Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Rollend materieel > Wagens > Het goederenmaterieel

Het goederenmaterieel

W.F. De Pessemier.

mercredi 12 septembre 2018, par rixke

 Samenstelling van het park.

Hel wagenpark is ingedeeld in vijf categorieën :

  • Wagens van de handelsdienst, voor het vervoer van de goederen die door de cliënteel aan het spoor worden toevertrouwd ;
  • Ferrybootwagens, voor het verkeer met Groot-Brittannië. Die wagens zijn aangepast aan de verkeersmogelijkheden op het eiland, waar het begrenzingsprofiel kleiner is dan dat van de vastelandsspoorwegen ;
  • Dienstwagens, voor de eigen behoeften van de spoorweg ; het zijn ofwel buiten dienst gestelde wagens van de handelsdienst, ofwel speciale wagens, bestemd voor bepaalde vervoeren (brandstoffen, wielstellen, ballast, zuurstof...) ;
  • Bagagewagens, gebruikt wanneer de exploitatie zulks vereist, in de meeste gevallen om de begeleiding van de treinen mogelijk te maken ;
  • Particuliere wagens, eigendom van firma’s (ketelwagens, wagens voor het vervoer van ertsen, enz.). De gebruikers van die door de N.M.B.S. aangenomen wagens genieten speciale tarieven.

 De evolutie van het effectief.

Onderstaande tabel geeft de evolutie van het effectief tussen 1926, datum van oprichting van de N.M.B.S., en 1940.

Wagens van het handelspark : 1926 1940
- Gesloten wagens 39 407 30 875
- Stortwagens 72 045 56 516
- Platte wagens 10 689 11 069
- Verschillende 826 449
- Totaal 122 967 98 909
Dienstwagens 2 808 5 500
Ferrybootwagens 1 014 593
Bagagewagens 2 455 2 129
Algeheel totaal 129 244 107 131
Totaal laadvermogen van het park 1 991 863 t 1 754 444 t
Gemiddeld laadvermogen per wagen 16,198 t 17,727 t
Vreemde wagens (nalatenschap 1914-1918) begrepen in het algeheel totaal 64 000 48 000

Het merendeel van de stortwagens werd gebruikt voor het vervoer van kolen (70 980 op 72 045 in 1926). Het aantal speciale wagens was miniem.

In mei 1940 heeft de N.M.B.S. de lijnen en het materieel van de Compagnie du Nord Belge overgenomen.

Tijdens de kortstondige periode van de inval in ons land was een groot aantal wagens zoek geraakt in het buitenland. Op 31-12-41 waren 7 318 van deze voertuigen nog niet teruggekeerd terwijl er bij de bevrijding 1 904 onvindbaar bleven.

Toen, op 31-12-44, de wagens geteld werden die op dat ogenblik in België beschikbaar waren, noteerde men 28 505 stortwagens, 6 552 gesloten en 3 472 platte wagens.

57 300 wagens waren « op reis » in het buitenland, waarvan 44 000 in Duitsland en verder.

Op ons net bevonden zich 11 300 wagens die eigendom waren van vijandelijke landen. Bij beslissing van de geallieerde overheid werd dit materieel, oorlogsbuit van de geallieerde legers, gemeenschappelijk gebruikt zoals trouwens al het vervoermaterieel dat zich op het door de Westerse mogendheden gecontroleerde deel van het Vasteland bevond (met uitzondering van het Zwitserse en Zweedse materieel).

Ondanks de gedane opzoekingen bleven er, einde 1950. 20 000 wagens onvindbaar. Het uiteindelijk verlies mag op 15 000 geraamd worden.

Van 1945 tot 1949 werd ons wagenpark aangevuld met :

  • 2 388 wagens, waarvan de bouw voor rekening van de Duitsers vóór het einde van de oorlog aangevat was ;
  • 5 999 wagens, aangekocht in Canada in 1945 ;
  • 9 500 wagens, geleverd door de Belgische particuliere industrie vanaf 1947.

Die nieuwe aanwinsten verjongden het park en verhoogden het gemiddelde laadvermogen per wagen, dat op 19,77 t gebracht werd.

Daarna heeft de Maatschappij haar park gemoderniseerd door :

  • het uit de omloop nemen van verouderde voertuigen en van voertuigen met een geringe tonnemaat ;
  • het verbouwen van overtollige wagentypen ;
  • het bouwen, volgens de door de U.I.C. uitgevaardigde normen, van nieuw materieel, waarvan een belangrijk gedeelte in onze werkplaatsen. De eerste van die wagens dateren van 1956 (stortwagens UIC-type 1 met vier zijdeuren en twee beweegbare kopwanden) ;
  • het bouwen van speciale wagens.

