Homepagina > Het Spoor > Over ... en ... > Over berg en spoor > Amsterdam... Brussel... Parijs
Amsterdam... Brussel... Parijs
R. Gillard.
maandag 13 februari 2023, door
Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]
Toen, in Gallië, de rust hersteld was, legden de Romeinen in onze gewesten een der doelmatigste wegennetten aan die de wereld ooit gekend heeft, een verbazende onderneming die elke verbeelding tart. In het kader van dit artikel is het zeker interessant even terug te denken aan de reusachtige Via Agrippa die Arles, aan de poorten van de Middellandse Zee, verbond met het mysterieuze Lugdunum Batavorum – waarschijnlijk het hedendaagse Leiden – aan het Noordzeestrand. Na de periode van de tweewielige wagens, na die van de diligences, trad onze planeet in het tweede tijdperk van het wiel: met het rijk van de stoom begon het glanspunt van het spoor. Het reizen werd gemeengoed, handel en nijverheid traden buiten de enge grenzen van hun streek, de meest geperfectioneerde internationale verbindingen werden ontworpen. Dit was een keerpunt in de geschiedenis van het mensdom.
Maar in een wereld die hunkert naar technische en sociale vooruitgang, moeten de verkeersmiddelen steeds vlugger, regelmatiger en ook veiliger zijn. Terwijl een zeker Europa stilaan vorm krijgt, lijkt het volstrekt geen overbodige weelde onze landen te voorzien van wegen die ze nauw met elkaar verbinden, als zovele wervels van een zelfde lichaam. Het geëlektrificeerde spoor heeft zich beijverd om die noodzakelijke verbindingen te bewerkstelligen. Dit artikel wil dan ook een loflied zijn aan een van die nieuwe verbindingen, met name Amsterdam – Parijs, welke weldra zal worden ingewijd. Vijfhonderd zesenveertig kilometer spoor vormen de ijzeren en tevens symbolische keten waarvan Nederland, België en Frankrijk de onafscheidbare schakels zijn. En aangezien de titel van deze rubriek een stille wenk inhoudt voor al wie reizen wil, geven wij hierna graag wat aardrijkskundige en historische bijzonderheden.
Is het nog wel nodig de lof van Amsterdam te zingen, van die uitgestrekte, waaiervormige metropool, met een bevolking die het miljoen benadert, met haar talloze grachten, met haar negentig eilandjes die door meer dan vierhonderd bruggen zijn verbonden? Een uitgelezen schare van dichters en schilders hebben Amsterdam bezongen, en elk jaar worden er enorme hoeveelheden toeristische vouwbladen verspreid die de schilderachtigheid van dit heerlijke oord uitbazuinen. Wat kunnen wij derhalve nog toevoegen aan zijn luister, dat niet door zijn vurige bewonderaars werd opgehemeld? Overigens heeft onze harddraver zich reeds op gang getrokken. Voorbij de viaduct en de volkrijke voorstad Sloterdijk, galoppeert hij, langs windmolens en kanalen, naar de residentiestad Haarlem. Weten de reizigers uit dit gezegende jaar 1963 dat, minder dan anderhalve eeuw geleden, precies op 20 september 1839, een klein en overigens sympatiek treintje, op deze weg van Amsterdam naar Haarlem, de eerste Nederlandse spoorlijn opende? Maar, laten wij liever niet de vervelende wijsneus spelen: die geluksvogels zijn thans immers een en al aandacht voor de indrukwekkende sluizen van Halfweg die de uitgestrekte polders van het vroegere Haarlemmer Meer tegen de overrompeling van de zee beschermen. Een eindje verder lijkt een fonkelende mengeling van rode, gele en groene kleuren de vlakte wel in lichtelaaie te zetten: wij rijden door het bloemtapijt van Oost-Holland, met zijn prachtige narcissen, tulpen en hyacinten. Die lieftallige en lachende tuin, waarvan Haarlem zich graag de hoofdstad noemt, vergezelt de reiziger, al over het bekoorlijke Vogelenzang, tot Leiden, het geleerde en verfijnde Leiden, dat er terecht prat op gaat de oudste Nederlandse universiteit te bezitten.
