Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Rollend materieel > Locomotieven > Onze onvergetelijke stomers > Zesde periode. De maatschappijen overgenomen van 1897 tot 1912

Zesde periode. De maatschappijen overgenomen van 1897 tot 1912

Phil Dambly.

mercredi 23 mars 2011, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

De exploitatie van de spoorweg Grand Central Belge werd in 1897 door de Staat overgenomen.

Onder de 234 locomotieven van de Grand Central, waren er 102 die voortkwamen van vier maatschappijen, uit de vereniging waarvan het definitieve net is ontstaan. Er waren 19 machines van de Compagnie de l’Entre-Sambre-et-Meuse, 44 van de Compagnie de l’Est Belge, 21 van de Maatschappij Antwerpen tot Rotterdam en 18 van de Maatschappij Aken tot Maastricht, Hasselt en Landen.

Al die locomotieven waren besteld zonder voorafgaande studie, met twee of drie tegelijk, en de bouwers leverden machines die volgens hun gewone types waren gebouwd. Zo kwam het dat er een menigte zeer uiteenlopende machines waren, waaronder Engelse locomotieven van Wilson te Leeds, van Stothert & Slaughter te Bristol en van Sharp Stewart te Manchester, Pruisische machines van Borsig te Berlijn en, ten slotte, ook Belgische machines van Cockerill, Couillet en Saint-Léonard.

Locomotief n° 53 (Est Belge), die in 1871 van een tender werd voorzien.

Het aandeel van de maatschappijen Entre-Sambre-et-Meuse en Est-Belge in het park van de Grand Central bestond o.m. uit de locomotieven n° 42 tot 59. Die machines, geleverd van 1849 tot 1856 door Cockerill en de Société de Couillet, reden niet meer op het ogenblik dat de Grand Central door de Staat werd overgenomen. Gebouwd naar het voorbeeld van de modellen Norris te Philadelphia, die toen in Europa enigszins in de mode waren, bezaten ze twee gekoppelde assen met, vooraan, een klein draaistel, buitenliggende, sterk hellende cilinders en een diepe, uitstekende vuurhaard. In 1871 werd de machine n° 53 (Est Belge) verbouwd tot tenderlocomotief, met drie gekoppelde assen, van het type 4-6-0.

Locomotief n° 50 (Entre-Sambre-et-Meuse).

In 1881 werd het draaistel van de locomotief n° 50 (Entre-Sambre-et-Meuse) door een gekoppelde as vervangen.

Locomotief n° 50, verbouwd door de Hoofdwerkplaats Leuven in 1881. Nog in dienst in 1898 te Chatelineau.

De kleine tenderlocomotieven n° 94 en 95 van de G.C.B, waren herkomstig van de Est Belge. Die rangeerlocomotieven, in 1855 door Wilson aan de Société de Charleroi à Louvain geleverd, hadden drie gekoppelde assen, wielen van 1,37 m, binnenliggende cilinders en wogen rijvaardig 30,15 t.

Locomotief n° 94, afkomstig van de Est Belge.

De locomotieven n° 36 en 37, een erfenis van de Maatschappij van Aken tot Maastricht, waren 2-4-0 modellen met gekoppelde wielen van 1,44 m door Borsig in 1856 geleverd. Zij vielen op door hun buitenliggende cilinders en mechanisme alsmede door de vuurkist “haycock”. Omstreeks 1865 ondergingen ze enkele opvallende wijzigingen. De oorspronkelijke schoorsteen met kap werd vervangen door een schoorsteen van het type dat bij de G.C.B, genormaliseerd was, en achter de stoomdom werd een zandbak geplaatst. Het onoverdekte platform kreeg een machinistenhuis van het type dat bij de Staat gebruikt werd en dat diende te worden aangepast aan de speciale vorm van de vuurkist. De twee machines, die rij vaardig 33,60 t wogen, onderhielden de gemengde diensten op het ogenblik dat de G.C.B, door de Staat werd overgenomen.

Locomotief n° 37 van het depot Maastricht, gewijzigd in de C.W. Leuven.

De Est Belge bezat tien reizigerstreinlocomotieven die in 1862 door de Société de Couillet werden gebouwd. Die machines, nummers 65 tot 74, hadden drie gekoppelde assen, wielen van 1,43 m, hellende binnenliggende cilinders, en wogen 32,25 t. Opvallend waren de verlengde vuurhaard, met cilindrische uitspringende wieg, alsmede de getande bekleding van de dom en de zandbak, in Wilson stijl. Evenals de G.C.B, gebruikte de Staat die reeks locomotieven in de streek Tussen-Samber-en-Maas (depot Walcourt) en op de lijn Leuven - Charleroi.

Locomotief n° 66 van het depot Walcourt, reeks 65 tot 74, afkomstig van de Est Belge.

De locomotieven n° 75 tot 80 verschilden slechts van de vorige door het vrij eigenaardige voorkomen van de langsliggers en van de voetplaat. Ze waren eveneens afkomstig van de Est Belge en gebouwd te Couillet in 1863. De Staat gebruikte ze voor de dienst der reizigerstreinen op de lijn Leuven - Charleroi en op enkele andere lijnen van het vroegere net van de G.C.B.

De machines van de reeks 75 tot 80 verschilden er alleen van door het speciaal patroon van de langsliggers.

In 1864 leverden de Ateliers de Tubize drie rangeertenderlocomotieven aan de spoorweg Antwerpen tot Rotterdam. Die sierlijke 2-4-0, met gekoppelde wielen van 1,52 m, buitenliggende cilinders en mechanisme, wogen rijvaardig 32,32 t. Ze kregen de nummers 100 tot 102 bij de G.C.B., die ze soms voor plaatselijke reizigersdiensten gebruikte. In 1923 kon men nog een verlaten 102 zien staan op een opstelspoor te Houyet, tussen Dinant en Beauraing.

Locomotief n° 102, afkomstig van de Mij. Antwerpen tot Rotterdam.

Slechts vanaf 1867, dank zij het initiatief van hoofdingenieur Maurice Urban, directeur van het Materieel en de Tractie, begon er eenvormigheid te komen bij het bouwen van de locomotieven van de Grand Central. De uiterlijke kenmerken die deze locomotieven onderscheidden van die der andere netten, waren de volgende : vierkante Belpairevuurhaard, kort of verlengd ; grote dom van gepolijste messing, waarop twee veiligheidskleppen met balans gemonteerd waren ; naar boven wijder wordende schoorsteen ; buitenliggende cilinders. Bij gebrek aan zijwanden boden de sierlijke machinistenhuisjes, met vier steunzuiltjes, slechts weinig beschutting aan het personeel.

De locomotieven van de Grand Central werden flink onderhouden door een uitgelezen personeel.

De meeste reizigerstreinlocomotieven waren uitgerust met een toestel van Belleroche voor de verwarming der rijtuigen door middel van afgewerkte stoom. De Grand Central gebruikte de vacuümrem. Dit net was het eerste in België dat stoomzandstrooiers van het stelsel Gresham Graven gebruikte. Alle locomotieven droegen een mooie, ovale, bronzen plaat. Ze vermeldde het nummer van de machine, het monogram van de maatschappij en, volgens het geval, de naam van de bouwer of de plaats van het depot. Die platen bleven behouden op de machines die de Staat verder gebruikte ; ze werden immers niet opnieuw genummerd.


Bron : Het Spoor, februari 1967