Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Treinreis

Treinreis

B. Naretoel.

mercredi 3 avril 2019, par rixke

Vijfenvijftig minuten te vroeg... Had hij moeten weten. Maar ja, in een vlaag van geforceerd optimisme had hij zich niet om vertrekuren bekreund. Bovendien had zijn onderbewustzijn wellicht erop gerekend dat er elk uur een trein vertrekt. In het ergste geval betekende zulks negenenvijftig minuten wachten. Dat kwam hij wel te boven.

Zijn onderbewustzijn had juist gerekend. Er is elk uur een trein. Voor de rest is zijn geval het ergste, natuurlijk. Er is juist een trein vertrokken. Ze wachten ook nooit op iemand die het voor één keer aan het toeval overlaat om een beetje geluk te hebben. Moet hij dan heel zijn leven roeien, mag hij zich dan nooit eens laten drijven zonder zich erom te bekommeren waar hij zal belanden ?

De grote wijzer van de elektrische klok boven het loket springt nerveus één minuut verder. Even wil en kan hij wel wachten, alleen maar om te ervaren hoelang één minuut wel duurt. Dat dan maal vierenvijftig en hij weet precies hoe lang nog. Neen, de laatste vijf minuten mocht hij wel verwaarlozen. De trein zal ten minste één minuut vóór vertrektijd binnenlopen ; daarbij komt dan nog de tijd om zich naar het perron te begeven. Dat kan hij allemaal van de wachttijd aftrekken.

Is die wijzer nu nog niet versprongen ?

Maar de trein kan met vertraging aankomen, en van hier tot op het perron vallen er beslist nog honderd meter af te leggen. Een atleet loopt die in tien seconden. Een hardloper ! Wanneer heeft hij nog eens gelopen ? Hij zal wel nooit meer lopen. Wandelen ja, als iemand die doet of hij geniet van de dag waarin hij leeft. Hij heeft geen tijd om te genieten, elke minuut is een strijd met zichzelf waarvan niemand iets mag merken. En minuten kunnen een eeuwigheid duren. Wanneer verspringt nu die wijzer ?

Hij is naar de deur van de wachtkamer gegaan en kijkt door het bestofte raam naar het schier verlaten stationsplein. Het is beginnen te regenen. Hevig genoeg om dadelijk kletsnat te zijn, maar niet zo dat je zou kunnen verwachten dat het spoedig ophoudt. Behalve die regen had hij redenen te over om niet naar buiten te gaan. Na enkele minuten zou hij te vermoeid zijn om nog verder te lopen, hij zou ergens moeten rusten. Op een bank in de regen ? Dat is te gek. ’n Café binnengaan, iets bestellen, en daar de minuten tellen ? Dat kom hij evengoed hier doen. Hij draait zich plots om, misschien gaat de tijd toch vlugger voorbij dan hij denkt. Nog tweeënvijftig minuten. Een eeuwigheid is dus twee minuten. Hoeveel eeuwigheden nog eer het leven gewoon verder gaat in een voortrazende trein ?

Naast het loket hangt een affiche. Bosgrond te koop met vijfentwintigjarige dennen. Twee hektare, veertig are. Bossen zijn heerlijk, daar wonen vogels die blij zijn en zijn er zachte dennenaalden op de grond om lekker op te rusten. Maar hij heeft geen tijd om naar een bos te gaan, hij heeft slechts vijftig minuten, en dat is heus de moeite niet. Maar in een wachtkamer zijn de minuten anders dan in de natuur. Twee hektare is wel groot. Als hij in het midden van dat bos zou staan, zouden ze hem dan kunnen zien van aan de rand ? Vijfentwintigjarige dennen zijn misschien wel zo dik dat ze het middelpunt onzichtbaar maken. Wanneer was hijzelf vijfentwintig jaar geweest ? Dat is lang voorbij. Maar een mens is geen boom. Een vent als een boom, maar bomen kunnen zich niet verplaatsen. Ze kunnen zich laten verplanten als een mens het wil. Oude bomen willen niet verplant worden, ze sterven staande. Dus hebben bomen soms een wil... Sequoias worden wel drieduizend jaar. Vijftigmaal zestig, drieduizend seconden. Vijfentwintigjarige dennen willen echter nog niet sterven, hij wel toen hij er vijfentwintig was. Dat was in het jaar veertig. Misschien zou hij toch wel die twee hektare willen, maar niet die veertig are. Dat nooit, nooit meer die tijd meemaken. De tijd is vijftig minuten voor het vertrek.

