Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > De Drempeltrein (IV)

De Drempeltrein (IV)

Ria Scarphout.

zondag 26 mei 2024, door Rixke

Philippe opende de ietwat scheve lippen, die lang en dun uitliepen naar zijn onooglijke schelpjes van oren. En toen begon Marguerite te zingen. We luisterden naar het lied dat ons vreemd opjoeg. Ze zong met warme stem:

– Malbourough s’en va-t-en guerre, mironton, mironton, mirontaine, Malbourough s’en va-t-en guerre...

Met uitzondering van de kleine Hugo en de grote Daquin waren we opgestaan en dansten en sprongen we zo goed en zo kwaad als het ging, op het ritme van het lied. We haalden heel de coupé overhoop. We buitelden en tuimelden door en over elkaar. We krijsten onze nog wat schorre keel van de vorige avond helemaal schor.

De hese stem van Marguerite joeg ons op. Ik trok mijn schoenen uit en danste tussen de twee banken.

Didier rolde heen en weer in de coupé. Solange klapte onstuimig in de handen. Jean en Philippe begonnen een soort van lijf aan lijf gevecht, schreeuwende:

– Le maquis ! Le maquis !

De trein reed onverstoorbaar zijn slakkegangetje. Naar waar we reden had geen belang meer. Het Comité kon ons gestolen worden. Aan het luilekkerland geloofden we toch niet. Dus tuimelden we maar voort door elkaar. Het etiket op mijn borst deerde me niet meer. Ik was vrijgevochten. Honger of geen honger. Ik werd wild, met de anderen mee. Het ritme van de trein hitste op. De wind door het open raam hitste op. De stekende zon hitste op. Als dolle duivels braken we de coupé af. Zelfs de kleine Hugo deed mee. Hij stond rechtop een eindje van Daquin af, zwaaiend met beide armen, het geluid nabootsend van aanvallende vliegtuigen.

– Boem, boemboem, boemdereboem. Taktaktaktak, boemboem, kssj, zie-ied.

Marguerite keelde voort uit volle borst:

– Malbourough s’en va-t-en guerre, mironton mironton mirontaine...

En we herhaalden in koor:

– Mironton mironton mirontaine!

– Genoeg! blafte Daquin.

Hij stond met opgeheven hand, de blauwe armband bloot en afschuwelijk getrokken om de pols. De ingevallen huid rondom de halsband een gloeiende streep. We bleven pal staan, ieder in een afgebroken beweging. Vanuit mijn ooghoeken zag ik de vreemdste gestalten in de coupé. Hugo hield zich aan een bank vast. Marguerite stond met wijdopen benen om steun te hebben boven op de bank en Solange lag in het net. Hoe dat nou kan, dacht ik nog. Daquin dreef als een walvis, briesend en snuivend door zijn neusgaten, door de coupé. Onder de twee banken lagen Jean en Didier. Philippe had zijn armen om mijn middel geslagen en leunde tegen het open venster. Ik stond het dichtst bij Daquin en wachtte dus af. Zijn ogen schenen groen aan te lopen, maar het was wellicht het vuur van mijn fantasie dat me parten speelde.

De trein schokte over wissels. We reden een verlaten station voorbij. De deuren waren zwarte borden die slecht af gesponsd waren, want overal stonden lijnen en letters opgekrast. Nergens kon ik een bord met de naam van het dorp vinden. En toen voelde ik ineens hoe moe, vuil en smerig ik was. Het stof plakte in het zweet van mijn lichaam. De coupé stonk naar verzuurde lichamelijke uitwasemingen. Maar in het ritme van de wielen hoorde ik nog het lied:

– Mironton, mironton, mirontaine.

Ik vergat Daquin en de trein en prevelde de cadans van de wielen mee. Dan ging ik over naar:

– Pomme de terre, pomme de terre.

Philippe’s greep was zacht om mijn middel. Ik zat net tegen mijn moeder aan en reed met haar, met grootmoeder en het achterlijke broertje in het bergtreintje dat traag tuffend door de augustusmiddag sukkelde. Het enige reisje dat ik ooit deed. Wat zei mijn vader toen ook weer?

– Vijf kilometer ver, Jeanine. En hoeveel deed ik er nu reeds?

