ? De Benediktijnermonniken hadden hiervoor een oplossing. In een werk van 1644 schreven zij dat een monnik de hele nacht door een zeker aantal psalmen van een bepaalde lengte moest zeggen. Met een beetje oefening verkreeg hij een merkwaardige nauwkeurigheid en moest er niet meer naar de sterren gekeken worden.

Een bewijs te meer dat de vindingrijkheid van de menselijke geest geen grenzen kent.

In de loop der tijden had de werktuigkunde zich stilaan ontwikkeld ; zij trok nu met rasse schreden naar haar bloeiperiode. Onder haar invloed zouden de tijdaanwijzers een grondige verandering ondergaan, waaruit de mensheid enorme voordelen zou halen.

 De echte klokken.

De nieuwigheid bij de volledig mechanische uurwerken was dat zij niet meer bewogen werden door het gestadig wegvloeiende water, doch door het zakken van drijfgewichten.

Waar en door wie werden de eerste echte uurwerken gemaakt ? De inlichtingen hierover zijn zeer onbetrouwbaar. Sommige beweren dat de monnik Gerbertus, de latere Paus Sylvester II (Paus van 999 tot 1003), in 996 zulk een uurwerk zou gebouwd hebben. Zij steunen zich hiervoor op de volgende zin die in één van zijn levensbeschrijvingen voorkomt : “Admirabile horlogium fabricavit per instrumentum diabolica arte inventum”. De vertaling hiervan luidt : “Hij heeft een bewonderenswaardige horloge gefabriceerd met door duivelskunst uitgevonden instrumenten”. Die “duivelskunst” schijnt nogal gedurfd voor een monnik die later paus zou worden ! Men twijfelt er, in alle geval, sterk aan dat het hier een echt uurwerk betrof, want in de Middeleeuwen werd de naam “horologium” gegeven aan elk toestel waarmee de tijd kon worden aangewezen. Het is dus heel goed mogelijk dat Gerbertus niets anders dan een wateruurwerk gemaakt heeft.

Men neemt gewoonlijk aan dat de eerste echte uurwerken met gewichtsaandrijving tegen het einde van de XIIIe eeuw geboren werden. In de loop van de XIVe eeuw komt voor het eerst de veerkracht als aandrijving voor.

JPEG - 103.7 ko
Klepsydra (± 1400 v. Chr.).

Het oudste mechanisme van een uurwerk met gewichten bestaat nog gedeeltelijk in de kathedraal van Beauvais. Het dateert uit de eerste decenniën van de XIVe eeuw. Rondom de klok staat geschreven : “Stephamis Musicus canonicus bellovacennis me fecit fieri”. Wat betekent “Stefaan de Muzikale, kanunnik van Beauvais, liet mij maken”. Deze kanunnik stief in 1324.

Onlangs werd een perkament ontdekt waarop vermeld staat dat een zekere Italiaan, Jacopo Dondi, in 1344 een uurwerk zou gebouwd hebben. In 1346, maakte de Henegouwse kroniekschrijver Jehan Froissart (± 1337 - ± 1405) het gedicht “Li orloge amoureus”, doch we weten niet of die verliefde horloge een klepsydra of een klok was. Tot in 1872, bleef te Dover een klok in werking die, volgens de plaatselijke traditie, in 1348 zou gebouwd zijn ; men kan ze daar nog immer gaan bewonderen. Een van de weinige klokken uit die tijd, welke in een tamelijk goede staat tot ons kwam, is die van Philips van Bourgondië (1396-1467). Ze bevindt zich thans in privé-bezit in Duitsland.


Bron : Het Spoor, december 1965


[1Ktesibios bouwde ook nog grote orgels die met samengedrukte lucht werkten. Zijn orgelpijpen, afgeleid van de herdersfluit, vormen het basiselement van de luchtpomp en van de latere stoomcilinders.

[2De Franse dichter Pierre Augustin Caron de Beaumarchais (1732-1798), die zich aanvankelijk oefende in het bedrijf van zijn vader, de horlogemaker Caron, zou de uitvinder zijn van het platte zakhorloge. Hij zou een mechanische constructie uitgevonden hebben, waardoor het werk van het horloge in een tamelijk plat doosje kon worden ondergebracht. Bewijzen hiervan zijn echter niet meer te vinden. Het staat, evenwel, vast dat de uitvinding ook werd opgeëist door een zekere Lepôtre, tegen wie Beaumarchais zich herhaaldelijk en zelfs gerechtelijk heeft moeten verdedigen.

Wat een geluk dat zijn literair werk wel bewaard gebleven is ! Want deze dichter, die tevens een degelijk musicus was — hij gaf onderwijs in het harpspel aan de koninklijke princessen — en, bovendien, een wapensmokkelaar voor de Amerikanen en voor zijn eigen land, zonder over zijn politieke of huiselijke tribulaties te spreken, liet ons zeer mooie toneelstukken na : “Le Barbier de Séville” en “Le Mariage de Figaro” die terecht klassiek geworden zijn. Van het eerste werd door Rossini (1792-1868), van het tweede door Mozart (1756-1791) een charmante opera gemaakt.