Accueil > Het Spoor > Technieken > Waar staat de automatisering van de N.M.B.S.? (vervolg)

Waar staat de automatisering van de N.M.B.S.? (vervolg)

Claude Vial.

mercredi 22 novembre 2017, par rixke

 De detector van warmlopende draagpotten.

De « verhitte oliebus » uit het vocabulaire van de spoorman is een draagpot van een wagen die op abnormale wijze warmgelopen is. Indien « ze » niet bijtijds ontdekt wordt, ontstaat er een gevaar voor brand of ongeval, dat hoe langer hoe groter wordt. Men neemt aan dat de binnentemperatuur van een draagpot gevaarlijk wordt zodra de temperatuur van zijn wanden de 50° overschrijdt.

De nieuwe rollagerpotten zijn zo opgevat dat ze normaal nooit warmlopen. Niet alle Belgische en vreemde wagens die op ons net rijden, beschikken echter over deze uitrusting ; heel wat van deze voertuigen rijden nog met glijlagerpotten, en die verhitten gemakkelijker.

In afwachting blijft de elektronische detectie dus haar kostbare taak vervullen.

Een eerste detector werd, in 1961, in het station Forrières beproefd. Zijn eerste « slachtoffer », de bestuurder van een ertstrein, hoorde het blijkbaar in Keulen donderen, zo werd er mij verteld, toen hij in Jemelle diende te stoppen en de schouwer hem als een ware detective aansprak : « U hebt een warmlopende draag-pot, links, aan de 34ste as vanaf het achtereinde van de trein ».

De detector van Forrières had zijn dienst gedaan. De defecte wagen kon aldus afgekoppeld worden lang vóór het gevaar dreigend werd.

Die proefdetector kon elke voorbijrijdende trein surveilleren die tot 100 km per uur reed. Met de huidige apparaten kunnen zelfs treinen die een snelheid van 200 km/u. halen, gecontroleerd worden.

Wat is een detector van warmlopende draagpotten ? Dit apparaat bestaat uit twee elektronische lezers die aan weerszijden van het spoor opgesteld zijn. Hun gezichtshoek is schuin gericht, derwijze dat de achterkant van elke draagpot bereikt wordt. Elke lezer bevat een cel die uiterst gevoelig is voor infrarode stralen en die, bij de doortocht van een trein, nauwkeurig de temperatuur kan meten van elke draagpot.

Daardoor ontstond er natuurlijk een probleem. Zou de zon, die haar stralen op de cel schiet, hier niet als spelbreekster gaan optreden, met het gevolg dat er vaak en nutteloos alarm zou worden geblazen ? Om dit te voorkomen hebben de bouwers een afsluitscherm ontworpen. De lezer is beveiligd tegen vreemde stralingen en gaat slechts open wanneer er een trein voorbijrijdt. Een bijzondere elektrothermische fijnregeling zorgt er bovendien voor dat alleen de door de draagpotten uitgezonden stralingen worden opgenomen.

Verder worden de lezers inwendig verwarmd met een thermostaatregeling ; hun temperatuur daalt nooit onder 25°. Ze kunnen dus nooit door sneeuw of ijs verstopt worden.

Via verschillende versterkings- en transmissieapparaten, worden de door de lezer opgetekende aanwijzingen in begrijpelijke termen omgezet op een papier-band. Een registreerapparaat dat zich enkele kilometers vandaar in een seinhuis bevindt, laat die band bij elke doortocht van een trein afrollen. Daarop tekenen zich dan opeenvolgende lijnen af waarvan de lengte de temperatuur van elke draagpot weergeeft. Een normale temperatuur schommelt rond de 30°. Een langere streep treft onmiddellijk het kennersoog van het personeel. Het oog... en het oor, want naast het optisch alarm, is er ook een akoestisch alarm.

Op dat ogenblik kan men de trein tot stilstand brengen of hem uitwijken in een nabijgelegen station waar het defecte voertuig zal worden onderzocht. Denk voortaan dus aan de elektronische detector alvorens uit te varen tegen een te onpas komende stilstand ; misschien kon, dank zij zijn waakzaamheid, een ongeval voorkomen worden.

(Wordt voortgezet.)


Bron : Het Spoor, februari 1970