Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Met Belgen in Rusland (1871-1872) (II)
Met Belgen in Rusland (1871-1872) (II)
A.-M. Brasseur-Capart.
vrijdag 23 augustus 2024, door
Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]
Er heerste een goede verstandhouding tussen Franz Baesjou en de drie Belgen: Iliard, Berger en Gilson die, Joost mag weten waarom, „Vader Adam” genoemd werd. ’s Zondags speelde hij soms kaart met hen of met de Engelsen; het was een Russisch spel dat dourac (zot) heette. Sommigen durfden wel eens vals te spelen! De verliezer werd een ezelsmuts opgezet. Af en toe trokken ze op duivenjacht of verdeden ze hun tijd in Duitse of Russische cafés. Hier werd er citer gespeeld of gezongen en gedanst op de tonen van een orgel of van een slecht orkestje, in een met petroleum verlichte zaal waar je de rook kon snijden. Het gebeurde wel eens dat Franz Baesjou ook op bezoek ging bij M. B. of bij de apotheker of nog bij Firth, de chef van de tractie, een borstlijder in de hoogste graad, wiens echtgenote aan cholera gestorven was; hij bleef achter met acht kinderen. (Meestergast Firth was een van zijn landgenoten die in Rusland verzeild geraakt waren sedert de Krimoorlog.) Maar meestal trok de jongeman naar de schilderachtige markt (Bazari) die ’s zondags, ’s woensdags en ’s vrijdags gehouden werd. Je kon er Engelse produkten kopen, maar ze waren erg duur. Je moest er beslist afdingen. Het was ook een openluchtbeurs. Ze werd bezocht door een bonte, luidruchtige menigte. De kleine straatjes krioelden van marskramers, uitdragers en helers. Op andere keren wandelde hij naar de Devaranska, het selecte ontmoetingsoord, in de handeldrijvende hoofdstraat; daar bevonden zich de luxueuse warenhuizen. Er was een onafgebroken stroom van wandelaars er rijtuigen. Je kon er de toiletten van de dames bewonderen: helgekleurde zijden jurken, fluwelen of zijden mantels gevoerd met wit bont, aangevuld met een hoofddoek van dezelfde kleur, ze droegen juwelen en snuisterijen. Heren en dames hadden lichtgekleurde handschoenen; sommige dames voerden zelf hun rijtuig.
Bij Taylor, de Engelsman, waar ze logeerden, hadden ze op deze vrije namiddag recht op een dessert (rijsttaart). Het eten was sober, maar gezond en zonder veel afwisseling: kaas, stoofvlees, schapevlees en andere vleessoorten, melkspijzen en thee. Het tafelgerei was van tin; het water was zeer kostbaar. De huisvesting zelf was allereenvoudigst: er waren geen kasten; de kleren werden in reiskoffers geborgen of aan nagels opgehangen; de harde matras – een echt nest – lag op de grond naast de leiding van de haard. Lakens, dekens, handdoeken dienden in de bazzari gekocht te worden; wanneer het te koud was, boden de dubbele ruiten geen voldoende bescherming en deden de pelsmantels dienst als bedekking. De meiden sliepen in de keuken, op een vooruitstekend gedeelte van het houtvuur.
Net als de mannen, droegen zij laarzen of gevlochten tenen klompschoenen, de benen omgeven met zwachtels, een uitstekend middel om zich tegen de kleverige modder van de streek te beschermen. Wanneer ze buiten gingen, droegen ze pelsmantels boven de tamelijk korte katoenen kleren. Als hoofddeksel droegen de meiden een eenvoudige doek terwijl de boerinnen een hoge hoed opzetten die met een gekleurde sjaal werd vastgehouden. Om hun middel droegen de mannen een brede, helgekleurde gordel. Hun hoofd was getooid met een haren muts of een zwarte vilthoed met kleine randen en bezet met koperen versierselen. Ze hadden allen verwarde, lange baarden. Vanaf hun doopsel – dit werd toegediend volgens de Griekse ritus, d.i. door onderdompeling – droegen mannen en vrouwen barnstenen talismannen om de hals; hun kleren waren erg vuil; slechts eenmaal per jaar trokken ze schoon goed aan. Ze waren uiterst bijgelovig en lichtgelovig, zozeer zelfs dat ze bijv. geloof hechtten aan het verhaaltje van een dode moeder die de hand van haar zoon gegrepen had op het ogenblik dat deze geld onder haar hoofdkussen stal. Men kon ze niet meer van elkaar scheiden en drie weken later beval de Tsaar, zo werd er beweerd, ze samen te begraven.