Laten we nu eens rustig nadenken, wij hebben ruim de tijd. Laten we een plan opmaken om die tijd zo goed mogelijk door te brengen. Hij kon bijvoorbeeld een krant kopen, maar de kioskhoudster had haar luiken dicht gedaan. Trouwens, hij had er gisteren nog een gelezen, en het is toch alle dagen hetzelfde nieuws. Internationale conferenties, hier of daar een mini-oorlog, een moord, een proces, een diefstal en een paar verkeersongevallen.

Je kunt niets doen in een wachtkamer, niets. Je kijkt naar dingen, die je niet interesseren. Je zoekt iets dat beweegt, iemand die zich verplaatst, waarvan je kunt voorspellen wat er de volgende minuut mee gebeuren zal. Zelfs de minutenwijzer beweegt niet. De bediende achter het loket is verdwenen. Hij is helemaal alleen in de wachtkamer en nergens in de onmiddellijke nabijheid valt er iets te bespeuren. Goed dan, de tijd gaat er niet vlugger of trager om. Hij heeft reeds zeven minuten verzameld, en de andere komen toch, onafwendbaar. De tijd vliegt snel, gebruik hem wel. Larie, uitgevonden door iemand uit de tijd toen er nog geen treinen reden. Rijden er nu wel ? Ja, ieder uur één. En als het niet betert twee, zegt de dokter. Maar het betert, want de wijzer is weer versprongen. Indien het slechter met hem ging, zou er dan ieder halfuur een trein komen ? Een kortstondig gevoel van tevredenheid vervult hem om deze zelf gefabriceerde galgehumor.

Er zijn twee vrouwen binnengekomen. Op een bank leggen ze vier dozen, twee pakjes in bruin papier en een regenscherm. Hij vraagt zich af hoe ze dit laatste hebben kunnen openhouden. Praten doen ze niet, daar zijn ze waarschijnlijk te opgewonden voor. De komende treinreis zal voor hen wel een gebeurtenis zijn, anders kom je geen drie kwartier voor het vertrek in een wachtkamer. En hijzelf dan ? Maar dat was een vergissing. Nu niet meer ijsberen, maar kalm gaan zitten en geduld oefenen. Oefening baart kunst. Is het dan zo’n kunst gewoon te zitten en niets te doen ? Kijk naar die twee vrouwen, simpele oude mensjes, die geen problemen hebben met het wachten. Zij hebben hun plicht gedaan met op tijd in het station te zijn, de rest van hun reis ligt niet in hun bevoegdheid. Zodra, later, de trein met hen zal vertrekken, zullen ze de kleine bruine pakjes openen en beginnen te eten. Ze zullen het doen omdat ze niet rustig in een trein kunnen zitten zonder iets om de handen te hebben. Gek toch. Op dat ogenblik zal hij zelf kalm worden, omdat er iets met hem gebeurt, omdat hij iets te doen heeft : rijden. Maar hier in die sobere kamer valt er niets te beleven. Eten zou hij niet kunnen. Trouwens er is niets eetbaars.

