Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > De Drempeltrein (V)

De Drempeltrein (V)

Ria Scarphout.

vrijdag 7 juni 2024, door Rixke

– Jeanine, fluisterde Daquin krampachtig, hoor je mij?

– Ja, Daquin. Slaap maar.

Hij gleed tegen me aan. Als een kind dat de veiligheid van de moeder heeft gevonden. Bijna ogenblikkelijk hoorde ik hem zwaar slapen. Zijn zachte ronken bleef in mijn oren tollen. Zijn benen lagen tegen de mijne en ik lag roerloos te luisteren naar onze geluiden en die van de trein. Toen ik hoorde dat ook de jongens sliepen, sloeg ik voorzichtig mijn arm om Daquin en sluimerde in. Ergens in de nacht heb ik nog een wissel gehoord, heb ik nog een licht gezien, maar dan niets meer. Dof klopten mijn slapen.

Toen ik wakker werd, zat Hugo me aan te gapen en lag Solange in Marguerite’s armen te snikken. De trein reed nu behoorlijk vlug. Ik sloot nog even de ogen en liet me gaan. Maar ik meende dat iemand me aanstaarde. Toen zag ik hoe Daquin me misprijzend aankeek.

– Christus vroeg ook aan zijn apostelen te waken, maar ze vielen eveneens in slaap, zei hij op die vlakke toon van hem.

Ik werd rood. Daquin keerde zich weg van mij en ging naar Philippe kijken die koorts had. Daquin scheurde repen van zijn vieze hemd, doopte ze in een blik met water dat hij van onder de bank trok en lei ze op Philippe’s hete voorhoofd. Jean staarde roerloos naar Daquins bewegingen. Didier trachtte de pluisjes te vangen die in een zonnestraal speelden. Niemand durfde naar eten of drinken te vragen.

Het was of de trein al zijn krachten samenbundelde, want zijn vaart vermeerderde nog.

– Je hebt nog niets gedronken, Jeanine, grinnikte Daquin.

Hij wees naar het blik waaruit hij een laatste reep van het vuile hemd haalde. Hij lachte wraaklustig. Ik braakte bijna. Ik was ellendig.

Een signaal was ergens dichtgevallen en de trein stopte. Het loeien van koeien schoof langs ons coupé. Toen zei Marguerite:

– We zitten in een rijdende cel.

Ik huiverde bij het woord. We zitten opgesloten, dacht ik wild en gejaagd. We kunnen er niet uit. We kunnen er nooit meer uit en de wereld is zo groot. De treinen rijden door de wereld als grote dieren die hun lasten licht dragen, maar wij...

Met een stoot zette de trein terug aan. Onze wagen schudde van links naar rechts, van voren naar achteren.

– Daar gaan we weer, zei Daquin en ging in een houding zitten zoals ik die van mijn vader kende als hij zich volkomen tevreden voelde. Dat gebeurde zo maar eens om de vijf maanden en dan nog. Toen mijn vader naar de maquis in het gebergte vluchtte, nam de oorlog een zuster en een broer van ons weg. We leefden in een oude barak als konijnen in hun pijp, bang ook weggehaald te worden. Stoelen hadden we niet, een tafel evenmin. We zaten op omgekeerde oude sinaasappelkisten en dikwijls heb ik toen gedacht:

– Hoe zou de smaak van een sinaasappel zijn?

Als we moe heen en weer op de kisten wriemelden, zei maman telkens:

– Allons kinderen, ze moeten meegaan. Aan nieuwe geraken we niet.

Ze zijn meegegaan: een hoop rommel waarop je niet meer zitten kon.

Op zekere dag was de oorlog gedaan, want mijn vader was terug. Was dat wel mijn vader? Een man die zo mager was en verschrompeld. Een mannetje van eeuwen oud.

– Bonjour, zie hij...

De kinderen keken hem alleen maar aan en bewogen niet eens. Maar maman sprong met een kreet op hem toe:

– Pierre!

