Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > De Drempeltrein (VIII)

De Drempeltrein (VIII)

Ria Scarphout.

woensdag 3 juli 2024, door Rixke

– ... En gij, pleegvaders en pleegmoeders, gij die vol liefde naar hier zijt gekomen om uw pleegkind af te halen, ik dank u, ik dank u, uit de grond van mijn hart. Ik dank u in naam van de directeur-generaal der Belgische Spoorwegen, in naam van het Comité. Ik dank u, want in uw hart is er geen plaats voor zelfzucht, maar alleen voor liefde, en dat gij hier staat, peters en meters, is het meest treffende bewijs van uw edelmoedigheid. Ik laat dan ook, in naam van de Belgische Spoorwegen, met gerust gemoed al deze meisjes en jongens onder uw hoede voor de zes komende weken, ik weet dat ze bij u gelukkig zullen zijn, die kinderen van de oorlog, welke armoede en honger hebben geleden, die kinderen welke met de eerste trein over de grens uit Frankrijk kwamen, die, ik weet het, helaas, een moeilijke reis achter de rug hebben, die hun laatste restje wil hebben moeten samenballen. We mochten echter niet langer wachten tot de treinen weer normaal zouden rijden, we moesten handelen in het belang van deze jongens en meisjes, en door uw goedheid zullen deze pleegkinderen over zes weken terug naar Frankrijk gaan met een herinnering die hen bijblijven zal voor heel hun leven. Pleegvaders en pleegmoeders, ik dank u.

Het applaus ging als een wervelwind over ons. De lok op het voorhoofd van de president gleed van links naar rechts. Ik had buikpijn. Ik had te veel gegeten. Maar de honger... Twee verpleegsters leidden vijf kinderen buiten en in der haast liepen er nog twee met de hand voor de mond achter hen aan. De president keek van onze groep naar de zaal en van de zaal terug naar onze groep.

– ... Ik dank u en ik groet u allen, jongens en meisjes...

Hugo sliep met zijn zilvergroene vissenogen wijdopen. Daquins handen beefden op Hugo’s hoofd.

– ... schoner te maken opdat over uw leven en over al wat gij verplicht zijt te doen nooit meer de schaduw van de oorlog zou vallen. Ik heb gezegd. Ik dank u.

Nogmaals brak het applaus los. De president wies met een enorme zakdoek de haarlok van rechts naar links, bette zijn ogen, haalde een brilletje uit zijn zak en zette het op, glimlachte, boog, glimlachte breder, boog opnieuw, glimlachte weer als het applaus opnieuw een hoogtepunt bereikte en ging dan eindelijk zitten.

Daquin keek versuft voor zich uit. Nooit zal ik weten wat de grote Daquin op die namiddag heeft meegemaakt. Maar ik giste wel dat meer dan de maquis dit moment hem volwassen maakte. De grijns was van zijn gezicht verdwenen. Hij aanvaardde het leven.

Het applaus was reeds uitgestorven en in een gezellig geroezemoes uitgedeind. Toen zag ik mijn parrain. Hij stond voor me: een man van middelmatige grootte met brede, rechte schouders. Om zijn mondhoeken hing een zo diepe rust en heel zijn wezen straalde een zo grote innigheid uit dat mijn lippen begonnen te trillen. Ik bleef hem aanstaren en toen zei hij.

– Bonjour, Jeanine, je suis ton parrain.

Al de angst en de wanhoop bundelden zich in mij samen en ik snikte het uit:

– Ils m’ont enfermée trois jours.

Parrain leidde me naar buiten. Vaag herinner ik me dat er nog kinderen waren die schreiden. Daquin en de anderen had ik niet meer gezien.

Ik stond met parrain op het stationsplein. Zijn witte hand had mijn hand gevat en we stapten het station binnen. Ik draaide me vlug even om en ik las: Flandria.

– Dat is latijn, dat betekent Vlaanderen, hoorde ik mijn parrain zeggen.

Een krop steeg me naar de keel, maar ik duwde hem terug. Het was het uur dat de mensen van hun werk huiswaarts keren. Het station was overbevolkt. Ik keek terug naar mijn etiket. Parrain zag mijn blik. Hij boog naar me toe en onhandig maakte hij het van mijn jurk los en stak het in zijn broekzak.

