Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Rollend materieel > Locomotieven > Onze onvergetelijke stomers > Vijfde periode, 1884-1898 - Beheer Masui en Belpaire

Vijfde periode, 1884-1898 - Beheer Masui en Belpaire

Phil Dambly.

mardi 6 décembre 2011, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

Onder leiding van Belpaire, die intussen tot directeur van de Staatsspoorwegen was benoemd, werden er, tijdens die periode, geheel nieuwe locomotieven gebouwd door hoofdingenieur L.R. Masui.

Locomotief type 25 van 1884. Eerste reeks.

In het begin van die nieuwe etappe werd op de lijn naar Luxemburg een zeer merkwaardige goederentreinlocomotief met drie gekoppelde assen in bedrijf genomen. Deze machine, bekend onder de benaming type 25, waarvan het effectief 472 eenheden telde, werd zonder onderbreking gebouwd van 1884 tot 1898 en het gebruik ervan werd over het grootste deel van het net verspreid. Omdat ze de kolentreinen trokken, kregen die locomotieven de bijnaam, van “charbonnières”. Ze hadden wielen van 1,30 m, binnenliggende hellende cilinders, buitenliggende langsliggers en een uitstekende Belpairevuurhaard. Ze wogen 46,62 t en ontwikkelden 325 pk met een snelheid van 45 km/h. Ze waren gekoppeld aan tenders van 9 m³, die twee assen hadden. Drie exemplaren van het type 25 werden uitgerust met de Westinghouserem. Zoals bij de P.L.M., waren de drukluchtreservoirs op de vuurkist geplaatst.

Type 25 van de reeksen van 1884 tot 1895. Foto genomen in 1932 in het depot van Ans.

Van 1884 tot 1895 hadden de locomotieven type 25 een vierkante schoorsteen. Tussen 1895 en 1898 kregen ze een kegelvormige schoorsteen die ze behielden tot bij de vernieuwing der stoomketels, welke van 1909 tot 1911 op bijna alle machines werd doorgevoerd. Die ketels hadden, naar Engels model, een ronde, smalle en halfdiepe vuurhaard. In 1912 adopteerden ze de gewone cilindrische schoorsteen met kap. Op dat ogenblik werden de typen 25, die van nieuwe stoomketels waren voorzien, type 25 bis genoemd en achteraf type 26.

Type 25 met een in 1898 vernieuwde stoomketel en voorzien van de Westinghouserem. Foto genomen in 1932 in het depot van Ans.

Twee andere machines type 25, bestendig rug aan rug gekoppeld, hebben op de hellende vlakken van Luik in 1900-1901 de opdrukdienst onderhouden. Wegens de bijzondere opstelling van de locomotiefkap, die op de enige tussenliggende tender was gemonteerd, werd deze laatste door sommige spoormannen, die van galgehumor hielden, “lijkwagen” geheten...

De “lijkwagen”, koppeling van de locomotieven type 25 n° 2211 en 2388 door centrale tender.

In 1932 waren er locomotieven type 25, gekoppeld aan tenders “Mac Intosh” met drie assen, die voortkwamen van oude typen 30 welke men intussen had gesloopt. Dat jaar waren er nog steeds 150 typen 25 in dienst, voorzien van de Westinghouserem waarvan het drukluchtreservoir op de voetplaat gemonteerd was. Drie exemplaren van dat type maakten in 1945 nog deel uit van het effectief van de N.M.B.S.

