Homepagina > Het Spoor > Over ... en ... > Over dal en spoor > In het Zonienwoud
In het Zonienwoud
R. Gillard.
vrijdag 24 februari 2023, door
Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]
Eertijds, zo luidt de legende, was er in dit land een groot woud dat door een trage en moerassige rivier doorkruist werd. Zijn bewoners noemden de rivier Sonia, wat Zon betekent, naar de naam van een god die zij aanbaden. De bossen heetten zij Sonia Sylva, het Zonnewoud. Nadien kwamen andere mensen er zich vestigen die een andere taal spraken: de waterloop kreeg de naam van Saina, vervolgens Zenne; het woud werd achtereenvolgens, Sungia, Sogna, Sonie en Soniënbosch geheten. Zijn huidige naam is evenwel minder stroef, er ligt iets zangerigs en zonnigs in zijn klank; het is een soort van adelbrief die het rangschikt onder de grote Europese wouden. En toch is dit maar een magere schadeloosstelling voor de duizenden hectaren die het in de loop der eeuwen heeft moeten prijsgeven.
Want het verrukkelijke Zoniën, dat thans de trots van Brussel uitmaakt, was destijds een onmetelijk rijk. Het woud zelf maakte deel uit van het uitgestrekte Kolenwoud dat zich tussen Samber en Schelde uitstrekte, en liep ineen met talrijke andere wouden waarvan het nu gescheiden is. Volgens de eerste Brabantse oorkonden behoorden het Oude Loobosch, nabij Zaventem, de bossen van Halle, Dworp en Lembeek en dat van Apecheau, aan de poorten van Kasteelbrakel, tot de percelen van het Zoniënwoud. Ten tijde van Karel V was het domein reeds erg versnipperd en was zijn uitgestrektheid gedaald tot twaalfduizend hectare. Van 1827 tot 1836 werden opnieuw belangrijke delen ontgonnen of in lusthoven herschapen.
In 1842 oordeelde de Belgische Staat dat de verwoesting nu al lang genoeg geduurd had; hij kocht het woud en liet het aldus tot staatsdomein uitroepen. Dit was een wijze beslissing en elke rechtgeaarde mens beschouwt het als een weldaad dat de openbare instanties voortaan paal en perk stellen aan de verdere aftakeling van die prachtige groene gordel. België mag terecht trots zijn op de laatste overlevende van het Sylva Carbonaria, voornamelijk Brussel mag zich beroemen op dit reusachtige vergaarbekken van lucht en gezondheid.
Het Zoniënwoud, dat zich ten zuidoosten van de hoofdstad uitstrekt, heeft een oppervlakte van 4.302 hectare. Zijn grootste lengte, die loopt van het noordoosten naar het zuidwesten, van het Park van Tervuren naar de velden van Waterloo, bedraagt vijftien kilometer, en zijn kleinste breedte langs de dreef van Willerieken bedraagt 2,6 km. Het woud is zeer heuvelachtig, de hoogte schommelt tussen 75 meter aan het Rode Klooster en 128 meter aan de Ticton. Hydrografisch gezien is het afhankelijk van de valleien van de Zenne en van de Dijle: de scheidingslijn van beide stroombekkens snijdt het doormidden. Tot in het begin van de negentiende eeuw waren er tal van beekjes, omzoomd door vijvers en moerassen, die in het bos ontsprongen. Ingevolge werken die werden uitgevoerd om het water van het Zoniënwoud op te vangen, droogden vele uit, terwijl andere werden omgelegd. Zo komt het dat de beken die thans nog bestaan aan de rand van het woud ontspringen. De meeste moerassen nu werden drooggemaakt. Alleen de vijvers bleven bestaan: getuigen daarvan zijn de prachtige vijvers van Bosvoorde, Groenendaal en Tervuren, waar de grootsteedse bewoners het hele jaar rond een weldoende ontspanning vinden.
Deze prachtige plantentuin, met zijn rag van spoorbanen en macadamwegen, welke thans met de tederste zorgen en een innige gehechtheid bejegend wordt, zag er niet altijd zo bevallig uit. Nog niet zo lang geleden was het een onherbergzaam en somber woud waar hier en daar erbarmelijke wegen liepen die een ware nachtmerrie betekenden voor de voerlui. Zelfs de geplaveide dreven zijn meestal van recente datum en dit kan wel enigszins zonderling lijken voor een woud waar de handelaars over geen enkele noemenswaardige bevaarbare waterweg beschikten om het gekapte hout af te voeren. Deze laatsten hadden derhalve alle moeite van de wereld om de openbare wegen te bereiken, tot eindelijk het spoor er zijn intrede deed. Het drong door tot in het hart zelf van het woud en begiftigde dit met een snel en doeltreffend verkeersmiddel, wat meteen, voor Bosvoorde en Groenendaal, het begin inluidde van een welvarende bosontginning.
Ook voor de reiziger uit vroegere tijden was het Zoniënwoud een oord van verschrikking! Gedurende duizend jaar was het een schuilplaats voor schurken van het zuiverste allooi. Dit gebroed was zo talrijk dat de gevangenissen van de Hallepoort, te Brussel, en van het kasteel, te Vilvoorde, overbevolkt raakten door de schooiers uit het Zoniënwoud, en er nieuwe „tehuizen” moesten worden opgetrokken. Naar verluid was dit grimmige oord zelfs voor de doden niet veilig! Zo was er in de XVIIe eeuw een jachtmeester die, tegen alle verwachtingen in, de wens had uitgedrukt onder de bladeren van het Zoniënwoud te worden begraven. Zijn naastbestaanden hoedden zich er wel voor zijn laatste wilsbeschikking uit te voeren: zij vreesden de dieven en de honden, „d’een om ’t vleesch, d’ander om ’t vel”. Onze jachtmeester werd dus goed en wel in zijn dorp Voeren ter aarde besteld. Op zijn grafsteen kon men lezen,
Laet Jef de Vos daer liggen:
Hij light daer wel.