Zwijgend volgde ik hem door de koele tunnel. Hij vroeg niets. Ik zei niets. Zwijgend gingen we de trap op naar het perron. Drukpratende mensen wachtten op de trein. Ik keek naar de klok in de toren boven het station. Wat zei Daquin ook weer? Hoe zouden nu zijn flaporen staan? En waar was Hugo? Ik was misselijk van de boterkoeken en de cacao.

– - Voila le train qui arrive, Jeanine, zei parrain.

Ik keek naar de naderende locomotief. Puffend viel de trein stil. Parrain opende de portière. Het was een eerste-klascoupé. Een geurige warmte sloeg me tegen. Ik stond een ogenblik verbouwereerd. Stiekem liet ik mijn duim over het fluweel van de kussens glijden. God allemachtig, wat een mooie trein, dacht ik.

– Wel? vroeg parrain vriendelijk toen hij de deur achter zich had dicht getrokken.

– Maak het je gemakkelijk, kind, voegde hij eraan toe en zette mijn sjofele bagage in het net.

Ik dierf bijna niet gaan zitten. Zo een trein had ik nooit gezien. De zachtheid van fluweel was me totaal onbekend. Ik drukte het hoofd in de kussens en voelde een zaligheid over mijn misselijkheid glijden. Even stond Daquin voor me en Hugo, de anderen wervelden er rond, dan was het beeld weg en zag ik een vrouw de gangdeur openschuiven en ons coupé binnenkomen.

– Dag, chef, zei de vrouw, en stak parrain een hand toe.

– Juffrouw Denise, zei parrain, dit hier is Jeanine, mijn pleegkind. Elle est française, n’est-ce pas, Jeanine?

– Oui, parrain, antwoordde ik fier.

Juffrouw Denise bekeek me welgevallig terwijl ik hevig kleurde. Ik heb „parrain” gezegd, dacht ik. Parrain.

Parrain bekeek me zacht en ik hoorde hem aan juffrouw Denise zeggen:

– Jeanine Truffin.

Haastig keek ik naar mijn borst. Ach, ja, het etiket was eraf. Ik werd kalmer. Juffrouw Denise zat tegenover mij en parrain. Uit haar tas haalde ze een sinaasappel. Ik keek met grote ogen naar de vrucht.

– Pour toi, Jeanine, zei de juffrouw.

Met twee handen greep ik ernaar. Maar ik wist niet hoe eraan te beginnen. Juffrouw Denise nam de sinaasappel en zei:

– Kijk. zo moet je het doen, Jeanine.

Heftig trok ik verder de schil eraf.

– Kalmpjes aan! maande parrain zacht.

Maar de geur sloeg zo doordringend in mijn neus, dat het water mij in de mond kwam. Nooit had ik een sinaasappel gegeten. Ik beet erin. Het sap liep in een straaltje langs mijn kin en verder over mijn vieze jurk. Ik zag de ogen van juffrouw Denise. Ik keek naar de ogen van parrain. Ik genoot van mijn sinaasappel. Mijn hart bonsde ervan in mijn keel. Lekker, dacht ik, wat is dat lekker. En ik gleed weg in het aroma van de vrucht. Heel ons coupé geurde van de sinaasappel. Juffrouw Denise glimlachte geheimzinnig en ze haalde een banaan uit haar tas.

– Het lijkt wel of u toveren kan, lachte parrain. Nu, Jeanine, je wordt verwend.

Ik geraakte er helemaal niet meer wijs uit, greep de banaan uit de handen van juffrouw Denise en beet erin. Ik spuwde het stuk onmiddellijk weer uit. Wat was dat bitter en wrang.

– Een banaan moet je ook van zijn schil ontdoen, sprak juffrouw Denise.

Met haar lange mooie vingers maakte ze de vrucht klaar voor me. Ik trilde van opwinding. Gretig beet ik in de romige banaan. De trein stopte. Ik keek vragend naar parrain.

– Nog een half uurtje, Jeanine. Het is een boemeltreintje.