De eerste locomotief type 6 werd in 1885 door Cockerill geleverd. Het was een 2-6-0 “Mogul” met wielen van 1,70 m, buitenliggende langsliggers, binnenliggende cilinders en mechanisme, die het n° 1818 droeg. Ze vertoonde enkele opstellingen die men niet bij de reekslocomotieven terugvond : rookkast, ophanging, stoomdom, machinistenhuis aan de rechterzijde van de cilindrische stoomketel. Daar de werking van die machine geen voldoening schonk, moest ze belangrijke verbouwingen ondergaan. Tussen de laatste twee gekoppelde assen werd, onder de vuurhaard, een loopas bijgevoegd ten einde de verdeling van het gewicht te verbeteren. Ook de ophanging werd gewijzigd. Het zijdelingse machinistenhuis werd weggenomen en vervangen door een gewoon dat op de gebruikelijke plaats werd gemonteerd. Buiten dienst gesteld na een kortstondig bestaan, werd de locomotief n° 1818 intussen opgevolgd door twee volkomen gelijke machines (n° 1825 en 235) die respectievelijk in 1885 en 1886 verschenen. Ze werden ook vlug buiten dienst gesteld.

Locomotief n° 235 van 1886, een der drie prototypen van het type 6.

Toch stelde de Staat, tussen 1889 en 1891, en 1892 en 1894, 32 locomotieven type 6 in dienst, die profiteerden van de ondervinding die men tijdens de proefnemingen met haar voorgangsters opgedaan had. De machines van de tweede reeks werden voorzien van een veel grotere rookkast, waardoor het frame diende te worden verlengd. Op deze locomotieven, net als op de typen 16 en 12 die daarop zouden volgen, was de loopas voorzien van radiale asbussen van het stelse Roy. Bestemd om exprestreinen te trekken op lijnen met heuvelachtig profiel, waren de typen 6 voorzien van Belpairevuurhaarden met buitengewoon groot roosteroppervlak : 6,70 m2. De vuurkist besloeg de hele breedte van de machine en vernauwde tussen de gekoppelde wielen.

Locomotief type 6 van de reeksen van 1889-1891 Men bemerkt de grote afmetingen van de vuurkist, die voor die tijd uitzonderlijk waren.

Die locomotieven vertoonden enkele gebreken waarvan het voornaamste bestond in de onvoldoende verdamping in verhouding tot de afmetingen van de cilinders. Bovendien vergde de ingewikkelde bouw van de vuurkist grote onderhoudskosten en talrijke herstellingen. Om die gebreken te verhelpen werd, in 1906, op acht machines een nieuw model van stoomketel geplaatst. In die ketels met smalle en halfdiepe vuurhaard van Engels type, konden briketten gestookt worden. De rookkast was korter en een sierlijke schoorsteen met kap verving de enorme en weinig esthetische vierkante schoorsteen. De verdamping werd aanmerkelijk verbeterd en het vermogen van de machines nam dermate toe dat het frame moest worden versterkt. Zo ontstond het type 6 bis dat, tot 1925, uitstekende diensten bewees op de lijnen naar Luxemburg en van de Ourthe.

De typen 6 van 1889 en 1892 wogen rijvaardig respectievelijk 55,30 en 54 t. De typen 6 bis wogen 60,50 t. De verschillende versies hadden alle een tender van 14 m³ met drie assen.

Ofschoon het type 16 slechts in 1897 verscheen, willen wij het hier ter sprake brengen, want het was in feite een afstraling van het type 6. Het voornaamste verschil met deze laatste bestond in een verhoging van het vermogen, die betrekking had op het roosteroppervlak (6,86 m2) en op de afmetingen van de cilinders. De zeventien locomotieven type 16, die in 1897 waren geleverd, werden aangevuld met een reeks van tien machines die lichtjes verschilden van het oorspronkelijke type. Die machines, met kegelvormige schoorsteen, waren gekoppeld aan dezelfde tenders als de typen 6.

Type 16 van 1897.

Daar ze evenmin als deze laatste voldoening schonken, werden de typen 16 op hun beurt voorzien van een stoomketel met smalle vuurhaard. De veertien exemplaren die aldus vanaf 1906 werden verbouwd, reden tot 1925 onder de benaming type 16 bis. Hun rijvaardig gewicht bedroeg 64,15 t, tegen 63,63 t voor het oorspronkelijke type 16.

Type 16 bis dat in 1909 werd voorzien van een stoomketel met smalle vuurhaard. Men ziet dat hierdoor de algemene aanblik van de locomotief aanmerkelijk werd verbeterd.