Zouden die twee vrouwen familie van elkaar zijn, of buren die dezelfde richting uit moeten ? Als hij nu wist of ze beiden onder het enige regenscherm gelopen hadden, kon hij verdere conclusies maken. Sherlock Holmes zou er een loep bijhalen en de vochtigheidsgraad van hun klederen vergelijken. Maar met een vergrootglas bekeek Sherlock Holmes slechts dode voorwerpen en geen wachtende treinreizigers. Indien hijzelf een loep of een verrekijker had, zou hij de grote wijzer van de stationsklok onderzoeken om het bewijs te vinden dat de tijd vergleed. Maar deze klok glijdt niet, ze is elektrisch en staat stil. Slechts iedere minuut heeft ze een zenuwschokje.

Nog tweeënveertig schokjes en zijn trein zal vertrekken. Zijn lippen zijn zachtjes beginnen te trillen.

De bediende zit opnieuw achter zijn loket en schrijft wat in een boek. Indien hij nu zelf wat te schrijven had ? Prentkaarten ? Er moeten er beslist in de kiosk hangen. Hij staat op omdat hij weten wil of zijn veronderstelling juist is. Inderdaad, er hangen twee kaarten, netjes onder elkaar met kleefband aan de binnenkant van het glas bevestigd. « Kerkstraat, rue de l’Eglise », en de andere « Station ». Zo ziet dit er dus aan de buitenkant uit, en dat is de deur waarlangs hij binnengekomen is. Hij kent nu dit station van binnen en van buiten. Maar hij kan nu beter opnieuw gaan zitten, want het staan zou hem te veel vermoeien, en daardoor wordt alles maar erger. Misschien komt er dadelijk veel volk en dan zal hij geen zitplaats meer hebben, hij die hier de eerste was. Ze zijn met vier, de bediende inbegrepen. Misschien komt er helemaal niemand meer.

De vrouwen beginnen te praten, maar ze zitten te ver om iets van hun gesprek te verstaan. Misschien kennen ze elkaar niet eens en zoeken ze op die manier de tijd te korten. Terwijl de linkerdame luistert, kijkt ze hem aan, veel te lang om niet onbeleefd te zijn. Hij voelt aan haar blik dat zij meer belangstelling heeft voor hem dan voor de woorden van haar buurvrouw. Blijkbaar intrigeert hij haar. Hij kruipt wat dieper in zijn jas, zodat zijn mond bedekt is.

Er is nog iemand binnengekomen, iemand die, te oordelen naar zijn stoppelbaard en zijn bekaaid plunje, blijkbaar niet zozeer op uiterlijke verzorging gesteld is. De nieuwe komt vlak naast hem zitten, achteroverleunend op de ongemakkelijke bank. Ofwel is die man pas dronken geweest ; ofwel is hij moe, erg moe, misschien wel levensmoe ? Hij kan best over die man fantaseren, zo gaan die veertig minuten ook voorbij. Natuurlijk is hij iemand die alleen leeft, want geen vrouw zou hem zo op reis laten gaan. Maar zal hij straks wel de trein nemen. Of is het uit armoede dat hij hier in de wachtkamer zit ? Heeft hij op een of andere manier tijd te veel ? Maar tijd is geld, en met geld koop je scheerzeep en kleren. Drinken doet die man, al zijn geld opdrinken, en dan nog schuld maken. Zinloze fantasie. Om de waarheid te kennen, zou hij hem moeten aanspreken ; maar is hij er wel zeker van dat die man hem zal antwoorden, dat hij hem geen leugens zal vertellen. En hij moet op zijn linkerarm letten, die stijf wordt en begint pijn te doen. Hij moet iets vinden om zijn ongeduld te vergeten. Maar er is hier niets dan de klok, die hem nog meer dan een halfuur bespotten zal.

De toegang tot het perron is afgesloten. Indien hij nu toch maar wist hoeveel minuten voor het vertrek die deur gewoonlijk opengaat, dan kon hij die aftrekken van de totale tijd. Want een perron is geen wachtkamer. Zou hij het durven vragen aan de bediende ? Maar die zal hem met een superieure blik antwoorden dat er tijdig genoeg zal worden geopend, en hem nooit zeggen « binnen zoveel minuten ».

