Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Personeel > Onze europese treinbestuurders

Onze europese treinbestuurders

V. d. E.

lundi 23 août 2010, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

Omdat ze zich zo gemakkelijk aan de eisen van onze tijd aanpassen en de nieuwste technieken zeer oordeelkundig aanwenden, beïnvloeden onze Westerse spoorwegen aanzienlijk de wederopbloei van Europa. Zo verzekeren zij, over dag, internationale verbindingen tussen de meeste grote steden van Europa door middel van dieselmotortreinen voor snel verkeer, TEE (Trans-Europ-Express) genaamd, en van treinen gesleept door diesel-elektrische locomotieven. België komt hierin tussenbeide voor de verbindingen Amsterdam - Parijs, Dortmund - Oostende, Amsterdam - Zürich, Brussel - Parijs en Brussel - Keulen.

Van 2 juni af besturen sommige Belgische spoormannen de Franse motortreinen « Ile de France » en « L’Etoile du Nord » en de Hollandse « Blauwe Vogel » tussen Roosendaal en Aulnoye alsook de Hollandse en de Zwitserse « Edelweiss » tussen Roosendaal en Luxemburg. Anderen voeren de Duitse motortreinen « Saphir » en « Parijs-Ruhr » van Herbesthal naar Oostende en naar Maubeuge. Laat ons ook niet vergeten dat de diesel-elektrische locomotieven (CC type 204) van het depot Schaarbeek dagelijks een zware trein naar Parijs en twee lichte sneltreinen tussen de Belgische hoofdstad en Keulen bedienen.

Ons personeel kon die nieuwe prestaties uitvoeren dank zij zijn groot aanpassingsvermogen, en vooral zijn goede wil om zich in alle talen verstaanbaar te maken.

Eerst gingen drie machinisten van het depot van Herbesthal naar Dortmund, waar zij een opleiding in het Duits ontvingen. Gelukkig was hun Belgische instructeur tweetalig en waren zij, als grensbewoners, het ook min of meer.

Daarna trokken acht machinisten van het depot van Schaarbeek samen met twee van hun instructeurs naar het depot van de Franse TEE motortreinen (met hydraulische transmissie) te Noisy-le-Sec, waar zij (moeten we het wel zeggen ?) bij hun collega’s een volledig begrip vonden. De Franse instructeurs hebben hun best gedaan om hun uitleg zo weinig mogelijk met argot te doorspekken en een domper te zetten op hun zozeer gekende welbespraaktheid. Zo ontstond daar, door wederzijdse goede wil, een kern van Europese samenleving waarin zelfs de Vlaamse machinisten zich goed thuis voelden alhoewel ze door een jury, samengesteld uit Franse instructeurs, ondervraagd werden.

Vervolgens moesten deze bedienden het besturen van de nieuwe Hollandse en Zwitserse motortreinen (met elektrische transmissie) aanleren in de heuvelachtige streken tussen Brussel en Luxemburg. Hier ook waren onze acht kerels spoedig vertrouwd met hun nieuwe taak en verstonden ze zich opperbest met de Hollandse en Zwitserse instructeurs. De taal der gesprekken was niet altijd academisch en de gebaren speelden er een grote rol in. Maar allen hebben elkaar verstaan omdat ze het wilden en dat was de hoofdzaak.

Ten slotte moeten we ook nog spieken over de opleiding van 28 machinisten van Schaarbeek die tussen Brussel, Parijs en Keulen rijden op Belgische locomotieven die voor de eerste maal tot aan de Seine en de Rijn zullen doordringen. Het eerste gedeelte van hun opleiding duurde negen weken en behelsde lessen over mechaniek, elektriciteit, besturing en theoretische depanering, zonder de verwarming te vergeten. Het tweede gedeelte had hoofdzakelijk tot doel de nieuwe bestuurders vertrouwd te maken met het rijden in volle baan en de praktische depanering. De proefritten naar Parijs en Keulen verliepen zonder geschiedenis. De bekomen uilslagen overtroffen die welke we redelijker wijze hadden kunnen verwachten en dat zegt alles.

Zo hebben een handvol « stoommannen », omringd door uitgelezen toozichtsbedienden, die de Europese spoorwegbetrekkingen wilden verbeteren, hun bescheiden maar doeltreffende medewerking verleend aan de gemeenschappelijke inspanning.


Bron : Het Spoor n° 11, juli 1957