Accueil > Het Spoor > Geschiedenis > De spoorwegen in de provincie Luxemburg (II)

De spoorwegen in de provincie Luxemburg (II)

P. Pastiels.

lundi 26 novembre 2012, par Rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [français]

De spoorwegmaatschappij van Virton

 Spoorwegkoorts in het land van Gaume

In 1858 werd de lijn “Brussel - Aarlen” over de hele lengte geëxploiteerd en het jaar daarop liep ze al door tot Luxemburg. Het tracé van deze internationale lijn werd zo economisch mogelijk ontworpen (geen tunnels, weinig belangrijke kunstwerken) en talrijke plaatsen in de Ardennen en in de Gaume werden vermeden. Zo liet het spoor de stad Virton links liggen, maar het duurde niet lang voordat plaatselijke belangen de kop opstaken en de spoorwegkoorts zich van de vroede vaderen meester maakte.

Reeds in de loop van het jaar 1857 dienden een zekere Felix Martha en Co (advocaat te Charleroi) bij de minister van Openbare Werken een ontwerp en een concessieaanvraag in voor een spoorweg die Aarlen, via de vallei van de Ton, direct zou verbinden met Montmédy (Frankrijk) over Chatillon, St-Léger, Ethe, Virton, St-Mard, Dampicourt, Harnoncourt en Lamorteau. Op dat verzoek werd niet onmiddellijk ingegaan.

Later, in 1863, richtte de heer Bouvier (1816-1885), liberaal volksvertegenwoordiger van het arrondissement Virton, aan het departement van Openbare Werken een nieuwe concessieaanvraag voor de spoorweg van Virton.

Elk jaar opnieuw, bij de bespreking van de begroting van dit departement in de Kamer van Volksvertegenwoordigers spoorde hij de regering aan om de bouw van deze spoorweg te bevorderen, maar tevergeefs. De heren Bouvier en Thonissen deden geregeld hun beklag over het feit dat de provincies Luxemburg en Limburg werden verwaarloosd.

Ze eisten met nadruk dat de steden Virton en Maaseik - de laatste arrondissementshoofdplaatsen waar het spoor niet kwam - elk met het nationaal spoorwegnet werden verbonden...

De minister van Financiën Frère-Orban (1812-1896) diende uiteindelijk bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers in 1866 een wetsontwerp in dat de regering toestemming verleende om de spoorwegen van Virton en Maaseik in concessie te geven. Uitzonderlijk voor die tijd was het feit dat er tevens een minimumrente werd gewaarborgd om eventuele concessionarissen aan te trekken.

Het eerste artikel van dit wetsontwerp luidde als volgt :

“De regering is gemachtigd om een vergunning te geven voor :

  1. een spoorweg van Hasselt naar Maaseik met eventuele verlenging naar de Nederlandse lijn van Venlo naar Maastricht ;
  2. een spoorweg die aftakt van de lijn van Namen naar Aarlen te of naar Marbehan en die naar de Franse grens loopt over of langs de stad Virton.

 Plaatselijke rivaliteit

Ondanks het heftige protest van de Luxemburgse Kamer van Koophandel, de gemeenteraad van Aarlen en van talrijke gemeenten over de gekozen richting van het tracé, keurde de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 9 mei 1866 het door de regering voorgestelde project goed met 73 stemmen en één onthouding.

Ten gevolge van de talrijke petities die door de betrokken gemeenteraden aan de regering werden gericht, keurde de Senaat na bespreking een amendement goed waarin Marbehan als verplichte stopplaats werd geschrapt en de spoorweg nu Virton zelf zou aandoen. De wet van 1 december 1866 verleende uiteindelijk de concessie, met een rentewaarborg van 275 000 fr. per jaar, voor een spoorweg die de stad Virton met het nationale net zou verbinden.

