Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Rollend materieel > Locomotieven > Onze onvergetelijke stomers > Nummering en classificatie

Nummering en classificatie

Phil Dambly.

mardi 6 décembre 2011, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

Pas vanaf 1876 werden de locomotieven van de Staat alsmede de machines afkomstig van de teruggekochte maatschappijen per type geclassificeerd. Die betrekkelijke classificatie, een initiatief van Belpaire, geschiedde als volgt : 1 tot 19, expres- en reizigerstypen ; 20 tot 39, goederen- en gemengde typen ; 40 tot 49, verschillende typen met afzonderlijke tender ; 50 tot 59, rangeerlocomotieven.

In 1924 werden de locomotieven “Wapenstilstand”, die tot dan toe hun Duitse benaming hadden behouden, eveneens geclassificeerd volgens de Belgische methode : 60 tot 69, expres- en reizigerstypen ; 70 tot 89, gemengde en goederentypen ; 90 tot 99, tenderlocomotieven.

Enkele uiteenlopende locomotieven werden “buiten type” geclassificeerd en gewoon door hun reeksnummer aangeduid.

Tot 1930 werden de locomotieven genummerd naargelang hun levering, zonder rekening te houden met hun type. Zo waren er typen 2, genummerd van 151 tot 153, van 818 tot 829 en van 1046 tot 1062, typen 36, genummerd van 4365 tot 4500 en typen 10 van 4501 tot 4558. Sommige locomotieven droegen bovendien het nummer van verbouwde locomotieven. Zo kreeg een type 51 het n° 6, destijds het nummer van “Le Belge”.

Type 35 met de nummering N.M.B.S. van 1931.

Vanaf 1931, voerde de N.M.B.S. een rationeler nummering in. De machine die b.v. het nieuwe nummer 3628 droeg, was het achtentwintigste exemplaar van het type 36. Men bekwam het type van de locomotief door de laatste twee cijfers te laten vallen. Dit stelsel vertoonde een moeilijkheid : wanneer er meer dan honderd locomotieven van en bepaald type waren, diende het nummer te worden gewijzigd. Zo werd het type 81, waarvan er meer dan vijfhonderd in omloop waren, genummerd van 81 tot 86. Vanaf 1946 werd die nummering vereenvoudigd door er een cijfer bij te voegen en een punt te plaatsen tussen het type en het reeksnummer. De machine 3628 werd dus 36.028.

Nieuwe nummering van 1946.

In 1926, enkele maanden vóór de oprichting van de N.M.B.S., had de Staat de verschillende versies van machines, die voordien onder hetzelfde type waren gegroepeerd, afzonderlijk doen aanduiden. De drie versies van het type 15 werden de typen 14, 15 en 16, terwijl die van het type 18, de typen 18, 19 en 20 werden. Toen werd eveneens type 8 bis veranderd in type 7, type 32, met oververhitting, in type 31.

Andere typen werden, in 1931, door de N.M.B.S. opnieuw genummerd. Het ging om het type 22 (dat 57 werd), 32 met verzadigde stoom (44), 31, ex-32 met oververhitting (41), 37 (31), 23 (53) en het type 52 (58).

Mettertijd werd de aanduiding van oude, gedeclasseerde typen aan nieuwe machines toegekend. Zo mag men o.m. het type 1 van 1935 niet verwarren met het type 1 van 1864, evenmin als het type 29 van 1946 met het type 29 van 1875, enz.

Tot 1931 droegen de locomotieven van de staat op hun machinistenhuis een letter die hun categorie aanduidde. Volgens die zogenaamde “lettercode”, werd de toelaatbare belasting vastgesteld die door een bepaald machinetype kon worden getrokken.

Locomotief Belgische Staat met zijn reeksnummer (cijfers in messing) en de letter C (type 33 verbouwd tot type 28).

Zulks gebeurde dan met inachtneming van het aantal assen van de trein. Wanneer b.v. een belasting verdeeld was over 24 assen voor een type 28 (voorgesteld door de letter C) moest ze verdeeld worden over 33 assen voor een type 25 (letter F).

Bij de Nord Belge was de naam van de locomotief gevolg door een bepaald aantal “eenheden”. Die eenheden duidden eveneens de toelaatbare belasting aan die de machines konden trekken. Daar een wagen van 15 t gelijk was aan zes eenheden, bekwam men, met dertig gelijkaardige wagons, de toelaatbare belasting van 450 t, voorzien voor het type “Nord 180 eenheden”.