De meester hield de identiteitsbewijzen van zijn ondergeschikten bij zich, waardoor hij ze in zijn macht hield; (en zulks niettegenstaande de keizer al twee jaar de slavernij had afgeschaft...). Dit belette de meiden evenwel niet zich vaak verongelijkt te voelen, onbeschoft, lui en steelziek te zijn, onder voorwendsel dat de meester „zoveel geld wint en het niet uitgeeft...” Hun opvattingen over het huwelijk waren vrij verward en zeer rekbaar. Wanneer ze het in hun hoofd kregen, zochten ze hun minnaars op langs deuren, vensters of zelfs door over tussenschotten te klauteren. Het gebeurde niet zelden dal ze hun „man” of hun dochter meebrachten, zo gezegd om een handje toe te steken, maar in werkelijkheid om ze te eten te geven terwijl ze tevens het linnen van hun gezin of zelfs van hun buurvrouw op kosten van de baas liten meewassen. Onnodig te zeggen dat ze na het markten heel wat meer in rekening brachten dan ze hadden uitgegeven. Er was er zelfs een die haar pas bevallen meesteres een niet schoongemaakte kip en water in een vuil glas opdiende, terwijl ze haar vrijer en een paar van zijn trawanten in de keuken op een flink maal vergastte; die genodigden vonden er geen graten in te roken als Turken, hun benen op tafel te leggen of hun neus af te vegen met de slippen van de tafellakens die er gewoon stijf van stonden. Ondertussen moest de jonge moeder zelf opstaan om voor haar vijf kinderen te zorgen. „Wat zouden de gestrenge meesteressen des huizes van bij ons daar van denken?” schreef mijn grootvader.
Drinkgelagen met vodka waren schering en inslag. Iets dergelijks gebeurde op een avond in de keuken van Taylor; de Belgen waren er naartoe getrokken om te luisteren naar het gezang van vier boerinnen die het huis hadden gewit. De uitspattingen lieten niet lang op zich wachten. Er was zelfs een min in rode rok en met als enig bovenkleed een licht hemdje, die zich wulps onder het gezelschap mengde en zich niet bekommerde om het kind dat ze voedde.
Mijn grootvader en Berger begaven zich naar bed terwijl de anderen zich verder met dit soort genoegens bleven vermaken. Frantz Baesjou maakte zich heel wat zorgen over een van zijn kameraden die pas gehuwd was. In zijn dagboek schrijft hij: „Zou ik mij niet schamen over mezelf indien ik aan de verleiding toegaf, indien de geest het zou moeten afleggen tegen het lichaam?” Daar het feit zich enkele dagen later opnieuw voordeed, voegt hij eraan toe „Het kwaad is geschied, ik heb het niet kunnen beletten. Had ik er evenwel het recht toe? Wie gaf mij de macht om de daden van anderen na te gaan? Maar me dunkt dat het voldoende is een bepaald kwaad door en door te kennen, om het recht te hebben het te veroordelen en zich ertegen te verzetten. Wat ik echter wel weet is dat het niet meer zal gebeuren.”
Dezelfde week stelde Gilson vast dat zijn grote reiszak waarin zijn kleren, geld en zijn contract zaten, gestolen was. De Belgen dienden klacht in bij de politie. Dat liep niet van een leien dakje. De bediende deed hen opmerken dat niemands paspoort in regel was. Bovendien kregen ze het aan de stok met hun kamerverhuurder daar Gilson deze man voor die diefstal aansprakelijk gesteld had omdat hij de deur niet op slot had gedraaid; hij eiste een vergoeding. Het resultaat liet niet op zich wachten. Allen werden ze verzocht op het einde van de maand op te krassen... Nu was het praktisch onmogelijk logies te vinden. Daar Frantz Baesjou partij gekozen had voor Gilson en voor hem als tolk opgetreden was, werd hij „aangemaand” op een avond voor Taylor en andere onbeschofte Engelsen te verschijnen. Nadat hij zijn vernedering verwerkt had, antwoordde mijn grootvader met een ontwapenende beleefdheid, „een uitstekend wapen, zei hij tegen hen die ze niet bezitten”. Hij liet hen nochtans opmerken dat ze geen gentlemen waren, wat een Engelsman nu niet bepaald als een compliment neemt.
Daarna dienden onze mannen de bureaus af te lopen. „Het was er erg warm en er hing een verstikkende geur...”
Ondertussen begaven ze zich naar het Duits café waar ze ettelijke flessen bier drenken. Uiterst gedienstig voor zulke goede klanten, stemde de waard erin toe als tolk op te treden telkens als dat nodig zou zijn. Na heel wat voetstappen, werden de paspoorten tegen de nodige klinkende munt in orde gebracht. Het geval van de gestolen zak werd echter niet opgelost; er dienden heel wat vragenlijsten te worden ingevuld (ja, ja, ook al in de 19e eeuw!) en men zond ze van Pontius naar Pilatus. „Diende men zich wel het hoofd te breken over een zaak tussen twee vreemdelingen?”
"Toch waren de bedienden heel beleefd. Uiteindelijk gal Frantz Baesjou Gilson de raad te schrijven naar de Consul van België in Moskou. Maar er kwam een tweede klacht tegen Taylor, uitgaande van een Fransman, de gereedschapsmaker van de werkplaats, die al 35 jaar in Rusland verbleef. Na heel wat last en pietluttigheden kwamen de twee zaken voor de rechtbank.
De rechtbank van Woronesj geleek naar die welke, in de Belgische steden, destijds „rechtbanken voor het gespuis” genoemd werden, en die kleine misdaden en vrouwenkrakeel oordeelden. De rechtszaken verliepen er met een hopeloze traagheid. De rechter (Mirawoysoudia) viel op door een grote gouden ketting die hij om de hals droeg. Het vonnis werd onder eed uitgesproken, tegenover het portret van de keizer. De eisers (al dan niet bijgestaan door een advocaat) mochten in cassatie gaan. Maar de debatten werden van meet af vervalst door het feit dat de getuigen, opgesloten zonder lucht en licht, alles hoorden wat in de zaal gezegd werd.
Bron: Het Spoor, juli 1968
Rixke Rail’s Archives