De trein heeft de meest noordelijke arm van de Oude Rijn overschreden. Hij reed voorbij Den Haag, ’n koningsstad met aristocratische en kosmopolitische allures, dat zich, ondanks zijn zeshonderdduizend inwoners, nog steeds als het grootste dorp van Europa voordoet, en voorbij Rijswijk, zijn satelliet, dat in de geschiedenis om zijn vermaard verdrag bekend is. Hij zag Delft, het vreedzame stadje met zijn lommerrijke grachten en zijn plateelwerk waaraan het zijn wereldvermaardheid dankt. Een vluchtige groet aan Schiedam, bekend om zijn uitstekende jenever, en daar doemt Rotterdam op.
Schier volledig verwoest in mei 1940, is het herrezen Rotterdam een synthese van gedurfde bouwkunde. Het wemelt er van grootse constructies. Laten wij ons slechts beperken tot zijn reusachtig Handelspaleis, het indrukwekkendste gebouw in zijn soort van gans Europa, zijn Euromast, een verbazende koepeltoren waarin zich, op 110 m hoven de straat, een restaurant bevindt, zijn Spoorbrug, een prachtig kunstwerk met vijf overspanningen, die 400 m lang is en vanwaar men een van de meest onverwachte panorama’s van de stad ontdekt. Zijn Blijdorp is, naar het schijnt, de modernste en best ingerichte dierentuin van het continent.
Waar is de tijd dat Erasmus zijn geboortestad Rotterdam verliet en met de „dokkerende” diligence naar Frankrijk reed om er Rabelais en Calvijn op te zoeken. Waar is de tijd dat Spinoza en Scheffer dezelfde weg opgingen. Waar is... neen, dit heimwee heeft geen zin. De schoonheid heeft immers ontelbare facetten en het humanisme is aan geen tijdperk gebonden. Het spoor heeft het bewijs van het hedendaagse humanisme geleverd. En onze snelle hazewind wil ons op zijn manier eraan herinneren en ons tot de werkelijkheid terugroepen. Op dit ogenblik doorkruist hij de Maas- en Rijndelta, een onontwarbaar web van rivieren en waterlopen. Wij rijden voorbij het schilderachtige Dordrecht en naderen dan de ontzagwekkende Moerdijkbrug. Dit reusachtige spoorwegkunstwerk, dat het Hollands Diep overkoepelt in de nabijheid van het noodlottige Biesbos waar de ontketende zee, in 1924, vijfendertig dorpen en zestigduizend mensen verzwolg, vormt de toegangspoort tot Noord-Brabant en leidt, over Roosendaal, naar Nispen, het laatste Hollandse dorp, en naar Essen, het eerste Belgische dorp.
Die vrolijke trein, wiens flanken nog ruiken naar het zilte vocht van de Noordzee, gaat thans de heerlijke heide- en dennegeur opsnuiven. Na dit kortstondig Kempens avontuur zal hij te Antwerpen belanden. En hij zal ook de Vlaamse stad Mechelen, de Europese stad Brussel en de Waalse stad Bergen aandoen. Vervolgens zal hij te Quévy België vaarwel zeggen en het Franse Feignies voorbijrijden.
Maar intussen, precies op die onzichtbare lijn welke zogezegd België van Frankrijk scheidt, heeft hij, aan de zoom van het bos van Lanière, de oude heirbaan van Bavay naar Keulen gekruist. En zoals hij daar straks, zonder stoppen, van Nederland naar België is gereden, zo heeft hij ook thans, even onopgemerkt, die andere slagbomen neergehaald. De spoorweg heeft zijn verborgen overwinningen. Deze grote internationaal, deze onvermoeibare humanist is er trots op een van de eersten te zijn geweest om de grenzen af te schaffen, om de weg tot het Europa van morgen te effenen.
En de trein rijdt immer verder, door het Franse land, recht naar Parijs, naar de zon, naar het Zuiden. Nog even een eresaluut voor het weldra legendarische Maubeuge dat daar een eindje verder aan zijn linkerkant ligt en dan komen andere Samber-oorden aan de beurt: Hautmont en zijn gieterijen, Aulnoye en zijn hoogovens, Maroilles en zijn kaas, Landrecies en de overblijfselen van zijn vestingwallen, Ors en zijn mooi bois l’Evêque, Ie Cateau en zijn vermaarde viaduct van „la Selle”, Busigny en zijn kapel van Sint-Urbanus, waar de koortslijders hulp en vertroosting gaan zoeken.