De pijn in zijn arm wordt heviger. Hij staat op, ijsbeert opnieuw door de kamer. Laat iedereen nu maar weten dat hij ongeduldig is. Ten slotte heeft ieder zijn manier van wachten. Alleen moet hij trachten niet zo dikwijls naar die klok te kijken, daardoor duurt de tijd maar langer.

Hij denkt aan grote stations, waar je iets kunt drinken of eten, en kranten kopen, en aan nog grotere stations, waar je een bad kunt nemen... Zijn sjofele buurman bekijkt hem met dromerige ogen, de twee vrouwen zwijgen, misschien omdat hij niets mag horen. Dus spraken ze toch over hem, terwijl hij nu juist niet opgemerkt wilde worden.

Zijn keel is droog, hij zou best iets kunnen drinken. Maar dan moet hij door de regen de straat op om ’n café te zoeken. En er rest hem alles bij elkaar nog een klein halfuur. Te weinig tijd om een glas te gaan drinken. Belachelijk. Hij heeft te weinig tijd, en hij zou de tijd willen wegduwen, die hij te veel heeft. Het leven is vol tegenstrijdigheden. Neen, een strijd tegen de tijd. Hij zou willen strijden in het openbaar met zijn lichaam en al zijn macht, niet moeten vechten tegen zichzelf. Hij heeft de tijd eens gezien in een tijdschrift, een oud man, dat Vadertje Tijd met een kleed uit een ander tijdperk en een zeis. Het zou niet eerlijk zijn er tegen te vechten, maar zijn zeis is ook niet eerlijk. Met karnaval zal hij zich in een lang wit laken hullen en alles wegmaaien. Neen, hij moet zich alle dagen vermommen, met karnaval zal hij rusten. Nu ook.

En terwijl hij zo naast zijn buurman zit te dromen, heeft hij even de ogen gesloten. Maar ook dat houdt hij niet vol, want dan flitsen er te veel beelden achter zijn oogleden. Liever even kijken naar de klokwijzer die net een sprongetje waagt. Nog zesentwintig. Er zal nu wel niemand meer bijkomen in de wachtkamer. Met zijn rechterhand houdt hij zijn linkerarm vast. Hij mag zich niet vooroverbuigen, want dan zou het erger lijken dan het is. Er maar gewoon, nonchalant erbij gaan zitten, en doen of het toevallig is dat hij zijn arm vasthoudt. Het trillen van zijn lippen wordt gelukkig niet erger.

En daar komt als een fris windje het eerste teken van de bevrijding. De vrouwen over hem hebben hun dozen en pakjes op de schoot genomen, een duidelijk bewijs dat alles hier nu wel vlug zal afgelopen zijn. Hij zal wel geen tijd meer hebben om na te denken over de inhoud van de kartons, of over het feit dat er drie verschillende zeepmerken in verpakt geweest zijn. Nog even bedenken dat ze hun zeep niet in het groot kopen, maar de ledige dozen gewoon van hun winkelier gekregen hebben. Gedaan met die vrouwen, geklasseerd. Dadelijk staan we allemaal op, en zullen we elkaar wel nooit meer weerzien.

Hij draait zich nog even naar de baardige buurman. Van hem zal hij ook voor altijd afscheid nemen, of hij nu mee vertrekt of in de wachtkamer achterblijft. Toevallig bekijkt de man hem, of heeft hij zitten wachten om hem te kunnen zeggen : « Ook in de oorlog geweest ? » Hij wil er niet op antwoorden, staat op en gaat heel traag in de richting van de toegangsdeur tot het perron, die precies zal opengaan wanneer hij er aankont. Als hij maar langzaam genoeg gaat.


Bron : Het Spoor, mei 1971