Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Infrastructuur > Station > Antwerpen-Centraal, een gebouw waarop we nog trots zijn

Antwerpen-Centraal, een gebouw waarop we nog trots zijn

J. Lemaire, architect.

mercredi 20 octobre 2010, par rixke

Dit spoorwegpaleis, opgericht volgens de plans van architect Delacenserie, tijdens de periode 1897-1905, domineert niet zijn machtig silhouet, het stadscentrum.

Produkt van een decadente “fin de siècle” verraadt het door zijn bouwkunstige opzet, al de karakteristieken van die tijd en paart aan een iets te arrogant ensemble, dat evenwel niet ontbloot is van een zekere artisticiteit, een zwierige en kwistige ornamentiek, waarbij neo-klassieke en gotische motieven broederlijk naast elkander pralen in een amalgaam van beide, naar Frans-Romeins recept.

Niettegenstaande zijn stijlloosheid en zijn gebrek aan originaliteit, gaat er van het complex een overweldigende indruk uit, al blijkt het, zonder voorkennis althans, moeilijk in deze pseudo-basiliek een station te herkennen, ware daar niet de overdekte hall...

Reeds bij het verlaten van de trein bekruipt de toerist een gevoel van nietigheid wanneer zijn verbaasde blik opstijgt langs de hoge beglaasde wanden naar de nokgaanderij, acht en dertig meter hoog boven de perrons. Vijftien machtige metalen boogwerken van het “drie-scharnieren type” schragen deze glazen stolp, die circa 13.000 vierkante meter sporen en perrons overkoepelt : een sterk staaltje van gedurfde ingenieurs-kunde.

Benadert men het station vanaf het Koningin Astridplein, dan treedt het monumentaal karakter van het bouwwerk alras op de voorgrond, en onwillekeurig voelt men het aan hoe hierdoor reeds een stempel van rijkdom en welvaart op het wezen onzer handelsmetropool wordt gelegd ; een doorwinterd ceremoniemeester zou de vreemdeling bezwaarlijk beter kunnen introduceren in het innerlijk wezen der stad.

Laat ons even naderbij treden en een gewillig oor lenen aan de uiteenzetting over enkele constructiedetails, verstrekt door “de man die het weten moet”.

Gelet op de zwakke structuur van de ondergrond, werd het complex opgetrokken op houten paalfunderingen, die ongeveer 7 meter diep in de grond doordringen.

Volledig opgetrokken met hardsteen uit onze Belgische steengroeven, beslaat het gebouw een oppervlakte van 3.750 vierkante meter ; diverse marmersoorten (waarvan de kleurrijke schakeringen nu onder de “patine” verborgen liggen) brengen een luchtige noot in het overheersend grijs van de hardsteen.

Uiterst verzorgd in het technisch detail, biedt het gebouw voor de technicus, een onuitputtelijke bron van vernuftige toepassingen der stereotomie.

Rondom het centraal gedeelte, overkoepeld door een machtig overhangend gewelf en waaruit een koninklijke marmeren trap naar de pompeuze wachtzalen leidt, bevinden zich de dienstlokalen van de groep en van het station, verborgen achter decoratieve portieken en wanden.

Met zijn 67 nieter hoogte (koepel) is het centraal station, na de “boerentoren” en de torenspits van het station Antwerpen-Zuid, het hoogste burgerlijk gebouw der stad.

Voor de ras-sinjoor heeft dit alles echter weinig of geen belang ; hij “ziet” zijn station trouwens niet meer ; het is veeleer vergroeid tot een tastbaar begrip, een durend argument of doel, tot een onafscheidbaar deel van zijn centrum-leven.

Hij zal zeggen “’k Ga naar de statie” en bedoelt hiermede vanzelfsprekend het centraal station ; moet hij een treintje elders nemen dan heeft hij het uitdrukkelijk over “’t Zuid”, “den Dam” of “Barchoemstatie” naar gelang zijn specifieke bedoeling.

’s Zondags na hoogmis of ontbijt vat de centrum-sinjoor zijn wandelpartijtje aan ter hoogte van het station, wipt zijn biertje of portwijntje in “Union”, “Progrès” of een andere biertempel, kuiert vergenoegd via de Keyzerlei, Meir en Groenplaats tot aan het Scheldeterras, waar hij eens uitblaast en trots, verliefd, en zeer tevreden over zichzelf en de rest van de wereld, op de koop toe “zijn” Schelde gadeslaat.

De terugkeer gaat, mitsgaders een tiket op tram 2, bestemming “statie”, doorheen de wandelzaal, waar het zakuurwerk wordt geregeld en de “gazet” gekocht wordt.

Die wandelzaal, pleisterplaats van individuen uit alle sociale rangen en standen, woelige verzameling van vogels met de meest uiteenlopende pluimage, oefent een onweerstaanbare aantrekking uit op de Sinjoor.

Ouderen van dagen, paprenteniers, oprustgestelden, soldaten, schoolkinderen, zonnekloppers en dagdieven, het krioelt alles dooreen in bonte verscheidenheid.

img097

Zelfs de nieuwelingen in de “edele conste der minne” vinden er hun gading en het gefluister hunner hartstochtelijke confidenties en het gestamel hunner dure eden, komende uit de bescheiden schemer van de vele leuke hoekjes, vervluchtigen in het geraas Ier druk doende mensen.

Antwerpen-Centraal, wij wensen U nog veel lange jaren !


Bron : Het Spoor, n° 8, april 1957