Maar de trein dendert gezwind verder naar Parijs. Wat een leerzame, rustige en sympathieke rit! Luistert en kijkt, gelukkige rezigers. Bohain zal u vertellen dat, beneden in een klein dal, de kronkelende en doorgaans droge bedding ligt van het canal des Torrents waarlangs, destijds – duizenden jaren geleden –, de jonge Schelde haar eerste schreden waagde. Fonsomme zal u vanzelfsprekend diets maken dat gij de bronnen van de Somme bereikt. Saint-Quentin, het oude Augusta Veromanduorum, zal u uitnodigen tot een bezoek aan zijn vermaarde collegiale kerk, een van de mooiste Gothische gebouwen van Frankrijk.
Langs lieftallige landelijke plekjes, bereikt de trein het dichtbevolkte departement van de Somme. Zal zich, in de komende eeuwen, nog wel iemand herinneren dat die rivieren en dorpen het toneel waren van een der meest tragische veldslagen uit de geschiedenis? Maar uit de puinen en uit het stof herrezen een nieuwe hoop en een nieuwe levensijver. Wat gisteren nog doods leek, tooit zich vandaag met een overrompelende glimlach. Ó armzalige sterveling, die eens beweerde dat dit stukje spoorweg niet mooi was en geen grootheid bezat? Lees de geschiedenis van die weg en luister naar zijn lied dat over de hele wereld weerklinkt... Hoort gij het? Ik ben Tergniez, een tuinwijk, gebouwd op een groot kerkhof. Ik hen Chauny, waarvan men gezegd had dat het van de kaart was weggevaagd. En Noyon, met zijn kathedraal waar Calvijn over de doopvont gehouden werd. Ik hen ook Compiègne: de Boergondiër nam er Jeanne d’Arc gevangen. Napoleon en Leopold I traden er in het huwelijk, Genua verkocht er Corsica aan Frankrijk en moeder Aarde plantte in zijn nabijheid, aan de samenvloeiing van de Aisne en de Oise, het sierlijkste bos van West-Europa.
Die vallei van de Oise, welke wij sedert Tergnier volgen, zal ons overigens nog een tijdje vergezellen. Zij zal ons laten kennis maken met Pont-Sainte-Maxence, een klein droomdorp, en Creil, dat destijds vermaard was om zijn abdij van Saint-Evremont, maar thans beter bekend is om zijn drukke industriële voorstad Montataire. Vervolgens steekt de trein de rivier over en glijdt hij door de witte kalkgang van Saint-Maximin. Aan het einde ervan ligt Chantilly met zijn vermaarde renbaan.
Sneller, steeds sneller rijdt de trein, hij is gehaast om de grote stad te bereiken. Hij heeft het woud van Chantilly doorkruist en in een oogwenk passeerde hij Survilliers. In de verte doemen de huizen op tussen de bomen. Zover het oog dragen kan, ziet men de rode daken der dorpen. Ginds rijst een kathedraal ten hemel die ons aan Saint-Denis doet denken. Daar troont, boven op een heuveltje, die merkwaardige Byzantijnse basiliek. Wij naderen Parijs!
Onder het gewelf van het Noordstation, op een paar stappen van de Seine, stopt een trein die een goede vijfhonderd kilometer terug vertrok, ergens in een Centraalstation, aan de oevers van de Zuiderzee. Hij legde de afstand af in minder tijd dan nodig is om Les Mystères de Paris te lezen. In minder tijd ook dan een Amsterdamse fietser zou nodig hebben om over de vierhonderd bruggen van zijn stad te rijden. En, alles wel beschouwd, in minder tijd ook dan de auteur nodig had om deze regels te plegen over die spoorlijn Amsterdam - Parijs, dit stukje weg van een groeiend Europa...
Bron: Het Spoor, mei 1963
Rixke Rail’s Archives