Drie, wellicht vier weken lang lag er een grote stilte over ons en trachtten we de man te herkennen. Tot ik de klank van zijn stem herkende in deze zin:

– Als de treinen maar weer rijden.

– Je moet eerst op adem komen, Pierre, wat uitrusten. Je verdedigde je land. Ze zullen je decoreren.

– Maar intussen? vroeg mijn vader zich af. Jij? En de kinderen?

– Straks komt alles in orde.

Het kwam in orde. Stralend kwam moeder bij me en zei me opgewonden:

– Jeanine, je bent uitverkoren om naar België te gaan. Je werd door het Belgisch Comité uitgenodigd.

Ik wist niet wat me overkwam en keek maman vanachter mijn lange haar dat voor mijn gezicht viel, achterdochtig aan.

– Wat is dat, maman? vroeg ik schor.

– Je gaat op reis, fillette. Je zal leven als een prinses. Wat wij niet kunnen doen, zullen het Belgisch Comité je geven: een enig verlof. Stel je voor, een vakantie met uitstapjes en lekkernijen.

Haar glimlach bleef om haar mondhoeken hangen toen ze zei:

– Zoveel geluk voor één van mijn kinderen, en dan nog wel voor mijn oudste dochter, had ik niet verwacht.

– Ziet je oudste er dan zo lelijk uit? Of ben ik zo achterlijk dat ik nergens komen kan?

Maman schrok en ik voelde toen meer dan ooit de armoede op me wegen. Het verdriet doordrong maman. Dat zag ik toen pas zeer duidelijk. Pauvre, petite maman. Zij wist naar welk paradijs ik ging. Zwakjes voegde ze er nog aan toe:

– Je krijgt voor een tijdje een andere vader en moeder.

– Hoe dat? vroeg ik bars.

Ik zag dat het haar opkikkerde dat ik zo maar niet mijn maman kwijt wilde. Ze nam mijn hand in de hare, o zeldzame keer dat zij het gedaan heeft, kuchte een paar maal, keek alsof ze me een geheimpje vertellen zou en zei:

– Het Belgisch Comité heeft een lijst opgesteld van Belgische spoorweggezinnen die een Frans pleegkind willen opnemen. Aan de Franse spoorweggezinnen die door de oorlog veel hebben geleden, werd gevraagd of ze bereid waren hun kinderen zes weken geluk te geven.

– Zes weken?

Ik huiverde. Met uitzondering van dat zielige vijfkilometerreisje, was ik nooit buiten het dorp geweest. En nu moest ik plotseling zes weken naar een ander land. Een panische angst overmeesterde me. Maman zag het en zei vlug:

– Je doet daar uitstapjes. Je krijgt daar een mooie jurk, chocolade, snoep en...

– Neen, neen, riep ik, ik weet toch niet wat het allemaal is en Nanette, maman?

– Nanette is pas acht weken. Ze slaapt voortdurend. We blijven nog met negen over om voor haar te zorgen.

– Maar frère Marcel is ziek en jij bent niet hersteld, maman, en papa is ziek uit de maquis gekomen en...

– Je zal zien, Jeanine, onderbrak maman mij, wanneer je in België zult geweest zijn...

– Ik wil geen andere maman!

– Het zijn pleegouders kind en je zegt gewoon marraine en parrain...

– Parrain!

Wie had geroepen? De flaporen van Daquin bewogen langzaam. Hij plooide ze en streek erover met de vingertoppen. Achter Daquin schoof het landschap voorbij. Hoelang droomde ik met de ogen wijdopen? Ik keek verdwaasd van de ene naar de andere en zag dan Philippe nog steeds op de grond liggen.

– Parrain! fluisterde Philippe met gesloten ogen.

– Parrain! gilde ik.

– Tais-toi, Jeanine, gromde Daquin en streek weer over zijn flaporen. Ik dacht, dat je de stofjes in de zon aan het tellen waart, schamperde hij, maar je schijnt andere gedachten te hebben.

– Daquin, fluisterde Philippe, het gaat beter. Help me recht.

