Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Mannen van het spoor (IV)
Mannen van het spoor (IV)
Marthe Englebert.
dinsdag 14 februari 2023, door
Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]
- Besproken plaatsen, p1
- Nachtwerk, p1
Besproken plaatsen
Tien mensen die tegelijkertijd telefoneren, maken heel wat leven.
Ik geloof evenwel vast dat geen enkele onder hen ook maar iets hoort van wat zijn buurman vertelt; hun gehoor is geoefend in het luisteren naar de cliënteel, en met een rustige heldere stem geven ze nummers, dienstregelingen en reiswegen op.
Vandaag bevind ik mij te Brussel-Zuid, in de Centrale voor plaatsbespreking, de enige dienst die de reservering voor alle uit België vertrekkende treinen centraliseert. Dit bezoek zal me heel wat leren over die voor het groot publiek onbekende spoormannen, waaraan gij het te danken hebt te Antwerpen in de Amsterdam-Parijs te kunnen stappen en er naar hartewens plaats te nemen in een hoekje van een afdeling „niet-rokers”, met de rug naar de machine. Op voorwaarde evenwel dat er plaatsen beschikbaar blijven, wat betekent dat ge tijdig moet bespreken.
– En als de trein vanaf Amsterdam volzet is?
– Dan wordt u een plaats gereserveerd bij vertrek uit Brussel, waar een of meer rijtuigen worden bij gevoegd.
Ik wen reeds aan het gegons der stemmen van die telefonisten, waarvan er zes in verbinding staan met de stad en de provincie, en de vier anderen met de bedienden van het station, die de biljetten voor het buitenland verkopen.
De plaatsbespreking kan inderdaad worden aangevraagd in het station zelf, door een ander Belgisch station, of door een reisagentschap.
De telefonisten zitten rond een grote ronde tafel met in haar midden een draaibaar stel van drie afzonderlijk boven elkaar geplaatste vlakken, onderverdeeld in genummerde sectors, die elk een plaatsbesprekingsdiagram bevatten.
– Wenst u een plaats in de trein van 13 h 28 naar Parijs? De bediende die de aanvraag ontving, draait de „taartschaal” tot de sector Parijs vóór hem staat, haalt er het diagram uit dat met dag en uur van de trein overeenstemt, en reserveert de gewenste plaats onder die welke nog beschikbaar zijn.
Verkiest u een afdeling „niet-rokers”? Spijt me zeer, alles is verhuurd. U moet maar in de rook berusten of de ideale plaats in een andere trein naar Parijs reserveren.
In de belendende plaats begint plots een schrijfmachine te knetteren, stopt, herbegint. Daarna gaat een andere haar gang. Schaamteloos onbescheiden kom ik naderbij en buig mij over de machine om de tekst te lezen: ik begrijp er niets van. Het lijkt wel een boodschap die alleen Sherlock Holmes kan ontcijferen. Dit is het werk van de verreschrijvers die aanvragen om plaatsbespreking in de internationale treinen overseinen; het antwoord dient door de bediende binnen het kwartier te worden verstrekt.
En hij doet dit schijnbaar ongegeneerd, en typt allerlei geheimzinnige termen, zoals Huk! en Han! die wel Indianenkreten lijken. Er wordt mij uitgelegd dat het een ingekorte terminologie betreft die voor een bepaalde sneltrein Parijs-Nizza het reserveren in een koprijtuig aankondigt van een zitplaats, kant gang, met het gezicht naar de locomotief gekeerd.
– Moet gij met dat alles rekening houden bij het reserveren van een plaats?
– Toch niet, maar deze plaats werd gevraagd door een zeer gevoelig reiziger die opschrikt telkens als zijn trein een andere in vliegende vaart kruist. Dit maakt meer indruk als men aan het venster zit.
– Hoe kunt ge die bijzonderheden met uw... barbaarse termen uitdrukken?
– Het is een code, Mevrouw. Een plaats in een gesloten rookcoupé, gezicht naar de machine, wordt met Han aangeduid; rug naar de machine, met Huk. „Niet-rokers”, gezicht naar de machine, wordt Het; rug naar de machine: Hyl.