Hij lachte. Ik lachte terug. En ook juffrouw Denise lachte. En opeens begon ik te neuriën (hoe vlug vergeet een kind) met het ritme van het boemeltreintje mee:

– Pomme de terre, pomme de terre, pomme de terre.

Hoe meer ik het woord herhaalde en er het ritme van de trein mee volgde, hoe meer ik alles van me af voelde glijden. Tot Ik opeens dacht: Jean Daquin, Jean Daquin, Jean Daquin. De tranen biggelden over mijn wangen. De trein stopte in het volgende dorp. Parrain had geen gezicht meer en de blonde lokken van juffrouw Denise vloeiden uiteen in blonde sluiers. Het vertreksein zong langs de trein, even werden we geschokt en toen denderde de trein voort in zijn gelijk ritme. Krampachtig zocht ik naar een woord. Ik kon er geen vinden. Jean Daquin, spookte het door mijn hoofd, we zijn geen kinderen meer. Wie heeft ons volwassen gemaakt?

– La guerre, zei ik luidop.

– We blijven samen, hoorde ik Daquin weer zeggen.

– We hadden honger... bij ons, zei ik stil.

Parrain keek op zijn handen en juffrouw Denise keek star voor zich uit.

– Ze hebben daar allemaal honger. Nu nog. Mijn broertjes en mijn zusjes ook. We hebben nooit chocolade gehad. Mon papa...

Ik stokte. Parrain zat dieper gebogen en juffrouw Denise keek met glanzende ogen op de kale schedel van parrain neer. Dan eerst merkte ik zijn gladde schedel op. Zijn hoed lag boven hem in het net naast mijn bagage.

– Als beesten zijn we naar hier gevoerd, ieder met een etiket op de borst. Drie dagen opgesloten zitten in een trein...

– En es-tu bien sûr, Jeanine, zei parrain. De Franse en de Belgische spoorwegen waren verantwoordelijk voor jullie. De trein moest gesloten worden om ongelukken te voorkomen.

– Daarom konden de vensters niet open, antwoordde ik bitter.

– Ja, zei parrain.

Ik zag ons weer in het treingangetje staan, aanschuivend voor het toilet. De reuk verpestte de hele wagen.

Parrain stond op en haalde mijn schaftzak, de kartonnen doos en het onoogelijke valies uit het net, zette zijn hoed op en zei:

– Nous y sommes.

Ook juffrouw Denise was opgestaan. Met zijn drieën gingen we in de gang staan en keken naar de velden en de bomen. Toen stopte de trein.

Later wist ik dat we vlak voor het goederenmagazijn stonden. Ik herinnerde me een hoge bruine poort met een trap ervoor en ik werd toen zielsbang. Het gebouw leek op het eerste gezicht een gevangenis, hoewel ik niet wist hoe een gevangenis er uitzag. Over het perron liep een meisje naar me toe. Ze bleef op twee meter vóór me staan.

– Oui, c’est Jeanine, Anna, hoorde ik parrain langs me heen zeggen.

Haar frisheid overrompelde me. Vooral het oranje kleed met de groene takjes. Ik sloeg de ogen neer, niet uit zedigheid, maar uit schaamte. De scheuren en de vlekken in mijn plunje leken me catastrofaal. Anna merkte mijn blik en wist wat ik dacht. Ze werd hevig rood. Ik zag het, ofschoon ik de blik neergeslagen hield. Toen stond marraine voor me.

– Bienvenue, Jeanine.

Haar stem was hard en toch vriendelijk. Ik keek op. Een fijn wit gezicht met rood haar, een kleine gulzige mond, een wipneus en een vierkante kin. Toen zag ik René. Hij geleek op marraine. Hij keek me met dezelfde grijze kleur van ogen aan. Zijn blik mat me.

– Je m’appelle René, bonjour Jeanine.

Hij gaf me een hand. Anna nam me van kop tot teen op en onwillekeurig ging ik met een hand door mijn lang zwart haar.

– Je haar is zwart als de hond van onze buurvrouw, lachte René.

Ik voelde hoe een witte vlam in me opsloeg.

– Heb je ook vlooien?

– René, vermaande zijn moeder hem.