Na deze wet meldden zich bij de regering twee gegadigden aan voor de spoorweg van Virton :

  • het eerste project was van een Engels-Franse maatschappij “De reiset et Benat”. In de memorie van toelichting uitgegeven door de secretaris van de Kamer van Koophandel van Aarlen, D. Hanus, was een uiterst interessant tracé voorgesteld nl. Habay - Etalle - St-Léger - Ethe - Virton - Montmédy ;
  • het tweede project, waarbij was uitgegaan van het project Martha en dat de steun had van de gemeenteraden van Meix-devant-Virton en Villers-la-Loue, beval eerst het tracé “Marbehan - Meix-devant-Virton - Dampicourt - Montmédy” maar wijzigde dat achteraf in “Ethe - Virton”.

 Eindelijk een concessie

Het Koninklijk Besluit van 5 november 1868 kende uiteindelijk aan de aannemer Justin Thevenet van Mont-sur-Marchienne de concessie van de spoorweg van Virton toe op basis van het tweede ontwerp. De lijn moest worden aangelegd op enkelspoor (spoorstaven van 34 kg/m), maar de kunstwerken moesten voor twee sporen worden gebouwd. De regering kon de spoorweg na vijftien jaar exploitatie meester. Vervolgens werd een naamloze vennootschap “De Spoorwegmaatschappij van Virton” opgericht, met zetel in Doornik, quai de l’Arsenal 17. De beheerders waren de heren Nicolas Parent-Pecher (directeur van de Bank van Doornik), A, Leschevin (advocaat en provincieraadslid te Doornik), L. Parez (eigenaar te Aat), J. Thevenet (aannemer), A. Parent (handelaar te Marchienne-au-Pont). De heren Félix Martha, Charles Fontaine-Delaveleye, L. Vanderspiet waren werkzaam als commissarissen.

 Simon Philippart verschijnt weer op het toneel

De voorzitter van de Raad van Beheer, Nicolas Parent-Pecher (1827/1880), had zeer nauwe familiale en zakelijke banden met Simon Philippart (1826/1900) : ze waren respectievelijk gehuwd met Pauline (1835/1922) en Marie Pecher (1832/1929), dochters van Joseph Pecher (1793/1868) (brouwer te Jemappes).

Achter “De spoorwegmaatschappij van Virton” tekende zich dus de ambitieuze “Compagnie des Chemins de fer des Bassins Houillers du Hainaut” af, die zich de bouw en de exploitatie van de spoorwegen in België en Frankrijk tot doel had gesteld !

De “Spoorwegmaatschappij van Virton” maakte helemaal geen haast met de bouw van de lijn, omdat er een meningsverschil bestond over het definitieve tracé. Vanaf 1870 bestond er inderdaad een ontwerp voor een spoorwegverbinding tussen Athus en Charleroi via Virton, een project dat werd gesteund door machtige geldschieters die bindingen hadden met de groep Philippart...!

Het lengtetracé van het tweede baanvak (Ste-Marie - Virton) werd pas in 1872 door de regering goedgekeurd. Verder kostten de onteigeningen of naastingen van terreinen meer tijd dan voorzien : ze begonnen slechts in mei 1870 op het grondgebied van de gemeenten Villers en Rulles.

De heer Bouvier interpelleerde meermaals de minister van Openbare Werken in de Kamer en eiste dat de concessie, zou worden vervallen verklaard.

 Een belangrijke Belgische primeur : een kiestrein !

Zo vormde de voltooiing van de spoorweg van Virton voor het arrondissement Virton nog de belangrijkste inzet van de wetgevende verkiezingen van 11 juni 1872 ! Die dag reed een speciale trein - een uniek transport in de politieke annalen ! - de kiezers op vertoon van hun oproepingsbrief gratis van Marbehan naar Laclaireau en dit ondanks de pessimistische waarschuwingen van de liberale pers, daarin gesteund door de heer Bouvier. Vanaf Laclaireau vervoerden bespannen rijtuigen de kiezers tot aan het kiesbureau van Virton.

