Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Treinreis (vervolg)

Treinreis (vervolg)

B. Naretoel.

mercredi 19 juin 2019, par rixke

Vlakbij op het perron staat een grote kist, minstens een paar kubieke meters. Mooie nieuwe plankjes, misschien wel uit dennehout van vijfentwintig jaar oude bomen. Wel een beetje vreemd, zo ’n reuzekist op een reizigersperron, eigenlijk de eerste maal dat hij zo iets opmerkt. Want de spoorwegen houden er niet van de reizigers te laten zien dat ze ook goederen vervoeren. Niet dat ze er een geheim van maken, maar doodgewoon omdat ze het de reizende mensen zo gemakkelijk mogelijk willen maken, en hen niet willen vervelen met goederen die hen zouden kunnen hinderen.

Er komt een spoorbediende aangestapt in de richting van die ongewone kiste. Met beide handen draagt hij voorzichtig een kookpot. Aan zijn manier van stappen, merk je dat de pot gevuld is. Met ledige kookpotten houd je de armen niet zo stijf, en denk je er zelfs niet aan een pot aan één hand te laten zwieren, indien althans het deksel er niet kan afvallen. Het is ook de eerste maal dat hij een kookpot op een stationsperron ziet. Er is werkelijk iets ongewoons aan de hand. Een paar wachtende mensen zijn dan ook bij de kist blijven staan. Voorlopig hebben ze klaarblijkelijk niets anders te doen. Ze bekijken de zijde van de kist, die hij vanuit zijn coupé niet zien kan. Nu gaan ze wel iets opzij om de spoorbediende met zijn vrachtje te laten neerhurken bij de kist.

Wat moet hij daarvan denken ? Het is duidelijk dat hij, zoals hij achter het treinraampje staat, daarop niet kan antwoorden. Hij zou aan de weet moeten kunnen komen wat er in de kist steekt. De zwart gepenseelde letters en cijfers die erop voorkomen, maken hem niet wijzer. Het is de voor hem verborgen zijde die de oplossing zou kunnen geven. Het hoofd van de spoorbediende komt net boven de kist uit. Waarschijnlijk heeft hij op dat ogenblik de kookpot neergezet. Nu kijkt hij met vrije handen naar de kist. Ook de wachtende reizigers kijken in dezelfde richting. Ligt er een hulpbehoevende achter de kist, iemand die ziek geworden is ? Heeft hij nog tijd om even uit te stappen en ook te gaan kijken ?

Het begint te flitsen in zijn hersenen. Deze trein – ontspoord – geen bagage – vermoord – volgende trein – het laatste woord... Zijn nieuwsgierigheid kan hij ruilen tegen wat aangeboden hulp... Maar indien hij de volgende trein neemt zal hij dan weer een uur wachtend moeten wachten ? Zal hij dat, na zijn epos in de wachtkamer vóór zijn vertrek nog overleven ? Wie krijgt het laatste woord ? Was dat niet de titel in de krant die hij opgevouwen in de hand houdt ? Heeft hij ze toch gelezen ? Natuurlijk, de gelegenheid was er. Dus niets ontspoord, niemand vermoord, maar wie heeft het laatste woord ? Hij staat op het perron voor hij het beseft. Doorrijden zonder het geheim achter de kist te kennen is al even erg dan de volgende trein te moeten nemen... Nog een paar stappen en dan glimlacht hij even bij de voorzijde van de kist. Die kant bestaat uit gaas als bij een ouderwetse vliegenkast. Maar erachter zit een reusachtige Bernardhond, zo ’n goeie lobbes, die om verontschuldiging schijnt te vragen omdat hij zo groot is. Hij slobbert gulzig water uit de kookpot, die door een klep bij de bodem naar binnen geschoven werd, natuurlijk door die spoorbediende. Die staat er vertederd bij, onmiddellijk bereid nog water aan te brengen, indien zulks nodig mocht blijken. En niemand die denkt aan het legendarisch tonnetje met brandewijn, dat rond de hals van de hond dient te hangen ? Het hangt er niet.

Hij hoort een opmerking over de durf van de afzender, die blijkbaar op hulp onderweg rekent vermits hij een klep in het gaas maakte, en een ander die verklaart dat het evident is dat de spoorwegen ook nog wat anders vervoeren dan prentkaarten, kinderwagens en petroleumprodukten.

Nu hij weet wat er achter steekt en wat er in de kist zit, kan hij er aan denken terug in zijn zelfde trein te stappen. Maar als hij in die richting kijkt, is deze vertrokken. Treinen mogen niet wachten tot iemand uitgekeken is op een kist met inhoud. Je doet het één of het ander : blijven zitten en doorrijden, of kijken naar drinkende honden en stilstaan. Hij heeft gekozen... Maar de machinist die hij zou bedanken. Nou ja... die kist !

