Homepagina > Het Spoor > Over ... en ... > Over berg en spoor > De bevallige Naamse Maas

De bevallige Naamse Maas

R. Gillard.

donderdag 24 augustus 2023, door Rixke

Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]

„Nooit had ik kunnen vermoeden dat men op onze aardbodem een zo heerlijk schouwspel kon tot stand brengen!”, riep in 1818 de Engelse schilder Arnald uit, en met die woorden zette hij de kroon op een wandeling van zes mijlen die hem, in een koets bespannen met twee paarden, van Dinant naar Namen voerde. Andere tijden, andere charmes. Een stoomtrein, een der laatste uit de spoorweggeschiedenis, nodigt ons thans uit tot het weergaloze avontuur. Een uur vol dromen en bevalligheid; een sprong in een toverwereld...

Van Dinant naar Namen volgt het spoor gedwee de oevers van de Maas, en de heerlijke beelden die ze ons schenkt, terwijl de toverachtige kilometers langzaam voorbijschuiven, behoren tot de bekoorlijkste die ons landje bezit. Hier is Poilvache, het voornaamste fort dat door de Middeleeuwen op de stroom gebouwd werd. Het stond op anderhalve mijl van Dinant, op de top van de steile rotswand van de rechteroever waar thans het dorp Houx ligt; bijgestaan door inwoners uit Hoei en dertigduizend Luikenaars, verwoestten de Dinantezen het in 1430, en Hendrik II bracht het in 1554 de genadeslag toe. Volgens de legende zouden De Vier Heemskinderen te Poilvache gewoond hebben. Het was in de tijd dat dit eilandje het kasteel van Emeraude werd genoemd, de tijd van de bloeiperiode van een andere vervallen grootheid, met name Géronsart, waarvan nog slechts een bouwvallig gedeelte, de toren van Géronsart, overblijft.

Op een boogscheut van Poilvache ligt Anhée, destijds afhankelijk van het baljuwschap Bouvignes, dat thans zijn verschrikkelijke verwondingen van 1940 geheeld heeft. Het is een van de geliefkoosde pleisterplaatsen voor kampeerders geworden. Daar mondt de bevallige Molignée uit in de Maas.

Zul je de bekoring van Yvoir ondergaan ? Als gezocht vakantieoord, is hel dorp trots op zijn strand, op zijn rotsen van Fidevoye en Venatte en, vanzelfsprekend, op de Bocq, een zijrivier van de rechteroever die, jammer genoeg, heel wat van haar schilderachtigheid heeft ingeboet sedert zij werd herschapen in een reusachtige waterreservoir voor verre stedelingen. Enkele passen verder, op de linkeroever, tegenover de rots van Faulx, verheft zich het gehucht Hun. In deze aloude heerlijkheid werd een Frankische begraafplaats blootgelegd alsmede belangwekkende Gallo-romeinse overblijfselen.

Een fluittoon... het lieflijke avontuur wordt voortgezet. De trein ontdekt de roche aux Corneilles, een steile rotswand van kalksteen, en komt vervolgens in een verrukkelijke open plek in het bos. Aan de rand ervan, tegenover Godinne, doemt Annevoie-Rouillon op. Op die plaats staat het vermaarde kasteel van Annevoie, gebouwd van 1758 tot 1775 door Charles-Alexis de Montpellier op de plaats waar vroeger een ridder hofstede stond, waarvan nog indrukwekkende overblijfselen aanwezig zijn. Gebouwd in een idyllische omgeving, bezit het domein nog steeds prachtige tuinen die ten tijde van zijn oprichting werden aangelegd. ’s Avonds, tijdens het toeristisch seizoen, zet een prachtige verlichting dit kleine Versailles nog meer glans bij.

Op het gebied van schilderachtigheid moet Godinne in niets onderdoen voor zijn bekoorlijke buren. Als oude hoofdplaats van een leengoed dat de dorpen Mont en Rivière omvatte, bewaart het uit zijn verleden een kerk van de XVIe eeuw en een kasteelhoeve. Ten noorden van het dorp kan de wandelaar de enig mooie rotsen van Chauvaux bekijken, een woeste uitwas die met ravijnen doorsneden is. In een van die rotsen, op achttien meter boven het waterpeil van de Maas, is er een kleine spelonk, de grot van Chauvaux. Dit natuurlijk vestingwerk, waar beenderen van mensen en dieren werden teruggevonden, schijnt de begraafplaats te zijn geweest van een neolitische stam die op de top van de heuvel woonde, daar waar het dorp Mont zich heeft vastgeklampt. Rivière, ontvangt het water van de Burnot.

Schilderij van E. Radart.

Met deze nieuwe aanwinst stroomt de rivier verder naar Profondeville. Voorheen een belangrijke civitas, thans de Belgische hoofdstad van de waterskisport, strekt Profunda villa zich uit op de linkeroever, aan de voet van een zacht glooiend bergje. Daar tegenover, op de rechteroever, verrijzen de ruige rotsen van Frène. Als een reusachtig spoor duiken ze loodrecht in de Maas; ze zijn met talrijke spelonken versierd, waaronder de bijzonder mooie salle du Dôme, ook nog grande église genoemd omdat haar vorm een kerkkoor gelijkt. Die grot is voor de gewijde iconologie zeker geen onbekende. Omstreeks 650 werd een Schotse zendeling, de heilige Feuillien, vermoord in het woud van Marlagne. Zijn lijk werd naar Fosse gedragen, verblijfplaats van de predikant. Op dat ogenblik daagden de Barbaren op. Daar de gelovigen het kostbare lichaam absoluut wilden redden, aldus de legende, kozen ze de grande église uit om het te verbergen. Het zou er meer dan een eeuw verbleven hebben, waarna het, eenmaal dat de storm goed en wel geluwd was, in triomf naar de stad Fosse teruggebracht werd.