Dat is zonneklaar. En de lijst is lang, want de reiziger kan ook een tafeltje krijgen, gezicht of rug naar de machine, een hoekje „niet-rokers”, en wat al dies meer. Die rijtuigen worden verbrokkeld alsof het een verkaveling betrof. Ik word er wat duizelig van, ik die tot nog toe in mijn schik was als ik waar ook een zitplaats kon bemachtigen.
Jaarlijks worden ruim 140.000 dergelijke boodschappen overgeseind, en door die lieden ontvangen, overgeschreven, opgestuurd... en zelfs begrepen.
Toen het systeem van de verreschrijvers in 1957 van wal stak, werd hoog van de toren geblazen met de 24.000 plaatsen die aldus werden gereserveerd. Heden zijn de zes verreschrijvers van de Centrale zonder onderbreking van acht uur ’s morgens tot acht uur ’s avonds in bedrijf, en verwerken zij op de drukste dagen gemiddeld 900 telegrammen.
De mannen hebben de verreschrijvers leren bedienen bij het Bestuur der Telegrafie te Brussel. De ondervinding heeft hun geleerd kalm en hun zenuwen de baas te blijven, en met bekwame spoed te werken in het geroezemoes van stemmen doorweven met het geknetter van de machines en het telefoongerinkel.
Ik ga weg. Drie telefonen schellen.
– Voor Amsterdam? Morgen namiddag? Tweede klas...
De poliep spreidde haar twaalf armen uit en hapte gulzig alles wat drie bedrijvige mannen haar onophoudelijk toewierpen: jurken, een doos geneesmiddelen, 10 meter kasjmier, handtassen, vier paar schoenen, chocolade en...
Neen, de levende duiven werden ter zijde gesteld, als broos goed dat voorzichtig op een driewieler en vervolgens in de pakwagen zal worden neergezet, samen met andere hinderlijke colli of bederfelijke waar.
Nachtwerk
Ik bevind mij in de factagedienst te Brussel-Zuid en de poliep is dit toestel met loopbanden waarop een bediende de colli neerzet die een kringloop volgen en voor drie sorteerders defileren; ze worden door die handige mannen gegrepen en op een van de twaalf armen met loopband gezet die met twaalf groepen van bestemmingen overeenstemmen. Deze mannen zijn lader A.
Aan het uiteinde van elke arm zal een lader B de colli van de band nemen en ze per sector in vakken plaatsen waar de ladersbaas ze zal nazien.
– Al die mannen hebben een gedegen vakkennis, verklaart de eerste factagechef die me op mijn rondgang begeleidt, en dit is volstrekt noodzakelijk want ze sorteren niet volgens de naam van de lokaliteit die op het collo voorkomt, maar wel volgens telegrafische afkortingen die er bij de aankomst in het station worden op aangebracht; ze moeten die dus perfect kennen om de colli te verdelen die hier worden aangevoerd door de uit de provincie komende treinen, de auto’s van de afhaling ten huize evenals door de afzenders zelf.
Achttienduizend colli in drie uur
– Wat doen die mensen daar, vraag ik, terwijl ik voor een vrachtwagen sta die gelost wordt.
Vanuit de vrachtwagen werpt een man de colli naar zijn collega die hun volgnummer afroept en ze vervolgens op de bevoorradingsband van de poliep neerzet; een schrijver noteert al die volgnummers.
– Dat is voor ons een zeer nuttige controle. In geval van verlies of diefstal kunnen we onmiddellijk uitmaken of de pakken hier zijn toegekomen.
– Doen deze bedienden dit werk dag in dag uit?
– Jawel. Er is altijd werk in overvloed, vooral op donderdag en vrijdag, want talrijke handelaars en industriëlen doen hun verzendingen op het einde van de week. Normaal verwerkt de factagedienst achttienduizend colli en meer tussen zes uur en half tien ’s avonds. En sommige dagen bereiken we zelfs topprestaties van zesentwintigduizend colli.
– En hoeveel bedienden zijn er om die in te schrijven?
– Drie.
Wat ’n snelheid! Ongetwijfeld komt dit door de gewoonte. De drie laders bevoorraden de poliep dan ook met een verrassende vaardigheid. Hoe hebben ze die vakbekwaamheid verworven?
Bron: Het Spoor, mei 1963
Rixke Rail’s Archives