 Het huidige park.

Op 1-1-69 was het handelspark van de wagens als volgt samengesteld :

- Gesloten wagens : 11 883
- Platte wagens : 9 445
- Stortwagens : 22 284
Totaal : 43 612

In dit effectief zijn 5 862 speciale wagens begrepen waaronder :

  • 1 798 gesloten wagens : ferrybootwagens ; wagens voor het vervoer van auto’s, wagens voor het vervoer van bederfelijke waren (geïsoleerd tegen de invloed van de temperatuur en, in de meeste gevallen, uitgerust met een koelinrichting) ; wagens voor het vervoer van poedervormige stoffen die pneumatisch gelost kunnen worden ; wagens met schuifdak en -wanden, enz. ;
  • 2 235 platte wagens : ferrybootwagens ; wagens voor het vervoer van rollen staalplaat ; wagens voor het vervoer van containers met een nuttige last van 5 t ; wagens voor het vervoer van auto’s : wagens voor het vervoer van « transcontainers » van 20, 30 en 40 voet lang ; schraagwagens, uitgerust voor het vervoer van rechtopstaand glas ; wagens met verlaagde vloer voor het vervoer van ondeelbare goederen van grote hoogte ; wagens die speciaal gebouwd werden voor de behoeften van het leger ; enz. ;
  • 1 829 stortwagens : tremelwagens ; zelflossende wagens met of zonder schuifdak ; wagens met nokstaven (overlangse staven dienend als draagsteun voor dekkleden) ; wagens met schuifdak ; heugelwagens voor het vervoer van glas ; enz.

Het gemiddelde laadvermogen van het handelspark heeft 25,5 t per wagen bereikt.

Het park van de dienstwagens omvat 5 029 voertuigen en het park van de. particuliere wagens, 5 106 voertuigen.

 Kwalitatieve evolutie van het effectief.

Het materieel van de Staat en dat van de vroegere Compagnies werden « verrijkt », enerzijds, met buitenlands materieel als gevolg van de oorlogen en, anderzijds, met nieuw materieel dat het vernielde materieel moest vervangen.

Bovendien heeft de vooruitgang op het gebied van het behandelen van de goederen de spoorwegen ertoe aangezet speciaal uitgeruste wagens ter beschikking van de cliënteel te stellen : zelflossende tremelwagens, wagens met beweegbaar dak die dezelfde voordelen bieden als de gesloten wagens en tevens kunnen geladen en gelost worden met hefwerktuigen, wagens met pneumatische lossing, enz. Er is een steeds toenemende vraag naar wagens die de eindverrichtingen kunnen beperken.

Ten slotte kon de nuttige last van de wagens vergroot worden dank zij de verhoging van het toegelaten totaal gewicht op het spoor en de toepassing van nieuwe bouwmethoden die een vermindering van de tarra met zich heeft gebracht. In hun ijver om de snelheid van het vervoer te verhogen en het rendement van de spoorlijnen te verbeteren, streven de spoorwegen ernaar de goederentreinen tussen de reizigerstreinen te laten lopen. Zulks heeft tot gevolg dat het materieel eveneens sneller zal rijden en dat het, derhalve, aan strengere eisen zal moeten beantwoorden.

Kortom, de wagens worden meer gespecialiseerd, krijgen een groter laadvermogen en zijn in staat sneller te rijden.

 Kwantitatieve evolutie van het effectief.

Kwantitatief is het effectief geëvolueerd als gevolg van :

  • de evolutie van het vervoer dat aan de spoorweg toevertrouwd wordt (vermindering van de kolenproduktie, diversiteit van de Belgische produktie, nieuwe internationale verkeersstromen) ;
  • de verhoging van het laadvermogen der wagens ;
  • de verbetering van het gebruiksrendement ;
  • de samenwerking onder de spoorwegadministraties.