Die tocht naar de rotsen van Frêne bracht ons op het grondgebied van Lustin. Het oude dorp dat destijds een versterkt Romeins kamp was, heeft zich neergehurkt tegen de helling, op ongeveer honderdvijftig meter boven de. Maas, terwijl het nieuwe Lustin dat aan de gehuchten Frêne en Tailfer grenst, zich knusjes langs de rivier heeft neergezet. Dit hoekje van de Maas verbergt een fraaie bezienswaardigheid: de holte van Aquin, een diepte, versperd door ineengestorte rotsstenen, die toegang geeft tot uitgestrekte onderaardse zalen. Deze vermaarde uitholling is bereikbaar langs een woest klein dal, de „fond d’Hestroy” dat nabij het station Lustin uitkomt.

En nu een woordje over Tailfer. Dit noordelijk stuk van Lustin gaat prat op zijn Rots, zijn beek die van Courrière komt, en zijn mooi kasteel van Clairefontaine. Laten wij ook zijn kleine industrieën niet vergeten, want dit gehucht beschouwt zich graag als de industriële voorstad van Lustin! In 1870 werden aldaar de overblijfselen ontdekt van een smeltoven dagtekenend uit de laatste tijden vóór de Christelijke jaartelling. Dit deel van de Maas en deze Tussen-Samber-en-Maasstreek, waar langs wij sedert Dinant rijden, worden trouwens als de industriële bakermat van de maasoevers beschouwd. Op het gebied van de ijzerbewerking was Tussen-Samber-en-Maas ten tijde van de Romeinen immers het voornaamste centrum van het hele rijk.

Traag en majestatisch stroomt de Maas thans langs de zoom van de aloude Marlagnestreek. De bergen wijken; wij bereiken de kom van Namen. Hier is Dave, zijn notebomen, zijn eilandje, zijn schrikwekkende ridderhofstede waarvan op de top van een bergkam een deerniswaardig torentje overblijft, en zijn modern kasteel dat door een park van vijfhonderd hectare omgeven is. De trein groet de trotse rotsen van Néviau; hij rijdt Wépion binnen.

Is het wel nodig de lof te zingen van de aardbeien van Wépion ? Geen andere aardbei smaakt zo heerlijk; dichters hebben haar bezongen en koningen hebben haar geprezen. De even vermaarde als lekkere en sappige variëteiten zijn dank zij het feest van de Aardbeien, dat de derde zondag van juni gehouden wordt, in de folklore getreden. Neen, dat goddelijk geschenk van de Maas behoeft geen krans meer. Laten wij het daarom liever hebben over een minder gekend bezit van Wépion, laten wij even uitwijden over het kasteel van Marlagne. Maar laten wij vooraf spreken over de Marlagne, de intricata sylva.

Duizenden jaren geleden was Marlagne een uitgestrekt woud dat het noordoosten van Tussen-Samber-en-Maas besloeg, van de oevers van de beneden-Samber tot de omstreken van Philippeville. Aanvankelijk diende het als toevluchtsoord voor de volksstammen die door Cesar werden nagezeten, vervolgens werd het een schuiloord voor struikrovers en ten slotte een verblijfplaats voor vrome kluizenaars. Het was in 1615 dat de ongeschoeide Karmelieten zich er kwamen vestigen op een stuk grond dat zij ten geschenke gekregen hadden van Albrecht en Isabella. Zij stichtten er een abdij, omringd met prachtige tuinen versierd met vijvers.

In 1692, tijdens het beleg van Namen, zou Lodewijk XIV er eens overnacht hebben. Het domein zou, helaas, niet aan de Franse revolutie ontsnappen. Slechts een kapel en enkele bijgebouwen bleven gespaard. Daar, op die puinen, verrees het huidige kasteel van Marlagne. Van het aloude woud dat in de loop der eeuwen versnipperd werd, blijven nog slechts verspreide lappen over. Zo zijn daar nog Haute-Marlagne, ten noorden van Lesve en het mooie bos van la Vequée, aan de samenvloeiing van Maas en Samber.

De Maas is een rivier met een dromerige bedaardheid, over haar oevers hangt de geur van hete bladeren en over die bladeren waait een fluisterend briesje. En terwijl het treintje verder slentert en slingert, turen tientallen ogen strak door zijn vensters. Het rijdt langs licht getinte boomgaarden, langs tuinen en aardbeivelden, onder de lieflijke Naamse hemel. Het ontdekt het motel van Wépion, schuift rakelings naast de heuvel van Champeau, groet de citadel, trekt door Jambes, oversteekt de pont des Ardennes en stoomt Namen binnen. Luxetreinen kruisen het of laten het achter zich.

Schilderij van E. Radart.

Naamborden als Paris, Köln, Roma, Berlin, München snellen als schichten voorbij. Gehaaste treinen, gehaaste mensen, zonderlinge mensen, denkt het treintje bij zichzelf. „Kijk, zo vertrouwde het me op zekere dag toe, zie je die dikkerd daar op het perron, omringd door al zijn valiezen ? Hij is van Namen. Ieder jaar gaat mijnheer zijn vakantie doorbrengen op Sicilië maar, op mijn woord, nog nooit heeft hij een reiskaartje voor Lustin genomen. Zou je niet zeggen dat ik niet eens besta en dat er geen Maas is en ook geen Lustin. Zonderlinge mensen, zonderlinge tijd, beklagenswaardig heertje...”


Bron: Het Spoor, augustus 1964