Gedurende heel de duur van het „Ancien Régime” vormde het grondgebied van het Zoniënwoud een soort van heerlijkheid die door de regerende kroon bestuurd werd. Nooit hebben de hertogen de edellieden het recht toegestaan hun penaten binnen de grenzen van het domein op te slaan. Er bleef de aristocraten en de burgers derhalve geen andere keuze dan zich aan de zoom van het woud te vestigen. Zo ontstond rond de heesters een snoer van luchtige en bekoorlijke gebouwen. Van Tervuren tot Argenteuil, van Rixensart tot Ukkel, volgen herenhuizen, ridderhofsteden, kastelen en kasteelhoeven elkaar op als zovele heerlijke en bouwkunstige getuigen uit het glorierijke verleden van het Zoniënwoud, waarnaar de voorbijganger immer met een bewonderend oog kijkt. De dorpers, van hun kant, hadden sedert het einde van de XVIe eeuw toelating gekregen om hun hutten te bouwen langs de Walsche Weg, de grote weg van Brussel naar Frankrijk die, nadat hij in de XVIIe eeuw geplaveid werd, de latere Waterloosesteenweg zou worden, en ook langs de Terhulpsesteenweg. Deze verspreide woningen werden de bakermat van de gehuchten en dorpen die wij thans kennen.
Daar waar de ridderwoningen geen toegang kregen tot het rijk van Diane, werden de kloosters er, integendeel, zeer goed onthaald. De eerste verrezen na de Kruistochten; drie eeuwen later telde het Zoniënwoud er veertien. Sommige zijn aan de tand des tijds ontsnapt: Hertoginnendal, Rode Klooster en, verder, de abdij van Groenendaal die haar luister dankte aan Jan van Ruusbroec, de Wonderbare.
In de schaduw van die gewijde gebouwen leefde geruime tijd een zonderling volkje: de kluizenaars. Niet allen waren devote apostelen: de annalen van de gevangenis van de Hallepoort leggen hiervan getuigenis af. De laatste en ongetwijfeld ook de meest omstreden was een zekere Gerieke Moeff. In het begin van de XIXe eeuw, zo vertelt Sander Pierron, hield hij zich schuil in een soort van grot die hij aan de rand van het Bos, nabij het gehucht IJzer, gegraven had. Ofschoon ongeletterd en misvormd, was deze kluizenaar niettemin een guitige kerel. Met planten en bloemen had hij een drankje bereid dat, volgens zijn zeggen, een onfeilbaar middel was tegen alle mogelijke kwalen en dat hij, tegen een redelijk aantal bronzen of zilveren geldstukken, aan de boeren uit de omgeving verkocht. Ter gelegenheid van de kermissen in de streek leurde hij op de dorpspleinen met zijn wonderdoend geneesmiddel. Tegen de avond keerde hij, met een stevig stuk in de kraag, een gespannen buikje en een goed gevulde gordelzak, naar zijn krocht terug. Deze zonderlinge woudbewoner overleed in 1838, op vijfenzestig jarige leeftijd, nadat hij een hele fles van zijn brouwsel had verzwolgen. Hij werd op luisterrijke wijze ten grave gedragen. De inwoners van IJser hebben zelfs een wijle het voornemen gekoesterd zijn nagedachtenis door een monument te vereeuwigen. Wellicht heeft men geoordeeld dat de verdiensten van Gerieke Moeff een dergelijk eerbetoon niet rechtvaardigden want het plan werd nooit uitgevoerd.
Het Zoniënwoud overstelpt zijn gast met wisselende taferelen en steeds nieuwe verrassingen! Wie er geweest is tijdens een zwoele julimaand zal zijn pracht nooit vergeten; wie zich tot in zijn verborgenste hoekjes waagde, zal een zoete herinnering bewaren aan zijn innemende charme. Het is een woud vol leven en verscheidenheid! Hier tiert het kreupelhout onder het rijzige boshout: dat is het rijk van de hazelaar. Daar tronen lorken en dennen. Elders, zoals de veelkleurige pilaren van een vreemdsoortige kathedraal, wordt het een bonte mengeling van eiken en beuken, alsmede enkele zeldzame esdoren en elzen.
Bekoorlijke, met gras en mos omrande paadjes, lopen langs struikgewas en hakhout, huppelen over berg en dal, zoeken hun weg door de open plekken in het bos, kruisen grote wegen en spoorlijnen en groeten, op hun doortocht, de rijkelijk met bloemen versierde Brabantse stations.
Graafdreef, Koninginvoetweg, Mezendreef, Meidekensweg, zo luiden de namen van die romantische boswegen welke tot in het diepste van het Sonia Sylva doordringen. Zij weten waar het daslook en de Salomonszegel groeien, waar frambozen en bosbessen rijpen. Zij kennen de geschiedenis van Jezus-Eik, van Willerieken en van de Vijvers van de Kinderen Verdronken. Langs de Rozendelle zullen zij u voeren naar de aloude Linde van Ruusbroec en langs de Groote-Flosschendelle tot aan de Keizersfonteinen. Varens en struikheiden, beuken- en dennenbossen begeleiden hen op hun tocht naar Sint-Hubertus, in de kapel van Tervuren, en Zuster Gilde, in de lanen van Ter Kameren. Ver van het geraas der steden, van het geluid, ver van de machines, ver van deze eeuw, zoeken de dreven de stilte op van de grote bomen, de vrede van het woud.
Bron: Het Spoor, juni 1963
Rixke Rail’s Archives