Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Geschiedenis > In de marge van een elektrificering ... Welkenraedt - Montzen

In de marge van een elektrificering ... Welkenraedt - Montzen

Roland Marganne.

lundi 28 mars 2011, par rixke

Kleine lijn, grote geschiedenis
De streek van het drielandenpunt met de respectievelijke staatshoofden (1908)

Na een jaar van onafgebroken werken heeft Infrabel, de beheerder van de Belgische spoorweginfrastructuur, op 27 januari laatstleden de elektrificering van de korte enkelspoorlijn 39 ingehuldigd die Welkenraedt (op de “historische” reizigersas 37 Luik - Duitse grens) verbindt met Montzen (op de goederenas Antwerpse haven - Duitsland). Na de volledige vernieuwing van de sporen in 2004 (langgelaste spoorstaven) volgden in de loop van 2005 de plaatsing van de bovenleidingspalen en de kabels, zodat de lijn op 16 november 2005 onder spanning gebracht kon worden.

Dankzij dit initiatief - een investering van 200.000 euro voor een lijn die geen regelmatig “reizigersverkeer” kent - is het mogelijk, het spoorverkeer tussen België en Duitsland te verbeteren en het regionaal verkeer meer flexibiliteit mee te geven, zowel wat het reizigers- als het goederenverkeer betreft. De geëlektrificeerde lijn 39 zal als omleidingsreisweg gebruikt worden tijdens de onderhoudswerken aan lijn 37 (vooral bij het restaureren van de kunstwerken) of tijdens de aanleg van de hogesnelheidslijn (L 3) aan de vertakking met lijn 37 in het station Chênée. Voortaan zullen elektrische locomotieven gemakkelijk tussen de stations Welkenraedt en Montzen heen en weer kunnen rijden en zal de betrouwbaarheid van de elektrische voeding van de lijnen 24 Tongeren - Montzen (geëlektrificeerd sedert 1984) en 37 Luik - Aken (geëlektrificeerd sedert 1966) erop verbeteren. Kortom, de nieuwe geëlektrificeerde lijn verhoogt het potentieel en de betrouwbaarheid van de lijnen 24 en 37 en is een zoveelste troef voor de ontwikkeling van de zogeheten “drie-grenzenstreek” die een strategische positie inneemt op de as Duitsland - Noordzee.

 Lijn 39, laatste monument van de “Belgisch-Pruisische verbinding”

Hoewel er vandaag nog slechts een fractie (8 kilometer) van rest, is de lijn Welkenraedt - Montzen in feite het laatste overblijfsel van een groot internationaal project dat uit de 19e eeuw dateert, namelijk de “Belgisch-Pruisische verbinding”, een spoorlijn van Welkenraedt naar Aken via Plombières [1] en Gemmenich, die speciaal werd aangelegd voor de ontginning van looderts in het gehucht Plombières. De mijnontginning in Plombières werd pas op industriële schaal aangevangen in het begin van de 19e eeuw, toen koning Willem I van Nederland, waarvan het latere België toen deel uitmaakte, op 15 juni 1828 een concessie voor de ontginning van lood in de ondergrond van de gemeenten Gemmenich, Hombourg en Montzen verleende aan ... Charles-James Cockerill, broer van John, de stichter van de Luikse staalnijverheid. De exploitatie van de mijn kende een snelle groei, in die mate zelfs dat op 8 juli 1846 een naamloze vennootschap “Compagnie des mines et Fonderies de Bleyberg” werd opgericht. Rond die tijd werd op verschillende plaatsen in de mijn ook een amalgaam van zink en lood aangetroffen. In 1867 bereikte de exploitatie van de lood-, zilver- en pyrietmijnen een hoogtepunt : ze namen 162 hectaren in beslag in de gemeenten Moresnet en Gemmenich, en 6 618 hectaren in Hombourg, Montzen en Henri-Chapelle.