Met een zwaai zat Philippe op de bank. De blauwe armband om Daquins pols was strak gespannen.

– Dank je, prevelde Philippe. Het gaat beter, Daquin. Ik was... ik bedoel, we waren jaloers op je meesterschap. Maar je bent de grootste.

– En de sterkste, beaamde Jean.

Daquin trok zich in zijn hoek terug, naast Hugo. Hij antwoordde niet. Zijn flaporen gingen fel heen en weer.

De trein schommelde door het steeds vlakker wordend land. De bomen stonden wijder uiteen. Het Belgisch Comité zoemde het door mijn hoofd en ik klampte me daar ineens aanvast. De trein zoekt zijn weg over de sporen omdat hij de eerste is na vier jaar, maar straks gaan we eruit, straks zijn er honderden parrains. Mijn vader was ziek en nu krijg ik een nieuwe vader. Marguerite en Solange giechelden samen. Ik kneep een vlo dood en kroop op handen en voeten tot bij Daquin. Daar bleef ik zitten. Bevrijd van mijn nare dromen, gelukkig in de schaduw van de grote Daquin die zo beschermend dicht bij me zat. Het Belgisch Comité is iets zoals Daquin, stelde ik me nog voor, goed en vriendelijk en hulpvaardig, iets waar je tegen kon aanleunen. Zoals nu tegen de knieën van Daquin. Belgisch Comité. Ik goochelde met het begrip. Wat was dat voor iets? Ik voelde me klam van zweet en koorts en gedwongenheid. Belgisch Comité, Belgisch Comité, zongen de wielen in koor. Het waren zware orgeltonen, Daquin zat in het dorpskerkje en bespeelde het orgel. Dan weer mijn vader. Of neen, de vader van Didier met zijne ene arm. Eén arm. Eén schoen van Daquin. Mijn hoofd woog tienduizend ton. De wielen denderden in mijn hoofd. De trein reed door mijn hoofd. Daquin zat in mijn hoofd. Het was kleine Hugo die me met een teder gebaar naar zich toetrok en schrok van mijn natte handpalmen.

– Je bent ziek, Jeanine.

De kleine muis spreekt, dacht ik. De kleine muis naast de grote kat Daquin met een blauwe armband. De armband van een verminkte huid. De armband zweefde mij een ogenblik voor de ogen en toen voelde ik een hand op mijn hoofd.

– Je hebt koorts, zei de vlakke toon van de kater.

Een gouden licht speelde in zijn ogen. Solange en Marguerite hieven het hoofd op.

– Quelle peste. Dat zijn streken.

– Mond dicht, sprak de kater.

De muizen kropen angstig weg in de coupé. De stoomfluit gilde en we vielen plotseling op elkaar.

– Wat een bocht, zei Jean, en wreef zich over het hoofd.

– Ja, wat een bocht, echode Didier.

Als een rillende muis lag ik tegen de warme katerhuid.

– Drink, zei de jongste muis. Hier is water.

Geschrokken keken we naar Hugo. We waren te verbouwereerd om maar iets te antwoorden. De kater glimlachte. Toen stond de trein stil. De grijze, vlakke gevel van een station hield de zon uit de coupé. Klimrozen bloeiden in trossen langs de gevel. Nergens viel een naam te bekennen.

– Niet bewegen, beval Daquin.

We hadden er ook de lust niet toe.

– Het Belgisch Comité, mummelde ik.

– Zwijg, gebood Daquin en luister.

– Waar zijn we aangekomen vroeg Philippe en richtte de blik op de klimrozen.

– Het doet er niet toe waar, prevelde Jean. Ik voel me ellendig.

– Vallen de gebraden vogels je hier in de mond? zei Didier nog.

En toen hoorden we duidelijk kinderen uit de trein stappen. En daar bovenuit de vaste tred van een man. We keken elkaar aan en wachtten af. De klik van een grendel. De deur van de coupé ging open. Een man lachte ons toe en zei:

– Allez les petits. Kom eruit. Hij was reeds verder en herhaalde hetzelfde deuntje.

