Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > De wisselwachter

De wisselwachter

Juan José Arreola.

samedi 2 mars 2019, par rixke

« Het verhaal DE WISSELWACHTER is volgepropt met clownesque absurditeiten. Het is de absurditeit zelf ». Zo werd het hiernavolgende verhaal, in juni 1966, aan de lezers van het maandblad AVENUE, een uitgave van de Geïllustreerde Pers N.V., gepresenteerd. Wij brengen het zonder de minste aanbeveling, ofschoon wij hopen dat onze lezers het op prijs zullen stellen. De auteur, die in Mexico geboren werd, is een autodidact die zelfs de lagere school niet heeft doorlopen. De vertaling is van de hand van Leo Klatser.

De vreemdeling kwam buiten adem op het verlaten station aan. Zijn grote koffer, die niemand wilde vervoeren, had hem uitgeput. Hij veegde met een zakdoek het zweet van zijn gezicht en met zijn hand aan de ogen keek hij naar de rails die verdwenen aan de horizon. Ontmoedigd en nadenkend raadpleegde hij z’n horloge ; het was precies de tijd waarop de trein zou moeten vertrekken. Iemand, wie weet waarvandaan gekomen, tikte hem heel zachtjes op de schouder. Toen hij zich omkeerde, bevond de vreemdeling zich tegenover een oud mannetje dat vaag iets van een spoorman had.

In zijn hand droeg hij een rode lantaarn, maar zo’n kleintje, dat het wel speelgoed leek. Hij bekeek de reiziger glimlachend en deze vroeg hem benauwd : « Neemt U me niet kwalijk, is de trein al vertrokken ? ».

« Bent U nog niet lang in dit land ? ».

« Ik moet onmiddellijk vertrekken. Ik moet beslist morgen in T. zijn ».

« Het is duidelijk dat U geen idee hebt van wat er aan de hand is ».

« Wat U vandaag nog moet doen, is onderdak zoeken in de herberg ».

En hij wees in de richting van een merkwaardig askleurig gebouw, dat meer op een tuchthuis leek.

« Maar ik wil nergens mijn intrek nemen, integendeel, ik wil weg met de trein ».

« Huurt U direct een kamer, als die er is. En als ik U iets mag aanraden, neemt U hem per maand, dat komt veel goedkoper en U zult beter bediend worden ».

« Bent U gek ? Ik moet morgen nog in T. zijn ».

« Eerlijk gezegd zou ik U aan uw lot moeten overlaten. Maar ik zal U toch een paar inlichtingen geven ».

« Alstublieft ».

« Dit land is beroemd om zijn spoorwegen, zoals U weet. Tot nu toe is het niet mogelijk geweest om ze behoorlijk te organiseren, maar er zijn al grote dingen gedaan wat betreft de publikatie van de dienstregeling en de verzending van de kaartjes. De spoorboekjes bevatten en verbinden alle dorpen van het land. Er worden kaartjes uitgegeven tot voor de kleinste en verst verwijderde plaatsen. Het enige wat nog ontbreekt, is dat de konvooien de aanwijzingen van de gids uitvoeren en de stations werkelijk aandoen. De inwoners van het land verwachten dat. Intussen accepteren ze de onregelmatigheden van de dienst en hun vaderlandslievendheid verbiedt ze elke uiting van misnoegen ».

« Maar is er een trein die door deze stad komt ? ».

"Het zou niet juist zijn dat te bevestigen. Zoals U zelf kunt vaststellen, zijn er rails, hoewel een beetje beschadigd. In sommige plaatsen zijn ze simpelweg op de grond aangegeven door twee krijtstrepen. Gezien de huidige omstandigheden, is geen enkele trein verplicht om hier langs te gaan, maar het is net zo goed mogelijk dat het wel gebeurt. Ik heb in mijn leven al heel wat treinen voorbij zien gaan en ik heb enkele reizigers gekend die er in konden stappen.

Als U lang genoeg wacht, zou ik graag op een keer zelf de eer willen hebben, U te helpen bij het bestijgen van een prachtige, comfortabele wagon« . »Zou die trein me naar T. brengen ?« . »Waarom wilt U met alle geweld juist naar T.?

U zou al tevreden moeten zijn als U zou kunnen instappen. Eenmaal in de trein, zou uw leven een heel andere wending nemen. Wat hindert het als die niet naar T. leidt ?« . »Wel, omdat ik een geldig kaartje heb om naar T. te gaan.