– Pomme de terre, pomme de terre, begon mijn grootmoeder mee op het ritme van het treintje te zingen omdat mijn broertje zo lastig werd.

En vóór we het wisten zongen moeder en ik mee. Broertje drensde niet langer en lachte idioot, idioot als... Daquin die voor me was komen staan.

Met een schok viel de trein stil. We luisterden gespannen. De hitte zoemde om ons en een verloren bij zoemde met haar mee. De hitte ronkte daarna en vloog met de bij mee van de ene naar de andere wand van de coupé. Het insekt vloog rakelings aan ons voorbij, maar niemand bewoog. We luisterden naar de wegende warmte van trein en landschap en van ons eigen ik. We hebben heel lang zo gestaan. Ook in de andere coupes moest een zelfde verlamming over de kinderen geschoven zijn. Want alles zweeg rondom ons. De zon stak fel. De handen van Philippe lagen broeierig warm om mijn middel. Ik lag bijna helemaal op hem geleund zo eindeloos moe voelde ik me. En toen stak Daquin zijn hoofd door het gebroken raam en keek langs de trein. We gleden apatisch uit elkaar en zochten ieder een plaats op de bank. Solange kroop uit het net, geholpen door Jean en Didier. Haar voeten, bruin, vuil en bezweet, met vieze, zwarte teennagels, schoven langs mijn mond. Ik braakte bijna. Daquin bleef uit het raam hangen.

– In Marseille is de lucht open en fris, begon Didier treurig met zijn zangerige stem.

– Maar niet in de krotwoningen, gromde plotseling Daquin vanuit zijn venster.

Hij trok het hoofd binnen en zei:

– Ik zeg jullie nu eens en voorgoed dat je moet ophouden met dat zeuren. We zijn op weg naar een goed land. De spoorwegen helpen ons, vergeet dat niet. Onze papa’s en mama’s hebben afgesproken met onze nieuwe vaders en moeders.

– Ik wil geen vader en moeder, griende Solange. Ik wil mijn papa, mijn eigen papa.

– Die je geen eten geven kan, snauwde Daquin.

– Toch wel, huilde Solange.

– Nietwaar, schreeuwde Daquin en schopte Solange dat ze het uitgilde van pijn.

– De oorlog is voorbij! schreeuwde ze nog na.

– Daarom worden wij nu geholpen. We gaan naar een goed verblijf. En daarna keren we naar ons land terug.

Meteen gaf de trein een schok en reed verder. En toen zei Daquin:

– Ik wil geen peuters onder mijn gezag. Ik ben de oudste en ben dus verantwoordelijk voor jullie. Ik geloof in het goede doel van deze reis. Wat weten jullie van sociale werken en diensten af. We moeten leren leven, daar komt het op aan. Wat weten jullie van de inspanningen die de spoorwegen hebben gedaan en nog doen voor ons. Denken jullie dat deze trein zo maar rijdt? Ter wille van jullie? Ach kom, doe niet zo dwaas. Dat is een lang vooraf uitgestippeld plan waar veel geld bij te pas komt en vooral veel liefde. België ontvangt ons. De Belgische spoorwegen ontvangen ons, vergeet dat niet. Dat deze trein geen bed is, weten we ook. Maar het is de eerste naoorlogse trein. En bovendien sliepen we thuis ook niet in een bed. Ik herhaal het, we zijn geen kinderen meer, maar grote mensen, hoe jong we ook zijn. Deze trein is de trein van de menselijkheid.

Zolang had Daquin nooit gesproken. Ik waande me terug in de Gare du Nord, waar men ons toesprak vooraleer we vertrokken. We zaten er pal van en keken star naar Daquin. Hij wreef over de blauwe armband van zijn pols. De luizen en vlooien gaven ons nijdige prikjes.

– Ik wil niet verder!