Als lappepoppen schoven we uit de coupé. Het deed vreemd aan terug op vaste grond te staan. Het schommelen en ruisen zat ons in de benen, in onze oren. We hielden elkaar stevig vast. Daquin in het midden, als de grootste tegen wie we leunden als tegen een paal. We waren de groep. De innig verbondenen. De andere kinderen liepen halfdronken voor en achter ons. Iedereen zweeg, maar we keken des te doordringender. Eerst herkenden we in de wezens rondom ons onze eigen ellende en viezigheid. Ze krabden evenveel in het haar als wij. Toen zagen we dat we nog in Frankrijk waren. Een groep Franse spoormannen loodsten ons naar een gebouw dat hoog en wit in de zon stond. Ze dreven ons het gebouw binnen. Als dieren, dacht ik. Daar stonden we in de koelte. In deze koelte rook ons lijfzweet walgelijk doordringend. En weer werden we toegesproken zoals bij ons vertrek in de Gare du Nord. Door bijna dezelfde gezichten, en met ongeveer dezelfde woorden. We wisten er reeds meer van dan zijzelf.

– ... en dat jullie gezond en goed... welvarendheid en schoonheid... lange reis... België...

We knikkebolden. Daquins linkerhand lag op mijn schouder en zijn rechter hield Hugo vast. Marguerite en Solange hielden mijn rok vast en aan hun kleed hingen Didier, Philippe en Jean. Ik keek naar de vuile voet van Daquin met de kromgegroeide zwarte nagel van zijn grote teen.

– ... en zo hebben het Frans-Belgisch Comité besloten jullie een aangenaam verblijft te bezorgen. De reis is bijna ten einde en we hopen dat...

Daquins grote teen krulde omhoog. Hoelang zou de reis nog duren? Was Frankrijk een zo groot land? Lag België zo ver? Waar was de oorlog en de honger? De honger zat in mij, in ieder van ons. Ik slikte het droge speeksel door, want mijn speeksel was droog, om de holte in mij te breken. De spreker hield nu de mond gesloten. Er viel een stilte in het gebouw en daarin ging de deur open waarlangs we binnen gekomen waren, open en de reuk van geitekaas sloeg in mijn neus. God.

– Speciaal voor jullie, zei de chef van het onbekende station.

Als wolven vielen we op de geitekaas. We slokten en schrokten. We propten de mond vol en spoelden de kaas met heerlijk koel water door. We hadden geen jeukte meer. Er was geen trein meer. Maar op dat ogenblik floot een locomotief over het station.

– Jullie trein wordt hier gerangeerd, lichtte de chef toe.

We schrokten verder. Het gebouw was vol smakgeluiden. De stoom van onze trein viel over de kap van het station en daarin vergleden schimmen. We aten en aten. We hoorden een trein voorbij het station rijden. De chef zei nog:

– Een goederentrein.

Maar we hoorden en zagen eigenlijk niets bewust. We hadden honger en we kregen geitekaas, een ongehoorde lekkernij.

– Het is warm, zei de chef, achter in de zaal, waar hij tussen andere spoormannen stond.

Misschien wel leden van het comité of van de sociale dienst, dacht ik vaag, terwijl ik opnieuw brood en kaas naar binnen werkte.

– Het is heel warm, zei de chef.

Precies of we het niet wisten. Hij keek naar onze etiketten. Ik had veel lust om het mijne af te rukken en het op het steile pad achter het station te werpen. Maar zo iets leek op desertie tegenover de groep. Zoveel wist ik er wel van. Dat en de maquis behoorden tot de woordenschat van de laatste jaren. Alle kinderen kenden ze. Samen met de alpenmuts.

De grote Daquin leunde tegen de vensterbank van een groot open raam. Een trein stoomde traag voorbij en omwolkte hem. Met zijn misprijzende grijze ogen keek hij me aan. Ik richtte dadelijk mijn blik in een andere richting. Had ik die nacht geslapen in de wagen?
(Wordt voortgezet)


Bron: Het Spoor, augustus 1967