Voor de classificatie der stoomlocomotieven gebruikt men een symbool, opgemaakt volgens de verschillende combinaties van de gekoppelde assen en draagassen. Men onderscheidt vier systemen. Het Franse systeem is gebaseerd op de assen vanaf de voorzijde van de machine. Het Angelsaksische systeem, ook systeem White genoemd, dat in België wordt toegepast, telt de wielen en geeft derhalve cijfers die het dubbele zijn van de voorgaande. Het Zwitserse systeem, een oud Duits stelsel dat eertijds bij de Beierse Staatsspoorwegen in zwang was, is samengesteld uit twee cijfers : het eerste stelt de gekoppelde assen voor en het tweede het totaal van de assen. In het nieuwe Duitse systeem worden de gekoppelde assen of drijfassen voorgesteld door letters en de draagassen door cijfers ; dat systeem wordt thans schier overal gebruikt voor de classificatie van de diesel en elektrische locomotieven ; zo ontstonden de BB’s, CC’s, 2D2, enz.

Sommige combinaties kregen, bovendien, een bijzondere naam, doorgaans van Amerikaanse oorsprong. Ons type 1 van 1935 was b.v. een “Pacific”, geclassificeerd 4-6-2, volgens het systeem van White. In Frankrijk zou het een 231 geweest zijn, in Zwitserland een 3/6 en in Duitsland een 2C1.

De meest verspreide klassen in België waren de 4-6-0 “Ten Wheel”, de 4-4-2 “Atlantic”, de 4-6-2 “Pacific”, de 2-8-0 “Consolidation” en de 2-10-0 “Decapod”.

Hierna de benamingen van de voornaamste combinaties :

2-2-0 PLANET. 2-8-0 CONSOLIDATION.
2-2-2 SJNGLE DRIVER, PATENTEE en JENNY LIND. 2-8-2 MIKADO.
4-2-2 BICYCLE. 2-8-4 BERKSHIRE.
0-6-0 BOURBONNAIS of SIX WHEEL. 4-8-0 TWELVE WHEEL.
0-8-0 EIGHT COUPLER. 4-8-2 MOUNTAIN.
0-10-0 TEN COUPLER. 4-8-4 NORTHERN of CONFEDERATION.
2-4-2 COLUMBIA. 0-10-2 UNION SWITCHER.
2-6-0 MOGUL. 2-10-0 DECAPOD.
2-6-2 PRAIRIE. 2-10-2 SANTA FE.
2-6-4 ADRIATIC. 2-10-4 TEXAS.
4-4-0 AMERICAN. 4-10-0 MASTODON.
4-4-2 ATLANTIC. 4-10-2 OVERLAND of SUPER MOUNTAIN.
4-4-4 READING of JUBILE. 2-12-0 CENTIPEDE.
4-6-0 TEN WHEEL. 2-12-2 JAVANIC.
4-6-2 PACIFIC. 4-12-2 CHALLENGER.
4-6-4 HUDSON of BALTIC. 4-14-4 SOVIET.

Wanneer het gaat om tenderlocomotieven, wordt het symbool gevolgd door de letter T.

De herkomst van die benamingen houdt verband met een gebeurtenis of een bepaalde categorie welke die betiteling rechtvaardigen. De eerste 4-4-2 werd in 1893 gebouwd door de Amerikaanse firma Baldwin voor de lijn van Atlantic City ; vandaar de benaming “Atlantic” voor dat locomotiefmodel. Daar Baldwin in 1897 aan Japan de eerste 2-8-2 geleverd had, werden die machines voor de gelegenheid “Mikado” gedoopt. De eerste 2-8-0 die in de U.S.A. werd gebouwd ter gelegenheid van een fusie van maatschappijen, kreeg de benaming “Consolidation”, wat de Engelse term is voor fusie.

De “Pacific” danken hun naam aan de Missouri & Pacific Railroad. Die befaamde machines werden in 1907 in Europa ingevoerd door de maatschappij Paris-Orléans, en Arthur Honegger bezong ze op meesterlijke wijze in zijn muziekstuk “Pacific 231”. De “Pacific” verbreidden zich, in 1908, snel over de Franse netten Midi en Ouest, hetzelfde jaar over het net van de Beierse Staatsspoorwegen, in 1909 over dat van Paris-Lyon-Méditerranée en in 1910 over dat van de Belgische Staat.

Zoals hun naam het aanduidt zijn de 4-8-2 “Mountain” (berg) aangewezen voor de heuvelachtige lijnen. Ze reden voor het eerst in 1912 op het net van de Chesapeake & Ohio en in 1925 op de Franse netten Est en P.L.M. Vanaf 1924, overwoog men in België de aanwending van gelijkaardige machines op de lijn naar Luxemburg, maar ingevolge het succes van de versterkte typen 10, werd de studie ervan opgeschort.

Deze locomotief type 5 werd “Mikado” genoemd. Volgens de opstelling van de assen was het een 2-8-2. In frankrijk zou ze een 1-4-1 geweest zijn, in Duitsland een 1D1 en in Zwitserland een 4/6.

Bron : Het Spoor, augustus 1966