Logisch gesproken wil ik dus ook naar die plaats gebracht worden, nietwaar ?« . »De eerste de beste zou zeggen dat U gelijk hebt. In de herberg kunt U met mensen spreken die voorzorgsmaatregelen getroffen hebben door grote hoeveelheden kaartjes te nemen. In het algemeen kopen vooruitziende mensen reisbiljetten voor alle uithoeken van het land. Er zijn er die een fortuin aan kaartjes hebben uitgegeven...« . »Ik dacht dat één kaartje voldoende zou zijn om naar T. te gaan. Bekijkt U het maar« . »Het volgende baanvak van de Nationale Spoorwegen zal gemaakt worden met het geld van één enkele man, die tenslotte zijn enorme kapitaal heeft uitgegeven aan retour-kaartjes voor een spoorwegtraject waarvan de plannen, die verscheidene tunnels en bruggen omvatten, zelfs nog niet goedgekeurd zijn door de ingenieurs van de onderneming« . »Maar de trein die T. aandoet, is die al in dienst ?«  » En die niet alleen. In werkelijkheid zijn er heel veel treinen in het land en de reizigers kunnen ze met een betrekkelijke regelmaat gebruiken, als ze er maar rekening mee houden dat het hier geen officiële en definitieve dienst betreft. Met andere woorden, bij het bestijgen van een trein verwacht niemand vervoerd te worden naar de plaats die hij wenst« . »Hoe dat zo ?«  »In haar verlangen de burgers van dienst te zijn, ziet de onderneming zich gedwongen wanhopige maatregelen te nemen. Ze laat treinen lopen door onbegaanbare streken. Die treinstellen zijn soms verscheidene jaren bezig om hun traject af te leggen en het leven van de reizigers ondergaat verschillende belangrijke wijzigingen. Overlijden is niet zeldzaam in zulke gevallen, maar de maatschappij, die dat alles heeft voorzien, voegt aan die treinen een rouwkapel-wagon en een begraafplaatswagon toe. Het is de trots van de conducteurs, het lijk van ’n reiziger, rijkelijk gebalsemd, op het perron van het station dat op zijn kaartje staat af te leveren. Het gebeurt wel dat deze treinen noodgedwongen trajecten afleggen waar een van de rails ontbreekt. Eén kant van de wagons siddert jammerlijk van de schokken die de wielen op de bielsen maken. De eersteklas-reizigers, weer zo’n voorzorgsmaatregel van de onderneming, klitten samen aan de kant waar een rail is. Die van de tweede klas dulden de schokken berustend. Maar er zijn nog andere baanvakken, waar de rails helemaal ontbreken ; daar lijden de reizigers allemaal even erg, totdat de trein volkomen vernield stil blijft staan« . »Grote goedheid !« . »Kijkt U eens, het dorp F. is als gevolg van zo’n ongeluk ontstaan. De trein moest langs een onbegaanbaar terrein. De wielen versleten tot op de assen, weggeslepen door het zand. De reizigers waren zo lang samen geweest, dat uit de gebruikelijke oppervlakkige gesprekken hechte vriendschappen ontstonden. Enkele van die vriendschappen veranderden al gauw in idylles en het resultaat daarvan is F., een vooruitstrevend dorp vol ondeugende kinderen die met de aangetaste overblijfselen van de trein spelen« . »Ach lieve, voor zulke avonturen ben ik niet in de wieg gelegd« . »Dat hoeft U de lust niet te benemen ; het kan wel gebeuren dat U een held wordt. Geloof maar niet dat het de reizigers aan gelegenheden ontbreekt om hun moed en opofferingsgezindheid te tonen.

