Homepagina > Het Spoor > Over ... en ... > Over berg en spoor > Paspoort voor de Gaume
Paspoort voor de Gaume
R. Gillard.
zaterdag 22 april 2023, door
Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]
U kunt haar het „Goede Land” of „Laag-Luxemburg” noemen, u kunt haar begroeten als het „Belgische Provence” of het „Kleine Provence”, maar, in ’s hemels naam, verwar ze niet met het land van Aarlen, en nog minder – O onvergeeflijke blunder! – met de Ardennen. Zij heeft haar eigen karakter, een eigen persoonlijkheid, een eigen leven. Zoals elke rechtgeaarde streek stoort ze zich niet aan politieke grenzen. Zij is, weliswaar, Belgisch, maar op de eerste plaats Lorreins. Haar vaderland is dat van Jeanne d’Arc. Men noemt ze de Gaume.
Land van bekoorlijke golvingen, weelderige graslanden, sierlijke bosjes, kommerloze akkers waar tarwe en wingerd ongedwongen naast elkaar groeien, waarlijk, hoe anders is het hier dan in het verweerde, stenige en wilde Arduenna Sylva! Ik zou er met genoegen mijn kasteel bouwen, zuchtte Willem van der Marck. Met een nog groter genoegen had hij de Gaume, met have en goed, bij zijn prinsdom ingelijfd. Maar wie zou het hem eigenlijk kwalijk hebben genomen? Deze Ardenner had goede smaak. De bewoners van de Gaumestreek aarden, trouwens, naar hun bodem. Die Van Boven, met name de Ardenners, zullen zij u vertellen, zijn zwijgers, lui waarvan men niet weet wat zij in hun diepste binnenste verbergen; die van Aarlen zijn opscheppers, maar zij bezitten geen greintje humor; wij, daarentegen, spreken luid, vlug, gemakkelijk, gul. Wij zijn babbelaars, akkoord, maar dan babbelaars die boordevol geestigheid steken. Het moet u dan ook niet verwonderen dat die grapjassen de bijnaam van „Zuiderlingen van het Noorden” kregen.
De Gaume is niet zeer uitgestrekt: nauwelijks 800 km². Het Ardense woud, van Muno tot Attert, vormt haar noordelijke grens en het kleine land van Aarlen ontroofde haar, in het oosten, de duitstalige mergelstreek. In het zuiden, ten slotte, aan gene zijde van de Franse grens, wordt zij opgenomen in Lotharingen.
Hoewel erg klein, bezit zij niettemin heel wat mooie bezienswaardigheden! Voelt u iets voor een kleine ontdekkingsreis? Een motortrein, die in het Ardense Libramont de exprestrein uit Brussel opwacht, brengt ons naar het hart van de Gaume. Zo belanden wij in Virton, de „hoofdstad”, die, als het ware, omgord is met een snoer van rustige en kleurige dorpjes. Witgekalkte muren, groene luiken, pannendaken, wasplaatsen en taterende vrouwen; het is een land van licht en vreugde.
Kent gij Torgny? Het gaat er prat op de meest zuidelijke gemeente van België te zijn. De Chiers kabbelt liefkozend door zijn wijngaarden. Het klimaat is er zacht en mild, een zuiders dorp, beweerden sommige dichters. Wie zegde daar weer dat de krekel er niet meer zong? Het is een publiek geheim dat Torgny trots is op „zijn” krekel.
De onverstoorbare autobus, die ons Van Virton naar Torgny had gebracht, vat nu de terugreis naar het noorden aan. Hij reed door Lamorteau, een andere grensgemeente, destijds bekend om haar rampspoedige overstromingen van de Ton, en brengt ons in Harnoncourt. Hier stichtte de vijand brand. In juni 1768 legde het vuur de veertig huizen van deze lokaliteit in as. Zes weken lang spijsden de monniken van Orval mensen en dieren, waarna zij de geteisterden het nodige hout bezorgden om hun woningen weder op te bouwen. Harnoncourt strekt zich uit aan de rand van een diepe vallei, waarvan de oostkant beheerst wordt door het wildrijke bos van Guéville en de westkant door de Solière – of mont du Soleil – waarop Montquintin gebouwd werd. Op dit dak hadden de Romeinen een uitkijkpost opgericht. Later verrees er een kasteel waarvan de oorsprong gehuld is in de nevel der tijden. Indrukwekkende puinen blijven ervan de enige getuigen. Vanaf dit uitspringend gedeelte reikt het oog, al over Montmédy tot aan het onmetelijk woud van Woëvre.
De grapjasserij van de Gaumebewoners heeft soms wel eens een kluchtig tintje. Denk, bijvoorbeeld, aan Virton dat zijn naam stal van Saint-Mard, want daar toch vloeien de Vir en de Ton samen, en dat het – O toppunt van laatdunkendheid – als een soort aanhorigheid beschouwt. Hoe het ook zij, Saint-Mard bezit in elk geval zijn eigen adelbrieven. Dit volkrijke arbeidersdorp, dat zich langs de spoorlijn van Virton naar Athus uitstrekt, bewaart, naast andere neolitische herinneringen, drie rotsen van kiezelachtig kwartsiet die voor het slijpen van vuurstenen werktuigen worden gebruikt. De geleerden noemden ze polijststaalrotsen; de dichters spraken van toverrotsen.