De trein reed weg. Juffrouw Denise gaf ons allen een hand en stapte naar de kaartjesknipper. Ik stond daar tussen mijn parrain en mijn marraine, tussen een vreemd meisje en een vreemde jongen. Maar aan de oren van de jongen groeiden de flaporen van Daquin en zijn ogen werden zo wijd als de ogen van Hugo en zijn mond vertrok als de mond van Didier.

– Wees welkom in het station, Jeanine, zei parrain.

Anna en René namen mijn pakken op. Ze gingen ons voor naar het achterpoortje van het stationshuis.

– O! zei ik. Woont u hier?

– Ja, antwoordden ze alle vier.

– Ik ben de chef van dit station, en parrain lachte me toe en duwde me het huis binnen.

Ik was aangekomen in het vreemde huis. Ik dierf met moeite opkijken. Maar op de tafel zag ik een fruitschaal staan en in die fruitschaal lagen twee bananen en twee sinaasappelen.

– Neem er een van, Jeanine, nodigde marraine me uit die mijn gulzige blik zag.

Ik herinner me dat ik ze alle vier heb binnengeschrokt, dat marraine aan Anna zei met mij naar de fruitwinkel te gaan om een kilo sinaasappelen en twee stukken chocolade. Die eerste avond heb ik niets anders gedaan dan eten en eten, tot ik ervan braakte. Marraine stopte me in bed. Het was de eerste keer dat ik in een echt bed sliep, maar ik wist het niet, zo ziek was ik. Anna en René kwamen naar me kijken. Ik hoorde marraine zeggen:

– Laat haar rustig liggen. Het kind kan haar weelde niet dragen.

De volgende dag heb ik me weer ziek gegeten. René stopte me al zijn chocolade toe. Hij had me zelfs het deel van Anna gegeven. Ik was maar niet te verzadigen. Nu en dan kwam parrain eens kijken en zei:

– Tu te rends malade Jeanine.

– Zo krijgt ze er genoeg van, antwoordde marraine.

René schreeuwde als gek toen hij me ziek zag worden. Hij holde door het huis en riep:

– Maman! Maman!

– Maman! Maman! schreide ik.

Anna hield mijn hoofd vast. Ik braakte en huilde. Dan heeft marraine me onder handen genomen. Ze heeft me geschrobd en gewreven, het kamertje ontsmet, mijn kleren verbrand en mij een nieuwe jurk gegeven. Ik dierf niet ademen als ik de jurk bekeek. Het was er een met rode bloempjes opeen witte grond. Ze heeft mijn nagels geknipt en langzaam en veel mijn lange haren geborsteld. Toen heeft ze een felrode strik in mijn haar gebonden, omdat ik van die kleur hield. Daarna is ze met me naar de dokter gegaan.

Parrain lachte me telkens toe als hij uit het stationshuis binnenkwam:

– Wat ben je mooi, kind, zei hij bewonderend.

Ik dacht dan altijd heel even aan Daquin en bekeek me in de grote spiegel op Anna’s kamer. En toen schreef ik mijn eerste brief.

– Ma chère maman, mon cher papa.

Maar ik dierf niets zeggen over mijn strik en mijn ziekzijn en de chocolade en de sinaasappelen. En daarom schreef ik die ene zin: je suis heureuse.

Ik was toen twee weken bij marraine en parrain. En nog vier weken en ik moest terug naar Frankrijk, naar het dorp bij Limoges. De angst zette zich in me vast. Ik wou niet terug. Ik wilde geen armoede meer. Papa en maman moesten maar met de zusjes en de broertjes naar België komen. Ik zou het Comité voor hulp aan de spoorwegkinderen vragen dat het de familie Truffin zou laten overkomen. Ik begon te treuren en liet me willoos plagen door René. Ik bekeek somber mijn nieuwe schoenen die ik bij iedere stap oppoetste, want ik kon er geen vuil op verdragen. Ik voelde aan mijn witte sokjes die ik van Anna had gekregen en marraine had me een geurig stuk zeep gegeven. René bracht me kleurpotloden en parrain gaf me een blauw zakdoekje met mijn naam erin geborduurd. Ik wou niet meer terug naar huis. Ik was de poort van het paleis binnengewandeld, waarachter de feeën leefden uit grootmoeders sprookje.

(Wordt voortgezet)


Bron: Het Spoor, november 1967