Volgens het loopstelsel, kan het park van de handelswagens als volgt ingedeeld worden :

Stelsel Stortwagens Gesloten wagens Platte wagens Totalen
Aantal Tonnemaat Aantal Tonnemaat Aantal Tonnemaat Aantal Tonnemaat
Δ gewone 3 300 72 045 1 098 17 568 1 145 30 867 5 543 120 480
speciale - - - - 10 621 10 621
RIV gewone 7 423 195 382 1 844 32 898 4 919 162 810 14 186 391 090
speciale 1 829 54 268 1 798 39 289 2 225 62 420 5 852 155 977
EUROP gewone 9 732 265 808 7 143 150 003 - - 16 875 415 811
speciale - - - - - - - -
POOL gewone - - - - 1 146 31 516 1 146 31 516
speciale - - - - - - - -
Totaal gewone 20 455 533 235 10 085 200 469 7 210 225 193 37 750 958 897
speciale 1 829 54 268 1 798 39 289 2 235 63 041 5 862 156 598
Algemeen totaal 22 284 587 503 11 883 239 758 9 445 288 234 43 612 1 115 495
Δ Wagens die enkel in binnenverkeer gebruikt kunnen worden [1]

Reeds in 1921, werd de Unie van de RIV [2] opgericht voor het wederzijds gebruik van goederenwagens die aan verschillende spoorwegnetten toebehoren. Door dit akkoord, verbinden de leden zich ertoe het vreemd materieel na lossing zo veel mogelijk opnieuw te gebruiken ; dit opnieuw gebruiken is enkel toegelaten in de richting van het land van het eigendomsnet. Hierdoor is het gebruikscoëfficiënt van dat materieel betrekkelijk laag gebleven. Inderdaad, onder de naburige netten is er geen evenwicht tussen het volume van de in- en uitgevoerde goederen waarvoor hetzelfde wagentype kan worden gebruikt. Bovendien worden de aanvragen voor internationale vervoeren niet noodzakelijk ingediend in een station op het ogenblik dat er aldaar vreemde wagens beschikbaar zijn.

Om die nadelen te verhelpen, hebben de spoorwegnetten in 1953 de "Europ-Conventie" ondertekend, waarbij een deel van hun park gemeenschappelijk mocht worden geëxploiteerd, en hun toestemming gegeven om de wagens door elk van de aangesloten netten als hun eigen wagens te laten gebruiken. Dat materieel wordt nog slechts teruggezonden naar het eigendomsnet voor "periodieke herziening". Door dit gemeenschappelijk gebruik kan men een zelfde vervoervolume garanderen met minder voertuigen, wat beperkter investeringen en een verhoging van het rendement van het materieel met zich brengt.

De "Europ-Conventie" kon tot stand komen dank zij een normaliseringspolitiek die sedert het einde van de oorlog op Europese schaal uitgebreid werd, maar die aanvankelijk tot de stortwagens en de overdekte wagens beperkt bleef. Het betrokken effectief beliep 180 000 wagens (waarvan 19 500 N.M.B.S.) ; het EUROP-park omvat thans 210 304 wagens, waarvan 16 700 N.M.B.S. (toestand op 30-11-69).

Evolulie van het effectief van de handelswagens

Grafiek 1

Daar, in 1968, de normalisering van de platte wagens voldoende gevorderd was (behalve in Oostenrijk), werd er een nieuwe conventie ondertekend : de « POOL-Conventie », die alleen maar van de Europ-Conventie verschilt doordat de ÖBB er geen lid van zijn, 38.000 platte wagens met 2 assen, van het UIC-type (waarvan 1 311 N.M.B.S.) werden gemeenschappelijk geëxploiteerd.

Grafiek 2

In 1949 werd een andere vorm van samenwerking onder de spoorwegen opgericht die een rationeler gebruik van het materieel beoogde : « de Internationale Samenwerkende Vennootschap voor koeltransport INTERFRIGO » (van Belgisch recht). Die vennootschap verschilt van de andere vormen van samenwerking doordat ze, als eigenaarster van wagens en containers speciaal gebouwd voor het vervoer van bederfelijke waren, die vervoermiddelen ter beschikking stelt van haar leden wanneer deze ze nodig hebben. Bovendien beheert INTERFRIGO het internationaal vervoer dat onderhouden wordt met koelwagens die eigendom zijn van de aangesloten spoorwegnetten. Op die wijze ontlast deze organisatie de administraties van het aankopen en het in dienst houden van een groot aantal kostbare voertuigen waarvan het gebruik beperkt zou blijven tot de korte perioden waarin de goederen geoogst worden. De maatschappij INTERFRIGO bezit ongeveer 4 100 koel- en machinekoelwagens en beheert het vervoer dat gedaan wordt met de nagenoeg 18 200 soortgelijke wagens die eigendom zijn van de aangesloten netten.