Laten we echter naar ons hoofdonderwerp terugkeren, namelijk de spoorweg. Om de ondergrondse rijkdom van de streek ten volle te laten renderen, waren overduidelijk snelle, gemakkelijke en goedkope verbindingswegen nodig. Toen al had de mijnonderneming een pendeldienst met paard en kar opgezet tussen het station en de mijninstallaties van Bleyberg, maar op de lange termijn was dit geen rationele oplossing. Rémy Paquot, de directeur van de “Société anonyme de Bleyberg et Montzen”, ondernam stappen om een spoorlijn te laten aanleggen tussen Welkenraedt [2] en zijn onderneming in Bleyberg. Hij had trouwens een verlenging van die lijn op het oog, niet alleen tot Gemmenich, maar zelfs tot de Pruisische grens en tot Aken. Deze stad was een goede afzetmarkt voor de producten van zijn onderneming en zorgde bovendien voor een vlotte aanvoer van brandstoffen dankzij de plaatselijke steenkoolmijnen. Uiteindelijk zou de grensoverschrijdende pendeldienst van Gemmenich naar Vaals, die met paard en kar moeizaam verliep over die weg met zijn talloze steile hellingen, opgeheven kunnen worden.

Na een lange procedure verkreeg Rémy Paquot van de Belgische regering de concessie voor die spoorlijn. De spoorwegmaatschappij, opgericht door de “SA de Bleyberg et Montzen” kreeg als benaming “Jonction belgo-prussienne” (Belgisch-Pruisische verbinding) en stelde in 1870 al het meest dringende, 11 km lange baanvak Welkenraedt - Bleyberg in dienst, om vanaf de mijninstallaties aansluiting te hebben op de lijn Luik - Aken, en wel in het station Welkenraedt. Twee jaar later werd de noordelijke tak Bleyberg - Gemmenich - Aken voor het verkeer opengesteld.

De lijn van Welkenraedt tot de Pruisische grens had een uitermate bochtig tracé als gevolg van het sterk heuvelachtige karakter van het land van Herve. Daarnaast was er het vaste voornemen om de lijn langs de Belgisch-Pruisische grens te leiden zonder ze evenwel over te steken. Die grens was toen de Route Mitoyenne (gemeenschappelijke weg) die Welkenraedt en Henri-Chapelle scheidde van Herbesthal en van het grondgebied van Neutraal-Moresnet.

Vanuit Welkenraedt kronkelde de lijn dus bergaf door de weilanden, eerst tot Henri-Chapelle, waar het station in een buitenwijk lag, en verder tot het station “Montzen”, dat later de naam “Birken” aannam. Het was trouwens op een boogscheut van Montzen/Birken dat de Duitse bezetter tijdens de Eerste Wereldoorlog een vertakking aanlegde naar het toekomstige rangeerstation van Montzen, vertakking die vandaag nog steeds deel uitmaakt van lijn 39. De oude lijn 39, die al lang niet meer bestaat, liep naar de vallei van de Gueule in Moresnet. Daar werd een station opgetrokken, vlakbij de plaats waar later het viaduct van Moresnet zou komen, waarover vandaag lijn 24 loopt (Tongeren - Aken-West). Vanuit dat station vertrok een zijlijntje van 2,5 km dat door weiden en velden aan de weg Henri-Chapelle - Aken uitkwam en er zowat vijfhonderd meter langsheen liep op het grondgebied van Neutraal-Moresnet. Het lijntje eindigde op een doodspoor in de industriële installaties van la Vieille Montagne, bij een bescheiden stationsgebouwtje. Dit was Neutraal-Moresnet, het station van een lilliputstaatje dat door een “vergetelheid” van de cartografen van het Congres van Wenen (1815) was kunnen ontstaan en dat slechts een kort leven beschoren zou zijn. Het grondgebied ervan strekte zich uit over een gedeelte van de huidige agglomeratie van La Calamine (Kelmis). Filatelisten weten dat dit ministaatje erin is geslaagd zijn onafhankelijkheid te bewaren tot op het einde van de Eerste Wereldoorlog.

Station Herbesthal

Nadien, toen het definitief bij België was gevoegd, kreeg het de naam “La Calamine”.

