Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Rollend materieel > Locomotieven > Onze onvergetelijke stomers > Derde periode, 1864-1884. Stelsel Belpaire

Derde periode, 1864-1884. Stelsel Belpaire

Phil Dambly.

mercredi 25 mai 2011, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

Om het hoofd te bieden aan het toenemende goederenverkeer, bestelde de Staat machines die afgekeken waren van de typen 28, maar dan iets krachtiger. Gebouwd in 1875, was het type 29 volkomen gelijk aan het type 28, waarvan het slechts verschilde door de middellijn der wielen (1,30 m in plaats van 1,45 m) en enkele details van het frame. Aanvankelijk bestemd voor het verkeer tussen Brussel en Aarlen, verspreidden de locomotieven type 29 zich weldra over de lijnen van het Centrum en uiteindelijk over heel het net. Van dat type werden er vijfhonderdvierentwintig locomotieven gebouwd ; hierbij dienen nog 48 machines type 2 en 28 te worden gevoegd, die tot typen 29 verbouwd werden.

Goederentreinlocomotief type 29, geleverd door St. Léonard in 1882 (eerste reeksen van 1875-1884).

De eerste reeksen van het type 29 werden geleverd van 1875 tot 1884 en, na een onderbreking van veertien jaar, werd, tussen 1898 en 1901, de bouw van belangrijke reeksen hervat. De laatste verschilden van de oorspronkelijke reeksen door de afmetingen van de vuurhaard, het type van machinistenhuis, de ophanging alsmede het uiterlijk van de rookkast.

Deze gedrongen silhouet is die van een type 29 bij doortocht in het station Marche-en-Famenne, op de lijn Luik - Jemelle.
Type 29 van het depot Schaarbeek, waarvan de ketel in 7493 vernieuwd werd (Usines de Haine-Saint-Pierre).

Intussen hadden de typen 29 nieuwe ketels gekregen met vierkante schoorsteen in 1893, in de vorm van een afgeknotte kegel in 1896 en gewone schoorstenen in 1899. Die locomotieven ontwikkelden 560 pk en bereikten 55 km/h. Het rijvaardig gewicht bedroeg 32,80 t voor de machines van 1875 tot 1884 en 38,50 t voor die van 1898. In 1933 waren er nog enkele typen 29 te zien, uitgerust met Westinghouserem.

Een der twee typen 29 verbouwd in 1908 met ketel van Brotan (La Meuse). Locomotief n° 2804, gefotografeerd in 1916, onder de Duitse bezetting.

Twee machines van dat type van het depot Monceau, de n° 1285 en 2804, werden in 1908, bij wijze van proef, voorzien van ketels van Brotan met waterpijpen. Net als een gewone ketel, had de door de Oostenrijkse ingenieur ontworpen ketel een cilinderdrische romp met vlampijpen. Essentieel onderscheidde hij zich enkel van de gebruikelijke inrichtingen door zijn vuurhaard, die op zichzelf een ware ketel met waterpijpen vormde. De vuurhaard van Brotan bevatte een collector, een kleine cilin-drische romp, die vanaf de onderkant verwarmd werd en zich op dezelfde plaats bevond als het plafond van een gewone vuurhaard. De zijwanden van die vuurhaard waren gevormd door een reeks pijpen die het water tot op halve hoogte in de collector aanvoerde. Daar dat water snel circuleerde in de pijpen, verwekte het een intense verdamping. De in de collector opgevangen stoom werd daarna naar de cilinders geleid.

Reizigerstreinlocomotief type 4, van 1878.

Van 1878 tot 1881 werden er 91 tenderlocomotieven gebouwd die opvielen door hun grote afmetingen, de opstelling der assen en het groot inhoudsvermogen van de water- en kolenbakken. Die 2-6-2 “Prairie”, type 4 genoemd, met gekoppelde wielen van 1,70 m, buitenliggende langsliggers en binnenliggende cilinders, wogen rijvaardig 58,95 t. Sommige ervan hadden vanaf 1889 nieuwe ketels gekregen. De draagassen van type 4 waren voorzien van radiale aspotten, stelsel van Roy. Dank zij die potten, met gebogen geleidingen, kon de as zich verplaatsen alsof ze om een fictieve spil draaide. De eerste eenheden van het type 4 trokken de stoptreinen op de lijnen naar Luxemburg, van de streek van Charleroi en van Brussel naar Baulers. Daarna zag men ze soms aan kop van sommige exprestreinen, o.m. tussen Brussel en Antwerpen. Die locomotieven waren de eerste die tijdens hun bouw met de Westinghouserem uitgerust werden. Het type 4 onderhield nog enkele lokale diensten in 1926 in het Centrum en de Borinage.

Verplaatsing van een as voorzien van radiale aspotten met gebogen geleidingen. P duidt de fictieve spil aan.

Een machine van dat type, n° 1112, onderging een belangrijke verbouwing die bestond in het vervangen van de voorste draagas door een draaistel. Ingedeeld bij het depot van Braine-le-Comte was deze locomotief aldus de eerste Belgische “Pacific”.

Type 5 in oorspronkelijke staat (Ch. Evrard, 1880).

De 35 tenderlocomotieven die in 1880 en 1881 gebouwd werden, waren bestemd voor de locale reizigersdiensten op de vlakke lijnen. Die 2-4-0 machines, type 5 geheten, hadden gekoppelde wielen van 1,45 m middellijn. Vanaf 1900 kregen ze nieuwe ketels met een veel kortere schoorsteen. De oorspronkelijke locomotieven wogen rijvaardig 31,66 t. Met de nieuwe ketels werd dat gewicht op 32 t gebracht.

Type 5 met nieuwe ketel van 1900 (Zimmerman & Hanrez).

Bron : Het Spoor, oktober 1966