Stilstaan hoeft hij ten slotte niet. Het perron is lang genoeg, uiteraard langer dan een trein. Men kan er een flink stuk ijsberen. Eerst maar eens kijken hoelang hij op een volgende trein moet wachten, misschien wel op een ander perron. En dan moet hij dit artikel nog lezen in de krant die hij opgeraapt heeft. Het laatste woord is de titel. Wie heeft het laatste woord ? Als de krant gedrukt is, is ze uitgepraat. Dus heeft hij het laatste woord, maar de krant kan het niet horen. Dus dat telt niet mee. Je zou dan een krant met zijn tweeën moeten lezen. Zijn overbuurman in de trein las ze eerst, hij zal er dadelijk mee bezig zijn. Maar hij had in de trein moeten blijven zitten, en na de lectuur moeten discussiëren met zijn medereiziger. Dan had hij het laatste woord kunnen hebben. Hij heeft dat laatste woord in zijn hand en doet er mee wat hij wil. Maar eerst moet hij het lezen, want iets dat je niet las, behoudt zijn geheim. Net zoals die kist toen hij nog achter het coupéraam stond. Kunnen die dode dingen dan hun wil opleggen, sterker dan de zijne ? Kunnen ze dan willen dat hij moet lezen. Of heeft hij niet eerst achter die kist gekeken ? Wees praktisch denkt hij nog, en kijk naar de aanplakbrieven met de vertrekuren. Vlak voor die uurtabellen staat een metalen bed, een bed op vier miniwieltjes. Een Engels bed noemde men dat vroeger, toen Engels erg in de mode was. Engelse w.c.’s, Engels zout, Engelse ziekte, Engelse dit en Engelse dat.

Overal waar het mogelijk is bij een Engels bed, zijn papieren windels in mooie evenwijdige spiralen aangebracht. Tegen beschadiging natuurlijk. Mensen omwindt men slechts na de averij. Maar ze gaan dan ook niet zo lang mee. Op de veren van het Engels bed staat een oude zeepdoos, waar nu wel iets anders in zal zitten. Staat een doos op een bed, neen ze ligt er in. Hij tilt even de liggende doos op om het gewicht te schatten, er is toch niemand in de buurt die hem daarvoor op de vingers zal tikken. Zoals hij dacht : geen zeep meer in de doos, daarvoor is ze te licht. En plots weet hij dat hij die doos nog gezien heeft. Op de schoot van één van de dames in de wachtkamer voor zijn vertrek. Er zijn natuurlijk duizenden van deze dozen, uiterlijk allemaal identiek. Maar deze heeft enkele luchtgaatjes. Misschien wel voor clandestien dierenvervoer. Witte muizen of een kleine Bernardhond. Een dame op reis met muizen, onwaarschijnlijk. Zelfs niet met witte, die, Joost weet waarom, sympatieker zijn. Een kleine Bernardhond hoort niet in een zeepdoos, maar bij zijn moeder in de grote kist verder op het perron. Of was die grote lobbes een mannetje ? Niet naar gekeken. In kartonnen dozen heeft hij, al bij al, nooit andere levende dieren gezien dan witte muizen (af te schrijven om reeds vermelde reden), meikevers (steeds in luciferdoosjes) en gele donskuikentjes (nu buiten seizoen). Het dierlijke in die doos kan hij wel afschrijven. Maar wat moeit hij zich ten slotte met een geheimzinnige doos in een vreemd bed ? De uurtabel vermeldt dat hij over vijfentwintig minuten een andere trein kan nemen.

De gaatjes in de doos kunnen er van vroeger in zijn. Best mogelijk dat er nu grijze sokken in zitten, of engelenhaar waar je vijfentwintigjarige kerstbomen mee opsmukt. Engelenhaar in een Engels bed... Plots staat er een van de dames uit de wachtkamer naast hem, neemt de zeepdoos en kijkt hem zwijgend aan. Hij knikt en zij knikt, als teken dat ze elkaar reeds éénmaal gezien hebben. Slechts de volgende keer mag er een flauw glimlachje bijkomen. Hij zoekt naar het regenscherm, dat dan wel door haar ontbrekende reisgenote verder behandeld zal zijn.

Hij zou haar kunnen vragen de doos voor haar ergens heen te brengen, een gelegenheid om, – dank zij een goedgericht vraaggesprek, te weten te komen wat er wel in die doos zit. Het moet een eerlijk mensje zijn, dat hem niet zal voorliegen. Iemand die een zeepdoos onbewaakt achter laat in een omzwachteld bed, vertrouwt immers de eerlijkheid van anderen. Maar de tijd is te kort, en hij kan zich niet permitteren nogmaals een trein te missen. Wie weet wanneer hij dan aankomt.

Hij gaat op een bank zitten en slaat de krant open. Hij heeft nu tijd om te vernemen dat de politie het laatste woord had bij een rel ergens in Amerika. Ver weg van hier, geen trein die erheen rijdt. Natuurlijk heeft de politie het laatste woord, als altijd. Want ze heeft geduld, langer dan de tijd om op een trein te wachten, langer dan het leven van wie of wat ook. Hij zal nooit bij de politie komen, daarvoor heeft hij geen geduld. Aanleg ?... Nou ja, ten minste als hij bedenkt hoe netjes hij het aan boord gelegd heeft om te weten te komen wat er in die krant stond.

Het oude mensje met de zeepdoos staat niet ver van hem te wachten op dezelfde trein. Geen twijfel mogelijk. Hij weet dat hij het zo zal regelen dat ze in hetzelfde coupé terechtkomen. Hij zal haar vragen haar doos in het bagagerek te mogen deponeren. Zij zal niet durven weigeren. Weigeren of niet, zo zal hij een gesprek kunnen beginnen, en weten of het grijze sokken zijn of bruine. Wat ’n kinderachtige plannen. Mijmert een volwassene nu zo over de toekomst die over een paar minuten nieuwe horizonten zal openen ?


Bron : Het Spoor, juni 1971