Wie had het geroepen? Was ik het geweest? Of Solange? Of Marguerite? Of de kleine Hugo? De kleine, zwijgzame Hugo? Meteen snikten we allemaal en Daquin stond op, hief het hoofd op en keek traag en oplettend naar de wit-blauwe voorbij schuivende wolken. We zagen zijn rug: donker en uitdagend. Geweldig breed. Hij scheen nog te groeien, wijl hij daar zo stond. En plots vocht men. Was het Didier of Jean of Philippe die begonnen was? Gedrieën hingen ze aan Daquin en sleurden hem langs een bank. Ze probeerden hem te vloeren. Solange en Marguerite waren gillend in elkaars armen gevlogen. Hugo stond stijf op de plaats vanwaar de drie Daquin hadden weggehaald. Ik stond te hijgen tegen de deur, verlamd en dwaas. De geur van lauw bloed verspreidde zich in de coupé. Meteen wiekte Daquin me voorbij en stond naast Hugo. Het eerst vloog Philippe op hem af, maar met een felle trap van Daquins ene schoen vloog hij terug en kwakte tegen de andere wand van de coupé. Jean brieste als een steigerend paard, vloog op Daquin af, maar botste met volle geweld tegen de hoek van het net. Hij viel achterover tussen de banken.

We durfden nauwelijks ademen. Daquin zat schier onverschillig met de slip van zijn hemd, dat gedeeltelijk uit het raam hing, het bloed van armen en benen te vegen. Philippe lag kermend in een hoek en Didier trachtte zijn bloedende neus te stelpen.

De trein kroop door het landschap. De wagen schommelde ons, ook de bewustloze Jean.

– Is hij dood? vroeg Marguerite bevend en met hese stem.

– Bek dicht, beval Daquin.

De koppeling van onze wagen bonkte weer tegen de vorige wagen. Hugo had visioenen in zijn ogen. Ik zag ze: groene hagedissen met gouden sperwers, dolle schimmen met blinkende messen.

Daquin wreef nog over zijn blauwe armband, schrobde zijn knieën en zijn enkels met zijn zware hand, graaide over zijn borst en zei koel:

– Alles in orde, geen potten gebroken.

Daarna boog hij zich over Jean. De trein floot. De zon scheen ons te willen verzengen.

– Geef me water, beval Daquin aan Didier en steek je neus in de lucht. Het bloeden zal vlugger ophouden.

Didier stommelde naar de hoek van de coupé, verzette het pak met het brood, en haalde, tot onze verbazing, een drinkbekertje te voorschijn dat hij vulde met water uit de pul. Ik kwam recht.

– Laat maar, zei ik, je kan beter blijven zitten.

Ik nam het blik over en gaf het door aan Daquin. Voorzichtig goot hij wat water in Jeans nek, op zijn polsen en vervolgens op zijn gezicht.

– Het water is te warm, zei Daquin. Hij gaf Jean een paar lichte tikjes op zijn gezicht. Langzaam trok Jean de ogen open. Ik zag de gruwel uit de gezichten van Solange en Marguerlte wegtrekken. De ogen van de kleine Hugo kregen een rustige blik. Philippe’s lippen trilden opeens niet meer en Didier slikte een paar maal fel. De zon had zich in oranje sluiers gehuld en schoof langzaam weg achter de heuvels. De wind speelde door het stukke raam, fris en weldadig. Daquin bleef over Jean gebogen staan. In de andere hoek lag Philippe met de handen krampachtig op de buik. Toen schoof de zon helemaal weg. De blik van de kleine Hugo was een en al zilverglans. Steeds vissen, dacht ik weer. Ik voelde een wrede honger. Ik zag de vis in Hugo’s ogen en hoe hij kriste en kronkelde in een pan met vet. De aardappelen werden erbij geworpen met schil en al. Bedwelmend lekker rook het. Ik snakte naar lucht. Ik snakte naar voedsel.

– Jeanine, zei toen Daquin, het is etenstijd, verdeel het brood. Hier is mijn mes.

Terwijl hij overeind kwam en mij het mes toestak, keek hij in de richting van de kreunende Philippe. Hij stapte over de benen van Solange en hurkte neer bij hem. Zwijgend ontknoopte hij het riempje dat Philippe’s broek ophield. Met zekere en vaste bewegingen begon hij Philippe’s buik te masseren. Naar gelang Daquin masseerde, kreunde Philippe minder. In het duister luisterden we.

– Water, zei Daquin.

Ik gaf hem het water.

– Voor Philippe, wees hij.