Die nieuwe vervoerwijze zou het leesresultaat beïnvloeden : de heer Bouvier werd naar huis gestuurd ten voordele van graaf Albert de Briey, de katholieke kandidaat voor het arrondissement Virton.

Het baanvak “Marbehan - Virton” werd in de zomer en de herfst van 1872 afgewerkt. De eigenlijke opening van dit baanvak had plaats op zaterdag 9 november 1872. De uitgelatenheid was bijna... algemeen : geen enkel gemeenteraadslid was aanwezig noch onder de genodigden, noch onder de nieuwsgierigen !

Toch liep de commerciële exploitatie van de lijn vertraging op, omdat er nog altijd voltooiingswerken noodzakelijk bleken...!

Uiteindelijk werd een Ministerieel Besluit uitgevaardigd dat de lijn openstelde voor het vervoer van goederen vanaf 21 april 1873, voor reizigers en bagage slechts op 28 mei 1873.

 De werken schieten maar traag op

De aanleg van het baanvak “Virton - Montmédy” van de spoorweg van Virton liep aanzienlijke vertraging op. De werken werden tussen 1873 en 1878 om verschillende redenen stilgelegd. De terreinopmetingen liepen aanvankelijk achterstand op door de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871.

Een voorontwerp van het tracé voor het baanvak “Ecouviez - Montmédy” werd slechts in 1872 door de heer N. Parent-Pecher voorgesteld.

Deze sloot ook met de prefecten van de departementen Ardennes en Meuse overeenkomsten om de lijn verder dan Montmédy te laten lopen. Zo was er een plan om een plaatselijke lijn aan te leggen van Montmédy naar Baulny of Varennes. Van Baulny moest een departementale lijn worden doorgetrokken richting St-Dizier ; een andere van Longuyon naar Pagny-sur-Meuse. Ten slotte moest er op de lijn van Baulny naar St-Dizier een aftakking naar Buzancy komen. Een Franse wet van 17 juni 1873, erkende dat de spoorweg van Montmédy naar de Franse grens richting Virton een zaak van algemeen belang was en verleende er dan ook een vergunning voor.

Uiteindelijk werd het definitief tracé en het project voor het grondwerk voor bovengenoemde spoorweg in 1877 bij ministeriële beslissing goedgekeurd. De werken schoten dus maar traag op. De “Bank van België”, de “Compagnie des Chemins de fer des Bassins houillers du Hainaut” kregen langzamerhand met grote moeilijkheden te kampen nl. vanaf 1871 tot aan het faillissement van de groep Philippart in 1876. De rentabiliteit van de lijn “Marbehan - Virton” was al erg gering, aangezien de exploitatieontvangsten de kosten niet dekten. Verder boterde het niet tussen het Bestuur van de Staatsspoorwegen en de Compagnie de Virton. De talrijke moeilijkheden die de Staat met de Compagnie des Bassins Houillers had ondervonden, meer bepaald bij de bouw van de baanvakken “Athus - Signeulx” en “Signeulx - St-Mard” van de lijn “Athus - Meuse”, waren ongetwijfeld een verklaring voor het wantrouwen waarmee de “Compagnie du Chemin de Fer de Virton”, de laatste overblijver van de groep werd bekeken. Er ontstonden moeilijkheden toen de lijn Marbehan - Virton in St-Mard moest verbonden worden met die van Athus om de werken te kunnen voortzetten en bouwmateriaal naar Hamoncourt en Lamorteau te vervoeren. Ondanks een Koninklijk Besluit van 1878 dat de oprichting van een gemeenschappelijk station op het grondgebied van St-Mard verordende, bleef de Staat daar doof voor. De beheerder N. Parent-Pecher stuurde op 7 oktober 1879 een deurwaarder met een protestnota naar de Minister van Openbare Werken, zo raakte de toestand enigszins gedeblokkeerd wat nog niet wil zeggen dat de werken nu opschoten.


Bron : Het Spoor, augustus 1987


[1Baanvak van de lijn “Namur - Dinant”