Op de oude lijn 39 was Bleyberg, later Plombières, het belangrijkste station. Het was geflankeerd door een vandaag verdwenen viaduct en voorts uitgerust met een aantal aansluitingssporen naar de plaatselijke mijninstallaties. Het imposante stationsgebouw met overkapping was vanuit architecturaal standpunt een originele structuur in die zin dat het uit twee gebouwen bestond waarvan het ene voor de spoorwegdiensten bestemd was en het andere voor de Belgische douane. In de loop des tijds werd het station Bleyberg/Plombières aangesloten op het spoorwegnet van de streek. Zo vormde het in het begin van de 20e eeuw een echt spoorwegknooppunt vanwaaruit de treinen in vier richtingen vertrokken : naar Hombourg, Battice, het land van Herve en Chênée, Gemmenich en Aken, Neutraal-Moresnet of Henri-Chapelle en Welkenraedt.

Een opvallende bijzonderheid is dat de lijn het dorp Gemmenich doorkruiste zonder dat daar een station of een stopplaats was ; men had dat bij de aanleg van de lijn niet gepland omdat de Belgische douanediensten in Bleyberg gevestigd waren en er bijgevolg op Belgisch grondgebied geen enkele halte meer mocht zijn tussen Bleyberg en de grens... Gemmenich zal uiteindelijk zijn station krijgen, dankzij de medewerking van de gemeentelijke administratie van de Nederlandse gemeente Vaals, aan de andere kant van de berg waarop het “driegrenzenpunt” ligt. Vaals werd via Nederland niet door de spoorweg bediend, vooral om redenen die met het reliëf van de streek te maken hadden, en drong daarom aan op een spoorbediening op Belgisch grondgebied. En vermits Gemmenich de dichtstbijgelegen gemeente was ... Zodoende stemde de Belgische overheid op het einde van 19e eeuw uiteindelijk in met het principe van de bouw van een station in Gemmenich.

De Belgisch-Pruisische grens werd in een tunnel overschreden, niet ver van het “drielandenpunt” [3] : het boren van deze 870 m lange koker - de tunnel van Botzelaer - duurde twee jaar. Hij bevond zich op zijn diepste punt 65 m onder de heuveltop en lag voor 250 m in België en 620 m in Pruisen. Bij het verlaten van de tunnel op Pruisisch grondgebied ging de lijn steil bergaf naar de stad Aken, die toen nog ommuurd was en door het leger werd bewaakt.

Meteen na de indienststelling van de verschillende lijnsecties werd reizigersvervoer georganiseerd door de Belgische Staatsspoorwegen die, zoals wel meer het geval was, aangesteld waren als exploitant van de lijn. Het laat zich raden dat het goederenvervoer snel groeide, zo snel zelfs dat er werd besloten, de lijn op dubbelspoor te brengen en in Welkenraedt voor een aansluiting te zorgen waardoor de treinen rechtstreeks de Vesder-lijn naar Verviers konden oprijden zonder te moeten keren in Welkenraedt. Die rechtstreekse verbinding werd in 1874 al in dienst genomen.


Bron : Het Spoor, juli 2006


[1Deze gemeente droeg tot in 1919 de naam “Bleyberg”. Toen wist het gemeente bestuur, ongetwijfeld gedreven door vaderlandslievende gedachten, ervoor te zorgen dat de gemeentenaam bij Koninklijk Besluit werd gewijzigd. Zo kon het afstand doen van de oorspronkelijke, Duits klinkende gemeentenaam en die vervangen door “Plombières”, wat zonder enige twijfel een verwijzing inhield naar de plaatselijke industriële activiteiten van toen.

[2Vanaf de Belgische onafhankelijkheid in 1830 tot aan het Verdrag van Versailles in 1919, liep de Belgisch-Duitse grens tussen het Belgische dorp Welkenraedt en zijn Pruisische evenknie Herbesthal, langs de “rue Mitoyenne” die Henri-Chapelle met Eupen verbond.

[3Het “Drielandenpunt” was tot in 1919 feitelijk het punt waar de grenzen van vier Staten bijeenkwamen : Nederland, België, Neutraal-Moresnet en Pruisen. Vandaag vormt het nog steeds het grenspunt waar de grondgebieden van België, Nederland en Duitsland elkaar raken.