Ik goot het water tussen Philippe’s lippen. Het vloeide een weinig weg uit zijn mondhoeken over zijn versleten hemd dat nu helemaal van zijn lijf gescheurd hing.

De trein reed vredig door de nacht. We keken naar de maan en de sterren. Een lauwe wind zong in het gat van het raam. Hugo lag ineengerold. Een foetus in de jonge schoot van zijn moeder. Ik onderscheidde de kroezelkop van Didier die tegen de voetzolen van Solange lag. Jean snurkte. Philippe hijgde en riep. Ik wou me oprichten en naar hem toegaan, maar Daquin hield me tegen en zei:

– Hij droomt.

Was het waar? Toch dierf ik me niet verroeren. Daquin sliep als een kat. Altijd de kat, dacht ik bij mezelf. Hij sliep de laatste in en was de eerste wakker. Ofwel sliep hij helemaal niet. Daquin was de oerkater. Hij organiseerde. Op geregelde uren gaf hij ons te drinken, verdeelde bedachtzaam het brood en gaf soms nog een korst van zijn eigen deel aan Hugo. Toch haatte ik Daquin. Ik geloof dat iedereen hem haatte en bewonderde terzelfder tijd. Fanatiek drong hij zijn wil op. Koppig hield hij aan zijn eigen gedacht. Was dat zijn grootheid? Was dat zijn sterkte, of zijn zwakte misschien? Had hij dat bij de maquis geleerd?

De wielen denderden regelmatig. De wagen schokte regelmatig. De koppeling sloeg regelmatig tegen de voorste wagen. Ik voelde weer duidelijk de prikken van vlooien en luizen en krabde duchtig in mijn haar en over mijn hele lichaam. Juist toen ik dacht dat mijn haar vijfenzestig centimeter lang was, mijn zuster had het nog met haar handpalm gemeten vóór ik vertrok, zei Daquin:

– Jeanine?

Ik gebaarde dat ik half sliep en mummelde:

– Humm?

– Ik moet je iets vertellen.

Hij kroop dichter naar me toe en belandde ten slotte naast mij op de bank. Zijn knie gleed tegen de mijne. Het gaf een eigenaardige gewaarwording. Als de adem van een dier dat zijn prooi besnuffelt, ging zijn adem over mijn gezicht. Maar het deed me goed. Hij gaf me warmte van binnenuit. Nu pas voelde ik hoe koud ik het had en vooral hoe hopeloos alleen ik was.

– Jeanine?

Zijn stem was dicht bij mijn oor. Zijn hand gleed over mijn arm. Het gaf me een vreemde sensatie. Mijn hart klopte afgrijselijk wild. Ik voelde me rampzalig en tegelijk warm worden nu die grote Daquin zo maar bij me kwam zitten. Want de grote Daquin sprak niet iedereen op die toon aan. Het is nacht, dacht ik nog vlug. Niemand leidt hem af. Nu heeft hij tijd om na te denken. Misschien was hij ook eenzaam. Ach, neen. Wat moet hij eigenlijk van me? Ik werd ineens bang, vreselijk bang, en hield me roerloos onder het lange onderzoek van zijn adem over mijn gezicht. Nog één minuut, dacht ik, nog één seconde en dan bijt hij, bijt de kater de muis dood. Ik kromp ineen zonder te verroeren.

– Jeanine, luister, je bent wakker. Ik weet het. Jij bent een van die sterke naturen. Ik mag op je vertrouwen. Je bent de oudste van de meisjes hier. Ik wil eens rustig slapen vannacht.

– Slaap dan, fluisterde ik hem zacht terug.

– Hoe kan dat? vroeg hij, met Philippe en Jean en Didier? Ze vliegen me aan zodra ik de ogen sluit.

De trein sjokte. We vielen tegen elkaar aan. Daquin is bang, hoe kan dat? vroeg ik me ontsteld af.

– Jeanine, ik heb Je nodig. Waak over me. Ik smeek je.

De oude, grote, lieve Daquin. Ik zonk bijna weg van vreugde en trots en verdriet tegelijk.

– Mironton, mironton, deed de trein en wiegde ons allemaal.

(Wordt voortgezet)


Bron: Het Spoor, juli 1967