Op een keer schreven tweehonderd anonieme reizigers een van de meest glorieuze bladzijden in de annalen van de spoorweggeschiedenis. Het gebeurde tijdens een proefrit, dat de machinist een ernstig verzuim van de bouwers van de lijn ontdekte. Op de route ontbrak een brug die de beide zijden van een ravijn had moeten verbinden. Welnu, in plaats van terug te schakelen, sprak de machinist de reizigers langdurig toe en verkreeg tenslotte van hen de hulp die hem in staat stelde verder voorwaarts te gaan. Onder zijn krachtige leiding werd de trein stukje voor stukje gedemonteerd en op de schouders naar de andere kant van het ravijn gedragen, dat als verrassing in de diepte ook nog een waterrijke rivier bleek te herbergen. Het resultaat van deze heldendaad was zo bevredigend, dat de maatschappij definitief afzag van de bouw van de brug en dit bekroonde met een aantrekkelijke tariefverlaging voor de reizigers, die zodoende aangemoedigd werden het hoofd te bieden aan dit extra ongerief« . »Maar ik moet morgen nog in T. zijn« . »Heel goed. Het doet mij genoegen dat U niet van uw stuk te brengen bent. Daaruit blijkt dat U een man bent met een overtuiging. Gaat U nu meteen in de herberg logeren en neem de eerste trein die voorbij komt. Probeer het tenminste. Er zullen wel duizend mensen zijn om het U te beletten. Bij aankomst van een treinstel komen de reizigers, wanhopig door het te lange wachten, met geweld de herberg uit om het station te bestormen. Ze veroorzaken herhaaldelijk ongelukken door hun ongelooflijk gebrek aan hoffelijkheid en voorzichtigheid. In plaats van ordelijk in te stappen, trappen ze elkaar plat of minstens beletten ze elkaar domweg het instappen, en de trein vertrekt, hen verward achterlatend op de perrons van het station. De reizigers, uitgeput en woedend, vervloeken hun gebrek aan opvoeding en brengen veel tijd door met het elkaar beschimpen en het uitdelen van stompen« . »En komt de politie niet tussenbeide ?« . »Men heeft geprobeerd om voor elk station een politiekorps te formeren, maar de nooit te voorziene aankomst van de treinen zou een dergelijke dienst onbruikbaar en uiterst kostbaar maken. Bovendien zouden de leden van dit lichaam al gauw hun omkoopbaarheid tonen en zich uitsluitend wijden aan het beschermen van het vertrek van reizigers met veel geld, die hen in ruil voor dit dienstbetoon alles zouden geven wat ze nog bezaten. Verder zou het opgelost kunnen worden door de oprichting van een speciaal soort scholen, waar toekomstige reizigers lessen in welgemanierdheid zouden krijgen en een passend onderricht dat hen in staat zou stellen hun leven in treinen door te brengen.

Daar zou men ze kunnen leren hoe op een in beweging zijnde trein te stappen, zelfs bij grote snelheden. Ook zou men hen een soort harnas kunnen aanmeten om te vermijden dat hun ribben door de andere reizigers gebroken worden« . »Maar, als men eenmaal in de trein is, staat men dan nog aan meer moeilijkheden bloot ?« . »Betrekkelijk. Het is alleen aan te bevelen, goed op te letten op de stations. Het zou kunnen gebeuren dat u denkt in T. aangekomen te zijn en dat het slechts een illusie is. Om het leven aan boord van de te volle wagons te regelen, ziet de onderneming zich gedwongen haar toevlucht te nemen tot bepaalde handigheidjes. Sommige stations zijn pure schijn. Ze zijn midden in het bos gebouwd en dragen de naam van een of andere belangrijke stad. Maar een beetje oplettendheid is voldoende om het bedrog te ontdekken. Ze zien eruit als theaterdecors en de mensen die er rondlopen, zijn gevuld met zaagsel. Die poppen onthullen duidelijk de gruwelen van de buitenwereld, maar soms zijn het volmaakte beelden van de werkelijkheid. Op hun gezicht dragen ze de tekenen van een oneindige vermoeidheid« . »Gelukkig is T. hier niet ver vandaan« . »Maar op het moment ontbreken de directe verbindingen. Ongetwijfeld zou het best kunnen gebeuren dat U morgen nog in T. aankomt, precies zoals U zich dat heeft voorgesteld. De organisatie van de spoorwegen, hoewel gebrekkig, sluit de mogelijkheid van een reis zonder hindernissen niet uit. Kijk eens, er zijn mensen die zich nooit rekenschap hebben gegeven van wat er gebeurt. Ze kopen een enkele reis T. Er komt een trein langs, ze stappen in en de volgende dag horen ze de conducteur aankondigen : We zijn aangekomen te T. Zonder enige voorzorg stappen de reizigers uit en bevinden zich inderdaad in T.« . »Zou ik iets kunnen doen om dat resultaat te bevorderen ?« . »Natuurlijk kunt U dat. Alleen, wat men nooit weet, is of het iets zal helpen. Neem het je in elk geval voor. Stap in de trein in de vaste overtuiging dat hij in T. aankomt. Spreek met niemand van de passagiers. Ze zouden U kunnen ontmoedigen met hun reisverhalen en het zou zelfs kunnen dat ze U aangeven« . »Wat zegt U daar nu ?« . »Krachtens de huidige stand van zaken zitten de treinen vol met spionnen. Deze spionnen, merendeels vrijwilligers, wijden hun leven aan het steunen van de opbouwende geest van de maatschappij. Soms weet men niet wat men zegt en praat alleen om te praten. Maar dan geven zij zich rekenschap van alle betekenissen die een zin kan hebben, hoe eenvoudig ook. Van de meest onschuldige opmerking weten zij een strafbare mening te maken. Als U ook maar de kleinste onvoorzichtigheid beging, zou U zonder meer in hechtenis genomen worden en U zou de rest van uw leven in een gevangeniswagon doorbrengen, voor zover ze U niet verplichten in een namaakstation uit te stappen, verloren in het bos. Reist U vol vertrouwen, eet de kleinst mogelijke hoeveelheid voedsel en zet uw voeten niet op het perron voordat U in T. een of andere lieve bekende ziet« . »Maar ik ken niemand in T.« . »Weest U in dat geval dubbel voorzichtig. Er zijn, dat verzeker ik U, veel verleidingen onderweg. Als U uit de raampjes kijkt, loopt U kans in de val van een luchtspiegeling te trappen. De raampjes zijn voorzien van ingenieuze apparaten die allerlei illusies wekken bij de passagiers. U hoeft niet eens stom te zijn om erin te trappen. Deze apparaten, die vanaf de locomotief bediend worden, wekken door geluiden en beweging de indruk dat de trein rijdt. Ongetwijfeld kan de trein wekenlang blijven stilstaan, terwijl de reizigers door de raampjes boeiende landschappen voorbij zien trekken« . »En wat is de bedoeling daarvan ?« . »Dat alles doet de maatschappij in de gezonde veronderstelling, de bezorgdheid van de reizigers te verminderen en zoveel mogelijk de sensatie van het zich verplaatsen weg te nemen. Men streeft ernaar zich nooit volkomen aan het toeval over te geven, in de handen van een almachtige maatschappij, zodat het niemand meer iets kan schelen waar men heen gaat of waar men vandaan komt« . »En U, hebt U veel per trein gereist ?« . »Ik, mijnheer, ik ben maar wisselwachter. Om U de waarheid te zeggen, ben ik een gepensioneerde wisselwachter en ik kom hier alleen maar af en toe om de goede oude tijd te herdenken. Ik heb nooit gereisd en ik heb er ook geen zin in. Maar de reizigers vertellen me verhalen. Ik weet dat er door de treinen nog veel meer nederzettingen ontstaan zijn dan alleen maar het dorp F., waarvan ik U het ontstaan vertelde.

