Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Rollend materieel > Locomotieven > Onze onvergetelijke stomers > Tiende periode, 1920-1939 - Van de Staatsspoorwegen naar de (...)

Tiende periode, 1920-1939 - Van de Staatsspoorwegen naar de NMBS

Phil Dambly.

mardi 6 décembre 2011, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

In 1920 kwamen een aantal in 1919 in de U.S.A. bestelde goederentreinlocomotieven op hun beurt de leemten aanvullen die de verwoestingen van de oorlog achtergelaten hadden. Die 2-8-0 “Consolidations” met twee cilinders en oververhitting, welke tot het type 38 behoorden, hadden wielen van 1,52 m. De American Locomotive Company te Schenectady en Baldwin te Philadelphia hadden hiervan 150 exemplaren gebouwd, dit volgens een programma dat door de studiebureaus van de Staat opgemaakt was. Dat volstrekt Amerikaanse type was aan de exploitatie-eisen van het Belgische net aangepast. Het was gekoppeld aan een tender van 24 m³ met drie assen, model Staat, ontwikkelde 1 650 pk, bereikte 70 km/h en woog rij vaardig 85 t. Het veelvuldig verspreide type 38 heeft eminente diensten bewezen, o.m. op de lijn naar Luxemburg, in het Centrum en in de Kempen.

Het eerste type 38, n° 5201, bij het verlaten van de werkplaats in de Verenigde Staten, in 1920. Die machines droegen de n° 5201 tot 5275 (Alco) en 5276 tot 5350 (Baldwin).

De Belgische industrie leverde, in 1921-22, 75 locomotieven type 8bis. Reeds ontworpen in 1914, waren die 4-6-0 “Ten Weel” ontstaan door het aanbrengen van de oververhitting op de compoundmachine type 8, waarvan de afmetingen van de stoomketel en van de cilinders vergroot werden. Ze ontwikkelden 1 600 pk, bereikten 110 km/h en wogen 83,50 t. De typen 8bis, die de exprestreinen en de zware reizigerstreinen trokken op de lijnen van Brussel naar Luik en Oostende, werden vanaf 1925 type 7 genoemd.

Type 38 in de nieuwe “livrei” die in 1930 bij de N.M.B.S. ingevoerd werd : donkergroen, zwarte boordsels, oranjekleurig biesje. Locomotief n° 3868, van depot Dendermonde (nummering van 1931).

Het type 33, een ander model van locomotief, eveneens ontworpen in 1914, werd in 1921 door de Ateliers de Tubize geleverd. De acht exemplaren van die 2-8-0 voor gemengde diensten, met wielen van 1,52 m., waren ook compoundlocomotieven met vier cilinders, uitgerust met een oververhitter. De typen 33 trokken de zware reizigerstreinen op de lijn naar Luxemburg. Ze ontwikkelden 1 900 pk, bereikten 80 km/h. en wogen 85 t. Wegens de te grote kostprijs werd de bouw van die machines niet voortgezet.

Type 8bis, uitgerust met de AC.F.I. Locomotief n° 4616 (Anglo-Franco-Belge te La Croyère).

Intussen hadden de bureaus van de Staat andere 2-8-0 voor gemengde diensten ontworpen, waarbij het type 33 als uitgangspunt diende. Om reden van besparingen werd afgezien van de compoundering met vier cilinders ten voordele van de enkelvoudige uitzetting met twee cilinders en oververhitting ; de bouw van die machines werd aan de Engelse industrie toevertrouwd. Armstrong-Whitworth te Newcastle-on-Tyne leverde, tussen 1921 en 1923, tweehonderd exemplaren. Dat was het type 37. Die machines werden voornamelijk ingezet voor de goederentreindiensten en soms ook voor de lokale reizigerstreindiensten. Ze ontwikkelden 1 600 pk en wogen rijvaardig 89,70 t. Aanvankelijk was de maximale snelheid beperkt tot 70 km/h. De locomotieven type 37 werden in 1931 type 31 genoemd.

Het type 8bis, compound, uitgerust met een inspringende Belpairevuurhaard en een overrerhitter van de American Superheater Co, dateerde van 1921 (n° 4601 tot 4675). Het zou in 1925 het type 7 worden. Locomotief n° 4608 (Cockerill).

Dank zij de menigvuldige verbeteringen die zij tijdens hun langdurige loopbaan ondergaan hebben, konden de typen 10 hun eersterangsrol behouden. Tot aan de elektrificatie van de lijn naar Luxembourg waren die “Pacifics” aan kop van de zwaarste treinen waarlijk weergaloos en zelfs de nieuwe “Pacifics” type 1 van 1935 konden hun 25 jaar oudere zusters niet onttronen !

De eerste wijzigingen, die reeds in 1922 door hoofdingenieur Legein ontworpen werden, bestonden o.m. in het aanbrengen van een dubbele uitlaat met een dubbele schoorsteen er boven op. Die inrichting was aangevuld met een Engelse injecteur van Davies & Metcalfe, werkend met de afgewerkte stoom van de cilinders, en die destijds op verschillende machines geïnstalleerd werd.

