Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Rollend materieel > Locomotieven > Onze onvergetelijke stomers > Elfde periode, 1940-1946 - Overname van de Nord Belge en 2de (...)

Elfde periode, 1940-1946 - Overname van de Nord Belge en 2de wereldoorlog

Phil Dambly.

mardi 6 décembre 2011, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

Bij de overname, op 10 mei 1940, van de “Nord Belge”, werd het locomotievenpark van de N.M.B.S. met 150 eenheden verrijkt. Vanaf haar oprichting had de “Société du Nord Belge” verschillende typen van locomotieven aangekocht bij de “Compagnie du Nord français” en had zij in België gelijkaardige machines laten bouwen. De locomotieven van de “Nord Belge” werden hersteld en verbouwd in de werkplaatsen van Saint-Martin, nabij Marchienne-Zone. De depots van die maatschappij waren gevestigd te Kinkempois, Saint-Martin en Frameries.

Onder het oorspronkelijke materieel dat op het net van de “Nord Belge” in gebruik was, citeren wij vooral twee Engelse locomotieven, gebouwd door Tulk en Ley te Whitehaven, voor de “Chemin de fer de Namur à Liège”, en in dienst gesteld in 1846. Deze 4-2-0, “Namur” en “Liège” genoemd, waren de eerste machines die volgens het stelsel van Crampton gebouwd werden.

De middellijn van de drijfwielen, 2,13 m, was voor die tijd werkelijk opzienbarend. Die locomotieven, met een kortstondige loopbaan, zijn in feite de prototypen geweest van al de “Crampton”-locomotieven die voor de verschillende Europese netten gebouwd werden.

Drie “Buddicom”-locomotieven, gebouwd in 1846, voorzien van een tender in 1860 en teruggekocht van de “Nord français” in 1868, hebben reizigerstreinen getrokken op de lijn Luik - Givet. Die 2-2-4, met buitenliggende cilinders, behielden hun Franse reeksnummers 172, 189 en 200.

Locomotief n° 189, één van de drie “Buddicoms” met tender, aangekocht in 1868 door de “Nord Belge” en gesloopt in 1871. Die machines hebben de n° 172, 189 en 200, die ze bij de “Nord français” droegen, behouden (reeks 171 tot 200, Buddicom, 1846-48).

Op dezelfde lijn verschenen in 1849 reizigerstreinlocomotieven, reeks 4 tot 7, die door Cockerill gebouwd waren. Ze behoorden tot het type 0-4-2 en werden in 1858 verbouwd.

Rangeerlocomotief n° 84 “Praxitèle”, reeks 81 tot 86, in definitieve staat. De waterreservoirs werden vergroot in 1862-63 terwijl de middelste as in 1872 gemonteerd werd (St-Léonard, 1856).

Ten slotte reden tussen Luik en Givet ook de locomotieven n° 8 tot 17 ; het waren 2-2-2 geleverd door Cockerill in 1856. Identiek met een “Wilson”-type van de Belgische Staat, onderhielden ze de tractie van de reizigerstreinen.

Reizigerstreinlocomotief n° 52 “Tacite”, reeks 51 tot 56, getransformeerd in de werkplaatsen van St-Martin in 1871 (St-Léonard, 1848).

Zes tenderlocomotieven met twee assen, door Saint-Léonard in 1856 gebouwd, droegen volgende nummers en namen : 81, “Eschyle” ; 82, “Sophocle” ; 83, “Euripide” ; 84, “Praxitèle” ; 85, “Ménandre” ; 86, “Plaute”. Bij hun verbouwing, in 1862 en 1872, te Saint-Martin kregen ze een derde gekoppelde as tussen de twee oorspronkelijke assen en grotere waterreseroirs. De machine n° 85, die in 1904 een nieuwe stoomketel had gekregen, onderhield, na 1918, nog de rangeringen in het depot Kinkempois.

Reizigerstreinlocomotief n° 23, reeks 20 tot 31, type “Stephenson” (Derosne & Cail, 1846) ; 2-2-2 verbouwd lot 2-4-0 in 1862. Men bemerkt de oorspronkelijke,. zogenoemde gotische haycock-vuurhaard die vanaf 1874 zal worden vervangen.

De reizigerstreinlocomotieven n° 51 tot 56, met drie gekoppelde assen, werden in 1848 door Saint-Léonard gebouwd. Oorspronkelijk uitgerust met een haycock-vuurhaard, kregen ze een nieuwe stoomketel in 1871. Vier ervan droegen de volgende namen : 51, “Caroline” ; 52, “Tacite” ; 53, “Emily” ; 54, “Demonceau”.

Reizigerstreinlocomotief n° 4, reeks 4 tot 7 (Cockerill, 1849).

De zogenoemde “Stephenson”-locomotieven behoorden tot twee typen die vanaf 1846 zeer verspreid waren. Acht machines type 2-4-0 werden in 1862 en 1880 bij de “Nord français” aangekocht. Bestemd voor de dienst der reizigerstreinen, ontvingen ze de n° 20 tot 25, 30 en 31. Hun stoomketels met “haycock”-vuurhaard werden van 1874 tot 1876 vernieuwd. Die locomotieven maakten nog deel uit van het effectief in 1911 en trokken de lichte treinen op de trajecten Bergen - Haumont en Charleroi - Erquelinnes.

Reizigerstreinlocomotief n° 16, reeks 8 tot 17, type “Wilson” (Cockerill, 1856).

Ook de 25 machines van het type “à marchandises” waren aangekocht geweest bii de “Nord français” in 1880. Die 0-6-0 kregen de n° 151 tot 175. Ze werden gebruikt op de lijn Luik - Givet en verdwenen omstreeks 1906.

Locomotief n° 99, type “Mammouth” (1860).

De “Nord Belge” bezat destijds een belangrijke reeks locomotieven van het type “Mammouth”, gebouwd in 1857 en in 1861 door Cockerill en de “Société de Couillet”. Ze verschilden heel weinig van de gelijkaardige machines die op hetzelfde tijdstip aan de “Compagnie du Nord francais” geleverd werden. De “Nord Belge” heeft die locomotieven met drie gekoppelde assen en wielen van 1,44 m gebruikt voor het trekken van de belangrijkste reizigerstreinen, waaronder de exprestreinen Parijs - Keulen. Vanaf 1881 werden ze door een recenter type vervangen en behield men ze voor de lokaaldiensten, vooral op de lijn Namen - Givet.

Dezelfde machine met tender. De eerste as werd losgekoppeld om het adhesiegewicht te verminderen. Er waren 34 “Mammouths” (n° 61 tot 79 en 91 tot 105). Behalve de n° 65, 68, 94, 98 en 103, werden ze alle voorzien van een tender. De machines n° 61 tot 76 kregen toen de nummers 1 tot 4, 6 tot 7, 9 tot 13, !7 tot 19 ; de machines 77 tof 79 werden 14 tot 16, terwijl de andere hun oorspronkelijk nummer behielden.

Op dat ogenblik transformeerden de werkplaatsen van Saint-Martin het merendeel der “Mammouth”-machines in tenderlocomotieven voor de dienst der lichte reizigerstreinen, de zogenoemde “tram-treinen”, in de voorsteden van Luik en Charleroi. In 1895 werden ze van de Westinghouserem voorzien.

Goederentreinlocomotief n° 666 “John Cockerill”, reeks 651 tot 670, type “Creusot”, van de stelplaats Kinkempois (Cockerill, 1855).

Bron : Het Spoor, november 1967.