Het gebeurt soms dat de bemanning van een trein geheimzinnige opdrachten ontvangt. Ze nodigen de reizigers uit de wagons te verlaten, in het algemeen onder het voorwendsel, de schoonheden van een bepaalde plaats te bewonderen. Ze spreken hen over grotten, watervallen of beroemde ruïnes. « U kunt vijftien minuten die of die grot bezichtigen », zegt de conducteur vriendelijk. Als de reizigers zich eenmaal op een zekere afstand bevinden, ontsnapt de trein op volle kracht« . »En de reizigers ?« . »Gedurende enige tijd zwerven ze onthutst van de ene plaats naar de andere, maar tenslotte verenigen ze zich en vestigen zich in een kolonie. Dergelijke niet voorziene haltes zijn op daarvoor geschikte plaatsen, ver weg van elke beschaving en met voldoende natuurlijke rijkdommen. Daar worden uitgezochte percelen grond en bovendien ruim voldoende vrouwen verdeeld onder jonge mensen. Zou het U niet lijken, de rest van uw dagen door te brengen in een schilderachtig, onbekend plaatsje, in gezelschap van een lief meisje ?".

Het oude mannetje knipoogde en bleef de reiziger schalks aankijken, glimlachend en vol goedigheid.

Op dat moment hoorde men verweg fluiten.

De wisselwachter maakte een sprongetje van opwinding en begon belachelijke, ongeordende signalen met zijn lantaarntje te geven. « Is dat de trein ? » vroeg de vreemdeling.

De oude begon buitensporig snel naar de spoorbaan te hollen. Toen hij op enige afstand gekomen was, draaide hij zich om en riep : « Veel geluk ! Morgen zult U op uw beroemde station aankomen. Hoe zei U ook al weer dat het heette ? ».

« X » antwoordde de reiziger.

Op dat moment loste het oude mannetje zich op in de heldere ochtend.

Maar het rode puntje van zijn lantaarn ging hollend en springend verder tussen de rails, zeer onvoorzichtig, de trein tegemoet. Aan de einder naderde de locomotief als een opzienbarende troonsbestijging.


Bron : Het Spoor, november 1970