Grafiek 3

De onlangs opgerichte « Samenwerkende Vennootschap INTERCONTAINER » (van Belgisch recht) heeft zich gespecialiseerd in het vervoer van transcontainers. Ze is net een grossier die bij de spoorwegen diensten koopt onder de vorm van treinladingen of treinstellen, ten einde zo laag mogelijk tractieprijzen te bekomen ; die grossier verkoopt vervolgens zijn diensten voort, in ’t klein of in tussenhandel, aan de gebruikers. Door het organiseren van « bloktreinen » (in Engeland freightliners genoemd) is het rendement van de wagens die voor dit vervoer gebruikt worden, merkelijk gestegen. Door het oprichten van zijn eigen wagenpark, draagt de S.V. INTERCONTAINER bij tot de normalisering van een gespecialiseerd materieel en beperkt ze aldus de effectieven van de aangesloten administraties.

 En morgen ?

De leeftijdsgrens van een wagen zou de 40 jaar niet mogen overschrijden. Welnu, grafiek 4 toont aan dat het effectief van de handelswagens, op 1-1-69, 9 571 wagens bevatte van 40 tot 85 jaar, die spoedig uit de omloop zouden dienen getrokken te worden daar hun onderhoud kostbaar is. Bovendien zijn ongeveer 3 300 dienstwagens eveneens meer dan 40 jaar oud.

Grafiek 4

Ongeveer 8 000 wagens zijn nog steeds voorzien van draagpotten die niet meer beantwoorden aan de voorschriften welke, sedert 1-1-70, door het RIV voor het rijden in de internationale treinen opgelegd worden. Ze zouden met rollagerdraagpotten uitgerust moeten worden. Maar de staat waarin die wagens verkeren rechtvaardigt die kostbare verbouwing niet meer. Nog tijdelijk bruikbaar in binnenverkeer, zullen ze vóór 1973 moeten verdwijnen.

De aanstaande toepassing van de automatische koppeling brengt de verbouwing met zich van het raam van de vóór 1965 gebouwde wagens. Onder de wagens die nog geen 40 jaar oud zijn, bevinden zich ongeveer 3 000 wagens die beschouwd worden als zijnde ongeschikt voor de toepassing van die koppeling.

De dienstwagens, althans die welke bestemd zijn om in gewone treinen ingeschakeld te worden, zullen, net als de handelswagens, voorzien moeten worden van rollagerdraagpotten en van de automatische koppeling ; een groot aantal hiervan zijn niet meer geschikt om die verbouwingen te ondergaan en zullen moeten vervangen worden.

Het park zal dus op spectaculaire wijze evolueren. Men schat dat bet toekomstige effectief ten minste 41 000 handels- en 3 000 dienstwagens zal moeten bedragen. Rekening houdend met deze schatting en met de hierboven vermelde technische eisen, zal onze Maatschappij nagenoeg 25 500 nieuwe wagens moeten aankopen en, vóór 1-1-1980, 14.500 wagens moeten aanpassen aan de automatische koppeling.

Het bouwprogramma zal rekening dienen te houden met :

  • de voordelen die de wagens met draaistellen bieden ;
  • de mogelijke verhoging van het totale gewicht op het spoor ;
  • de specialisering van hel materieel ;
  • de normalisering van het materieel ten einde bet gemeenschappelijk gebruik ervan te bevorderen ;
  • de toenemende exploitatie van bepaalde trafieken met « bloktreinen » waardoor het rendement van het aangepaste materieel tot het maximum kan worden opgedreven ;
  • de uitbreiding van de « containerisering ».

Naarmate dit programma uitgevoerd wordt, zal de exploitatie van het park van het goederenmaterieel, beheerd met behulp van de elektronica, evolueren tot groter welzijn van de gemeenschap. Want indien elke vervoerwijze haar nut heeft, dan is bet toch de spoorweg die zijn produktie van massavervoerder met de minste kosten kan uitbreiden. Hij kan zulks doen zonder iemand te hinderen en zonder aan bet land belangrijke investeringen op het stuk van de infrastructuur te moeten vragen.


Bron : Het Spoor, Augustus 1970


[1In die cijfers zijn 2 190 voertuigen begrepen die wegens hun ouderdom aan het effectief van het handelspark onttrokken werden. Ze zullen ofwel gesloopt ofwel als dienstwagens gedeclasseerd worden.

[2« Regolamento Internazionale Veicoli » (Reglement voor het wederzijds gebruik in internationaal verkeer van wagens).