Wij gebruikten daareven het woordje voorstad: zullen wij Latour als dusdanig bestempelen? Een voorstad die, trouwens, ook haar eigen schatten bergt. In zijn kleine kerk bevindt zich een hoofdaltaar waarvan de voet een grote steen is, afkomstig van een heidens altaar, en waar men, aan de ene kant, een omgekeerd beeld ziet van Minerva en aan de andere kant een beeld van Venus. Het mag zich verder beroepen op zijn regiment dragonders, dat kolonel Charles de Baillet, in de XVIIIe eeuw, in dienst van Oostenrijk stelde. Vrij vertaald, luidde het devies van die dappere soldeniers: Wij zijn geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. Laten wij nog vermelden dat, elk jaar, te Latour de vrome lieden toestromen die de vermaarde bedevaart doen ter ere van „Notre-Dame de la Salette”. Voor spoormannen is het wellicht overbodig hier de aandacht te vestigen op zijn herstellingswerkplaatsen voor wagens en locomotieven! Waarlijk, deze voorstad hoeft haar bazige hoofdstad niets te benijden.
Virton, en dat is begrijpelijk, heeft niettemin wat in de pap te brokken. Op de eerste plaats, omdat het de grootste, of beter gezegd de enige stad is uit de Gaumestreek, en omdat het haar hoofdstad is – de hoofdstad van het kleine Provence. Hierop zullen sommigen misschien aanmerken dat Houzeau Virton het Belgische Montpellier noemde. Dit detail is een kleine vergissing! De schuld ervan ligt, overigens, bij Houzeau zelf die waarschijnlijk vergeten was dat Montpellier in Languedoc thuishoort en niet in Provence.
Virton is van Romeinse oorsprong, daarvan getuigen de talrijke overblijfselen die op zijn grondgebied werden gevonden. Het behoorde tot de ambtsheerlijkheid Ivoi [1], alvorens met de toestemming van de graven van Ardenne en Woëvre, bij Chiny te worden gevoegd. Het had de rang van provoostrechtsgebied. Vanaf 1270 verkregen zijn inwoners de rechten en de voordelen van de vermaarde wet van Beaumont. In 1340 kocht Jan de Blinde een deel van het graafschap Chiny. Als gevolg daarvan gingen de bewoners van Virton over naar het rechtsgebied van dit graafschap, het latere hertogdom Luxemburg. Van toen af behoort de stad, met have en goed, tot dit land.
Vandaag is Virton een lieftallig stadje, met bijna 3.500 inwoners, dat zich verheft op zijn kleine ijzer- en houtindustrie. Het is een landbouw- en handelscentrum en is geenszins gespeend van culturele pretenties; in dit opzicht hebben wij ons laten diets maken dat het bereid is de weldaden van zijn cultuur, ja zelfs van zijn bevallige taal aan zijn noorderburen mee te delen. Het is trots op zijn scholen, op zijn classicistische kerk en op zijn klein museum dat bekend is om zijn voor- en vroeg-historische oudheidkunde, zijn streekgeschiedenis, zijn folklore, zijn ijzerwerk.
En indien Virton zijn duit in het zakje mag doen, dan is dit nog eens, en dat moeten wij wel onderstrepen, omdat het geen hoofdstad is als de andere. Niet om zijn kwantiteit, wat trouwens van bijkomstig belang is, maar, en dit is de voornaamste reden, omdat het een hoofdstad met standing is, en hier bedoelen wij een heerlijkheidsstanding. Wellicht wist u dat niet? Luister dan even.
Op 20 december 1612 kocht de stad van een dame uit Gournay een kleine pachthoeve, de „Grange-au-Bois”, met alle servituten, bossen en weidegronden die erbij behoorden. Die „Grange-au-Bois” nu verleende aan de bezitter heerlijkheidsrechten. Ten gevolge van die gemeentelijke aankoop werden alle inwoners van Virton, van klein tot groot, op slag landjonkers. Hij die een paspoort of een getuigschrift aanvroeg, mocht eisen dat men, naast zijn beroep, de titel van „gedeeltelijk heer van de Grange-au-Bois” vermeldde.
Die „Grange-au-Bois” is, daarenboven, in andere opzichten vermaard. Wellicht is het u niet onbekend dat een zekere Tartarin, een verwoed jager, uit Centraal-Afrika, een arbos gigantea, in de volksmond een baobab of apenbroodboom, had meegebracht die hij in zijn tuin te Tarascon had geplant. Maar wat gij waarschijnlijk niet weet, is dat de bewoners van Tarascon bevreesd waren van die boom welke, zo vertelde men hun, weldra de zon zou „verduisteren”, en dat zij de eigenaar bevel gaven er mee op te hoepelen. De arbos gigantea werd dus niet gegeerd in Provence? Goed, dan zou men hem gaan planten in het kleine Provence dat algemeen om zijn gastvrijheid befaamd was. Zo gebeurde het dat Tartarin zijn baby-baobab onder de arm nam en naar de Gaume spoorde. Het station van Virton-Saint-Mard was zopas voltooid; onze held arriveerde er op een zonnige julimiddag. Hij overschreed de Ton, hield halt bij de fontaine de la Bouillonne, trok verder naar de Fosse-aux-Aunes, beklom de helling van de Bonne-Femme, overschouwde geruime tijd, van op de hoogten van het bos van Bampost, de stad die op de trappen van haar amfitheater rustte. Tegen het vallen van de avond bereikte hij eindelijk de Grange-au-Bois. „Wat een geluk”, riep de grote man uit. Zijn gelaat straalde, net als op de roemrijke dagen toen hij op leeuwen jacht toog. Dan ging hij op zoek haar een spade...
Ga naar Virton, u zult het zich niet beklagen, en loop natuurlijk eens aan bij de „Grange-au-Bois”.
Bron: Het Spoor, september 1963
[1] Thans Carignan in het Franse departement Ardennes.
Rixke Rail’s Archives