Bovendien werd het aantal dikke vlampijpen van 31 op 40 gebracht. Bij die gelegenheid werd de oververhitter versterkt door het aantal oververhitterelementen overeenkomstig het aantal dikke vlampijpen te verhogen. Verder werd het frame versterkt aan de voorkant en waren er heel wat kleine wijzigingen waarvan de opsomming te langdradig zou zijn.

De eerste verbouwde locomotief was de 4512 (later de 1012) die op 31 oktober 1923 de werkplaats verliet. Het was op die machine dat men omstreeks 1926 een automatische stookinrichting beproefde. Die proefneming bleef zonder gevolg. In 1926 werden, bij wijze van herstelbetaling, bij Vulkan te Hamburg en Hanomag te Hannover zeven locomotieven type 10 verbouwd (n° 4501, 4511, 4518, 4520, 4522, 4526 en 4534).

Vanaf 1931 werden de injecteurs van Metcalfe geleidelijk vervangen door voorverwarmers A.C.F.I. Terwijl het verbruik met 20 % afnam, werd het vermogen der machines van de eerste reeks van 2 250 op 2 700 pk gebracht, wat evenveel was als dat van de “Super Pacifics” die in 1923 door de Nord francais in bedrijf waren genomen (3.1201 tot 3.1240, vervolgens 231 C S.N.C.F.) De twee machinetypen waren de krachtigste “Pacifics” die toen op het Europese net reden. Het vermogen van de typen 10 van de tweede reeks steeg op zijn beurt van 1 950 tot 2 400 pk. Het rijvaardig gewicht bedroeg 115 en 112 t. naargelang de reeksen, en de getrokken belasting werd van 350 op 430 t gebracht. Eveneens vanaf 1931 werden de kleppen van Wilson vervangen door kleppen van Coale.

De in België ontworpen, maar in Engeland gebouwde locomotieven type 37 werden geleverd van 1921 tot 1923 (n° 5001 tof 5200) en werden type 31 in 1931. Ze waren uitgerust met een inspringende Belpairevuurhaard en oververhitters van Robinson of Superheaters. Machine n° 5035 van depot Schaarbeek.

Vanaf 1928 had men de typen 10 en 9 voorzien van leiplaten en werden ze gekoppeld aan tenders van 31 m³, met draaistellen afkomstig van Pruisische machines die door de N.M.B.S. buiten dienst gesteld waren. Het was in die tijd dat de gekoppelde compressors, “duplex” geheten, ingevoerd werden, en dit in vervanging van de enkelvoudige pompen van de Westinghouserem. De typen 10 werden hiermee nochtans slechts vanaf 1943 uitgerust daar eerst de typen 36 aan de beurt kwamen.

In juni 1928 had men de locomotieven type 10 n° 4529, 4538, 4541 en 4547 ingedeeld bij Brussel-Noord voor de dienst van de “Edelweiss”, de exprestrein Brussel - Bazel die uit Pullmanrijtuigen samengesteld was.

Type 33, compound, geleverd door Tubize in 1921 (n° 3993 tot 4000). Locomotief n° 3300 van depot Ronet, in station Namen in 1939 (nummering van 1931). Die machine werd n° 33.008 in 1946.

Een plan om ze lichter te maken werd uitgewerkt in 1934 en gerealiseerd op de locomotief 1001 (ex-4501 en latere 10.001). Het frame en de vuurhaard werden ingekort, het roosteroppervlak werd met 0,80 m³ verminderd en de draagas, die men 27 cm vooruitschoof, werd enigszins ontlast. Met hetzelfde adhesiegewicht, bekwam men een gewichtsvermindering van 2,40 t. De 1001, die steeds gekoppeld bleef aan een tender met drie assen, was de enige die deze “verminking” onderging.

Vanaf 1938 werden de “Pacifics” van Flamme opnieuw verbouwd ten einde treinen van 500 t (11 rijtuigen) te kunnen trekken op de lijn naar Luxemburg. De oververhitter werd nogmaals verbeterd (verzamelkast) en men installeerde een stoomdroger in de dom, een régulateur met grotere doorsnee en de dubble uitlaat van Kylchap. Op die wijze werd een machine met enkelvoudige uitzetting voorzien van de inrichtingen, aangeprezen door de Fransman Chapelon die, van 1929 tot 1934, de compound- “Pacifics” van de Paris-Orléans verbouwd had. De locomotieven 1005, 1009, 1010 en 1016 werden verbouwd in 1938, de 1022 in 1943, en de andere van 1946 tot 1949.

Type 9 uitgerust met de A.C.F.I. en voorzien van leiplaten. Locomotief n° 912 (vervolgens 9.012) in station Jemelle in augustus 1939.

Het was de locomotief 10.018 (ex-1018) die, op 29 september 1956, de laatste stoomtrein tussen Luxemburg en Brussel trok. De nog in dienst zijnde typen 10 werden ’s anderendaags gedoofd, met uitzondering van vijf machines die afgestaan werden aan het depot Brussel-Zuid om te worden ingezet op de lijnen naar Doornik en Bergen (n° 10.011, 10.018, 10.029, 10.043 en 10.045).

Een type 36 hoe het er uiteindelijk uitzag, met zandstrooier, in 1937 geplaatst op de buitenvuurkist. Locomotief n° 3632 van depot Ottignies, ex-4463 (Energie 1912).

Bron : Het Spoor, september 1967